Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA6402

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2000
Datum publicatie
22-10-2003
Zaaknummer
199900768/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 mei 1998 hebben burgemeester en wethouders van Purmerend (hierna: burgemeester en wethouders) , voor zover thans relevant, een bouwvergunning verleend voor het veranderen en vergroten van een voormalig schoolgebouw op het perceel […] tot yoga-centrum.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:47, geldigheid: 2000-06-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2000/219
Module Ruimtelijke ordening 2000/2723

Uitspraak

Raad van State

199900768/1

Datum uitspraak: 15 JUNI 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A en B te C, appellanten,

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 12 mei 1999 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Purmerend.

1 Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 1998 hebben burgemeester en wethouders van Purmerend (hierna: burgemeester en wethouders) , voor zover thans relevant, een bouwvergunning verleend voor het veranderen en vergroten van een voormalig schoolgebouw op het perceel […] tot yoga-centrum.

Bij besluit van 30 oktober 1998 hebben burgemeester en wethouders het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 mei 1999, verzonden op dezelfde dag, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Haarlem (hierna: de president), voor zover thans relevant, het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 23 juni 1999, bij de Raad van State ingekomen op 24 juni 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 juli 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 november 1999 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2000, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. E. Peters, advocaat te Purmerend, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door L.J.P. Rog en F.J. Wulterkens, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord Z, vertegenwoordigd door mr. L.M. van den Ende, advocaat te Purmerend.

2. Overwegingen

2.1. Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de vragen of de aan partijen geboden reactietermijn op het deskundigenbericht voldoende is geweest en of de goothoogte van het vergunde bouwwerk al of niet in overeenstemming is met de in de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan bepaalde goothoogte.

2.2. Appellanten menen dat hun gelet op artikel 8:47, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) een termijn van vier weken in plaats van een week had moeten worden geboden om te reageren op het door de president ingewonnen deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor milieu en ruimtelijke ordening (hierna: StAB) van 7 april 1999. Het deskundigenbericht is aangeboden aan partijen bij brief van 14 april 1999, waarin partijen is verzocht binnen een periode van een week eventuele opmerkingen aan de rechtbank te doen toekomen.

Daarbij is vermeld dat de president er, zonder tegenbericht van partijen, van uitgaat dat zonder nadere behandeling ter zitting uitspraak kan worden gedaan, waarbij uitdrukkelijk wordt gewezen op artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. In hun reactie, ongedateerd, bij de rechtbank ingekomen op 23 april 1999, hebben appellanten wel aangegeven dat het hun niet mogelijk was binnen de gestelde termijn van een week een eigen deskundigenrapport te overleggen of de (ongepubliceerde) uitspraak waarop de StAB zich baseert te verkrijgen, maar hebben zij niet verzocht om een nadere behandeling ter zitting. Daarop heeft de president uitspraak gedaan, daarbij overwegende geen aanleiding te zien appellanten in de gelegenheid te stellen tot het uitbrengen van een eigen deskundigenrapport. De in artikel 8:47, vijfde lid, van de Awb opgenomen termijn van vier weken is dwingend (voorgeschreven. Een vermindering van deze termijn, zoals die in dit geval 1 heeft plaatsgevonden, tot één week, is in strijd met die bepaling. De omstandigheid dat om een nadere behandeling ter zitting had kunnen worden gevraagd, doet hieraan niet af.

2.3. Het bouwwerk waarvoor vergunning is verleend, heeft een zogenoemd mansardedak, een dak met een naar buiten gekeerde "knik", waarvan aan de zuidzijde het lage, steile gedeelte, begint op een hoogte van ongeveer 2,40 m en doorloopt tot een hoogte van 6,00 m, en het hoge, meer vlakke gedeelte, begint op een hoogte van 6,00 m en doorloopt tot een nokhoogte van 8,10 m. De onderkant van het dak sluit verticaal niet direct aan op de buitenwand, maar steekt daar enkele decimeters overheen; op genoemde hoogte van 2,40 m is een horizontale afsluiting gemaakt tussen de onderkant van het dak en de buitengevel. Aan de noordzijde begint het mansardedak boven het bestaande gedeelte van het bouwwerk, dat daar een plat dak heeft, op een hoogte van 3,50 m en is voor de rest als aan de zuidzijde.

2.4. Het plandeel waarin het bouwwerk wordt opgericht heeft volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Overwhere 1975" de bestemming "Bijzondere doeleinden". Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, gelezen in samenhang met de plankaart, mag de goothoogte niet meer bedragen dan 4,00 m.

Ingevolge artikel 2, derde lid, van de planvoorschriften wordt de goothoogte van gebouwen als volgt gemeten: van de horizontale snijlijn van eik dakvlak met eik daaronder gelegen buitenwerks gevelvlak tot aan het gemiddelde peil van het aansluitende afgewerkte bouwperceel.

2.5. Appellanten betogen dat de president, in navolging van genoemd deskundigenbericht, ten onrechte heeft geoordeeld dat de goothoogte moet worden bepaald door fictief het dak te "verschuiven" tot het punt waarop het de werkelijk aanwezige buitenmuur raakt; aangezien de desbetreffende muur gedeeltelijk in de binnenruimte doorloopt, is de StAB hiermee op een hoogte van ongeveer 3,00 m uitgekomen. De president heeft daarop geconcludeerd dat de goothoogte in ieder geval binnen de grenzen van het bestemmingsplan blijft. Appellanten menen dat de president op deze wijze niet heeft geoordeeld over de goothoogte van het aangevraagde bouwwerk.

Subsidiair betogen appellanten dat met het oordeel van de president in ieder geval is komen vast te staan dat de motivering van burgemeester en wethouders, uitmondend in een goothoogte van ongeveer 2,40 m, niet deugdelijk is. De president heeft in de onjuiste uitleg die burgemeester en wethouders hebben gegeven aan het planvoorschrift geen aanleiding tot vernietiging gezien, omdat beide redeneringen voor het onderhavige bouwwerk tot de conclusie leiden dat het in overeenstemming met de vereiste goothoogte is.

2.6. Een horizontale snijlijn zoals opgenomen in artikel 2 van de planvoorschriften ligt in de lengterichting van het dak. Aangezien in dil: geval het dak als het ware over de twee verdiepingen van het bouwwerk is geplaatst, is geen zodanige snijlijn van het dak te bepalen op een punt waar dit een buitenwerks gevelvlak raakt. Dit betekent echter niet dat in het geheel geen goothoogte kan worden bepaald, noch dat de goothoogte zich dan automatisch ter hoogte van de onderzijde van het werkelijke dak of van de bovenzijde van het werkelijke buitenwerks gevelvlak bevindt. Appellanten hebben namelijk terecht betoogd dat voor deze zaak twee relevante punten zijn af te leiden uit de jurisprudentie van de Afdeling. In de eerste plaats is bij een bepaling als deze de plaats waar de goot daadwerkelijk is gehangen, niet doorslaggevend en in de tweede plaats, met het eerste punt samenhangend, is ook de omstandigheid dat een dak is "doorgetrokken" niet doorslaggevend (uitspraak van 19 december 1996, inzake H01.95.0616, AB 1997, 68). De goothoogte zoals die met inachtneming van artikel 2 van de planvoorschriften moet worden bepaald, is voor dit bouwwerk, gelet op het bovenstaande, 6.00 m. Hier bevindt zich immers de horizontale snijlijn die zich recht boven het buitenwerks gevelvlak aan de zuidgevel bevindt; aan de noordgevel is geen zodanige snijlijn te bepalen. Terecht hebben appellanten er op gewezen dat de president, in navolging van de StAB, wat de goothoogte betreft in feite niet heeft geoordeeld over het aangevraagde bouwwerk, maar over een bouwwerk met een meer naar binnen verschoven

dak. Het voorgaande betekent dat, anders dan de president heeft geoordeeld, de goothoogte van dit bouwwerk de toegestane goothoogte van 4,00 m overschrijdt. De bouwvergunning is derhalve in strijd met het bestemmingsplan.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak dient te worden vernietigd.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep gegrond verklaren en het besluit van burgemeester en wethouders van 30 oktober 1998 vernietigen. Het primaire besluit van 12 mei 1998 moet worden herroepen en de gevraagde bouwvergunning moet alsnog worden geweigerd.

2.8. Burgemeester en wethouders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 12 mei 1999, registratienummers AWB 99193 en AWB 9911435, voor zover daarbij het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Purmerend van 30 oktober 1998;

V. herroept het besluit van burgemeester en wethouders van Purmerend van 12 mei 1998, kenmerk BV98-038, en weigert alsnog de gevraagde bouwvergunning;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt burgemeester en wethouders van Purmerend in de door appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep bij de rechtbank gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 2.840,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Purmerend te worden betaald aan appellanten;

VIII. gelast dat de gemeente Purmerend aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep bij de rechtbank betaalde griffierecht (f 450,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.M.G. Eekhof-de Vries, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. drs. D.A. Verburg, ambtenaar van Staat.

w.g. Eekhof-De Vries w.g. Verburg

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2000

236.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,