Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA5811

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H01.99.0640
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad van State

H01.99.0640.

Datum uitspraak: 9 mei 2000

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Stichting tot Behoud van het Leukdervoetpad en van de daarin gelegen onbewaakte overweg in Geulle,

gevestigd te Geulle, gemeente Meerssen, appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 22 maart 1999 in het geding tussen:

appellante

en

de raad van de gemeente Meerssen.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 1997 heeft de raad van de gemeente Meerssen (hierna: de raad) de spoorwegovergang bij het Leukdervoetpad in Geulle op voorstel van burgemeester en wethouders van die gemeente, aan het openbaar verkeer onttrokken.

Bij besluit van 26 maart 1998 heeft de raad het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie van advies als bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Verordening behandeling bezwaar- en beroepschriften der gemeente Meerssen 1996 van 11 februari 1998, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 22 maart 1999, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het door appellante tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak, met kenmerk 98 1608 BESLU Z HEM, is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 29 april 1999, verzonden op dezelfde dag, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 augustus 1999 heeft de raad een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 januari 2000, waar appellante, vertegenwoordigd door mr C.G. Webers, gemachtigde, en P.M.A. Notten, haar voorzitter, en de raad, vertegenwoordigd door mevrouw H. Berkers, gemachtigde, werkzaam bij het Juridisch en Bestuurlijk Adviescentrum te Amsterdam, mevrouw G. Schuiling en G. Cuijpers, ambtenaren der gemeente, bijgestaan door M.T.M. Heinen en ing. P.L.M. van Betuw, werkzaam bij NS Railinfrabeheer B.V., zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wegenwet kan een weg, welke door het Rijk wordt onderhouden, aan het openbaar verkeer worden onttrokken bij een door Ons te nemen besluit.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Wegenwet kunnen een weg, welke door een provincie wordt onderhouden of door een waterschap, en een weg, niet vallende onder de hiervoor genoemde, waarop een waterschap krachtens zijn inrichting of zijn reglement heeft toe te zien, aan het openbaar verkeer worden onttrokken bij een besluit van de Provinciale Staten.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet kan een weg, niet behorende tot de in artikel 8 bedoelde, aan het openbaar verkeer worden onttrokken bij een besluit van de raad der gemeente, waarin de weg is gelegen.

2.2. De raad heeft zijn in het geding zijnde besluit genomen overeenkomstig het beleid van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, en overigens ook dat van de Nederlandse Spoorwegen, om het aantal spoorwegovergangen in het belang van de veiligheid van het (spoor)wegverkeer zoveel mogelijk te beperken. Het besluit steunt op de overweging, samengevat weergegeven, dat iedere gelijkvloerse en onbewaakte overgang een ongevalsrisico betekent en dat bij de spoorwegovergang bij het Leukdervoetpad voorts sprake is van bijkomende risicofactoren zoals de frequentie en de variërende rijsnelheden van de treinen, de ligging van de overweg op een helling en in de nabijheid van een bocht en de omstandigheid dat de overweg onverlicht is.

2.3. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de onttrekking aan de openbaarheid van de spoorwegovergang bij het Leukdervoetpad het belang van de verkeersveiligheid wordt gediend. De door appellante naar voren gebrachte omstandigheid dat de vereiste veiligheid ook met minder ingrijpende maatregelen - bij voorbeeld maatregelen op grond van de Wegenverkeerswet - kan worden bereikt, neemt niet weg, wat hiervan ook zij, dat de raad in dit geval in de aan de overweg verbonden risicofactoren aanleiding heeft mogen zien tot de onttrekking over te gaan. Evenals de rechtbank ziet de Afdeling, mede gelet op de ruime beoordelingsmarge die de raad in deze toekomt, geen grond voor het oordeel dat de raad bij het besluit om tot de onttrekking over te gaan, niet tevens belang heeft mogen hechten aan financiële aspecten, zoals het verkrijgen van een vergoeding van de kant van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat van f 500.000,00. Voor de juistheid van de door appellante naar voren gebrachte stelling dat het besluit tot onttrekking uitsluitend is genomen in verband met financiële belangen, ziet de Afdeling geen grond. Ditzelfde geldt voor de door appellante gestelde strijd met de Wegenwet.

Niet kan worden geoordeeld dat de raad niet in redelijkheid meer gewicht heeft mogen toekennen aan de hiervoor genoemde veiligheidsbelangen die worden gediend met de onttrekking aan de openbaarheid dan aan de door appellante genoemde nadelen voor met name voetgangers/wandelaars die vanwege het wegvallen van de verbinding tussen de kern Geulle en het Bunderbos, een langere afstand zullen moeten afleggen van en naar het Geuller-Bunderbos. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.4. Ook overigens kan in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de rechtbank het beroep ten onrechte of op onjuiste gronden ongegrond heeft verklaard.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr A. Kosto en mr F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr drs M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Broodman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2000

204. Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,