Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA6111

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199900542/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitzonderingsbepaling art. 7.2 Bdr dient terughoudend te worden toegepast.

Afwijzing toevoeging. Art. 7.2 van het Bdr bepaalt dat het vastgestelde maandinkomen kan worden verminderd voor bijzondere uitgaven die noodzakelijk ten laste van de rechtzoekende komen en die hij gedwongen is te doen ten gevolge van persoonlijke omstandigheden hemzelf of de leden van zijn huishouding betreffende, indien door deze uitgaven zijn draagkracht in het inkomen duurzaam aanmerkelijk wordt verminderd. Uit de NvT blijkt dat dit artikelonderdeel een uitzonderingsbepaling inhoudt, waarvan bedoeld is dat zij niet dan met terughoudendheid wordt toegepast. Uit de toelichting blijkt voorts dat uitgaven voor duurzame huishoudelijke gebruiksgoederen, voorzienbare verhuiskosten en kosten van woninginrichting of eigen vervoermiddelen niet tot de buitengewone lasten worden gerekend en dat aflossingsverplichtingen i.v.m. die kosten slechts bij hoge uitzondering en in zeer klemmende gevallen tot toepassing van de bepaling aanleiding kunnen geven.

Maandelijks aflossing op gemeenschappelijke schulden die de verzoeker na echtscheiding uit de huwelijksgemeenschap heeft overgenomen geen bijzonder noodzakelijke kosten ex art. 7.2 Bdr.

Gegrond hoger beroep.

De raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch, appellant.

Mr. R.W.L. Loeb

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad van State

199900542/1

Datum uitspraak: 12 mei 2000

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch, appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 19 april 1999 in het geding tussen:

A, wonend te B

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 1997 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch een verzoek van A (hierna: A) om een toevoeging, als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb), afgewezen.

Bij besluit van 19 juni 1998 heeft appellant het hiertegen door A ingestelde beroep ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van Commissie voor bezwaar en beroep van de raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 19 april 1999, verzonden op 29 april 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit door A ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen bij die uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juni 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2000, waar appellant, vertegenwoordigd door mr A.E.M. van den Hoff, werkzaam bij appellant, is verschenen. A is niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Wrb, voor zover thans van belang, wordt rechtsbijstand slechts verleend aan een alleenstaande, wiens inkomen f 2245,-- of minder per maand bedraagt. Artikel 7, tweede lid van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand (hierna: Bdr) bepaalt dat het vastgestelde maandinkomen kan worden verminderd voor bijzondere uitgaven die noodzakelijk ten laste van de rechtzoekende komen en die hij gedwongen is te doen ten gevolge van persoonlijke omstandigheden hemzelf of de leden van zijn huishouding betreffende, indien door deze uitgaven zijn draagkracht in het inkomen duurzaam aanmerkelijk wordt verminderd.

2.2. In het door de rechtbank vernietigde besluit heeft appellant de maandelijkse schuldaflossing door A niet als bijzondere noodzakelijke kosten in de zin van artikel 7, tweede lid, van het Bdr aangemerkt en deze niet op zijn in aanmerking te nemen maandinkomen in mindering gebracht. De rechtbank heeft overwogen dat appellant aldus onvoldoende heeft onderzocht of zodanig klemmende bijzondere omstandigheden aanwezig waren, dat met de schuldaflossing rekening had moeten worden gehouden. Volgens haar heeft appellant ten onrechte volstaan met de overweging dat schuldaflossingen doorgaans gebruikelijk uit het inkomen worden voldaan en daarvan het noodzakelijke gevolg is dat de schuldaflossingen geheel buiten beschouwing moeten worden gelaten.

2.3. Appellant bestrijdt dit oordeel van de rechtbank terecht. Uit de in de aangevallen uitspraak geciteerde nota van toelichting blijkt dat artikel 7, tweede lid, van het Bdr een uitzonderingsbepaling inhoudt, waarvan bedoeld is dat zij niet dan met terughoudendheid wordt toegepast. Uit de toelichting blijkt voorts dat uitgaven voor duurzame huishoudelijke gebruiksgoederen, voorzienbare verhuiskosten en kosten van woninginrichting of eigen vervoermiddelen niet tot de buitengewone lasten worden gerekend en dat aflossingsverplichtingen in verband met die kosten slechts bij hoge uitzondering en in zeer klemmende gevallen tot toepassing van de bepaling aanleiding kunnen geven. Het lag dan ook op de weg van A om het bijzondere karakter van de desbetreffende uitgaven tegenover appellant te stellen en aannemelijk te maken. De enkele stelling dat hij maandelijks ongeveer f 900,-- aflost op de gemeenschappelijke schulden die hij na echtscheiding uit de huwelijksgemeenschap heeft overgenomen, was daarvoor onvoldoende.

2.4. Reeds om die reden is het hoger beroep gegrond en moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep, nu daarvoor ook overigens geen belemmeringen bestaan, alsnog ongegrond verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I verklaart het hoger beroep van de raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch gegrond; vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 19 april 1999, AWB 9815469 WRB;

II verklaart het door A bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr R.W.L. Loeb, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Wolff

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2000

45-238.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,