Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA5428

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-03-2000
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
H01.99.0058
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Burgemeester en wethouders van Kerkrade hebben met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening aan Sportvereniging Roda JC vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een voetbalstadion met annexen en cascoruimten respectievelijk voor de bouw van een hal met buitenverkoop ten behoeve van perifere detailhandel.

Anders dan voorheen oordeelt de Afdeling dat de enkele omstandigheid dat het bestemmingsplan waarop is geanticipeerd, van kracht is geworden, niet ertoe leidt dat geen enkel belang meer bestaat bij een uitspraak over de rechtmatigheid van de

anticipatiebeslissing.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:70
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2000-7126, 9 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Module Ruimtelijke ordening 2000/3336
JB 2000/135 met annotatie van R.J.G.H. S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

H01.99.0058

Datum uitspraak: 20 maart 2000

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. Budé Holding B.V. te Maastricht,

2. Hornbach Holding B.V. te Driebergen en Hornbach Baumarkt AG te Bornheim bei Landau (Bondsrepubliek Duitsland), appellanten,

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 1 december 1998 in het geding tussen:

appellante sub 1 e.a.

en

burgemeester en wethouders van Kerkrade.

1 Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 1997 respectievelijk 17 juni 1997 hebben burgemeester en wethouders van Kerkrade (hierna: burgemeester en wethouders) met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening aan Sportvereniging Roda JC vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een voetbalstadion met annexen en cascoruimten (hierna: het voetbalstadion c.a.) respectievelijk voor de bouw van een hal met buitenverkoop ten behoeve van perifere detailhandel (hierna: de hal), op het noordelijk gedeelte van het industrieterrein Beitel-Locht, gemeente Kerkrade.

Bij besluit van 19 januari 1998 hebben burgemeester en wethouders het hiertegen onder meer door appellante sub 1 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Centrale Bezwaarschriftencommissie van 22 december 1997, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 1 december 1998, verzonden op dezelfde dag, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht (hierna: de president) - voorzover hier van belang - de onder meer door appellante sub 1 tegen het besluit van 19 januari 1997 ingestelde beroepen ongegrond verklaard, voorzover deze betrekking hebben op de bouw van het voetbalstadion c.a.. Voorzover de beroepen betrekking hebben op de bouw van de hal heeft de president deze gegrond verklaard, het besluit in zoverre vernietigd en burgemeester en wethouders opgedragen een nieuw besluit te nemen op de tegen het besluit van 17 juni 1997 ingediende bezwaarschriften. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante sub 1 bij brief van 8 januari 1999, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 1999, en hebben appellanten sub 2 - zijnde de exploitanten van de in de hal te vestigen bouwmarkt-, voorzover de uitspraak strekt tot vernietiging van de beslissing op bezwaar ten aanzien van de hal, bij brief van 11 januari 1999, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Appellante sub 1 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 10 maart 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 september 1999 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 1999, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr J.A. Visser, advocaat te Dordrecht, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr G.H.J. Heutink, advocaat te Amsterdam, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 14 januari 1999 hebben burgemeester en wethouders ter uitvoering van de uitspraak van de president van 1 december 1998 een nieuwe beslissing genomen op de - onder meer - door appellante sub 1 tegen het besluit met betrekking tot de hal gemaakte bezwaren. Bij uitspraak van 18 februari 1999 heeft de president onder meer het door appellante sub 1 tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het door burgemeester en wethouders van Heerlen ingestelde beroep is gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar is vernietigd en bepaald is, dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Op de tegen deze uitspraak door appellanten ingestelde hoger beroepen heeft de Afdeling bij uitspraak van heden, inzake H01.99.0351, beslist. Gelet op het vorenstaande, bestaat geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van de hoger beroepen, voorzover deze betrekking hebben op de hal. Deze dienen in zoverre dan ook niet-ontvankeiijk te worden verklaard. Gelet hierop is thans enkel aan de orde het door appellante sub 1 ingestelde hoger beroep, voorzover dit betrekking heeft op de bouw van het voetbalstadion c.a..

2.2. Niet in geschil is, dat het bouwplan met betrekking tot het voetbalstadion c.a. in strijd is met het ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar ter plaatse geldende bestemmingsplan "Beitel-Locht". Burgemeester en wethouders hebben op basis van de ten tijde van het nemen van de primaire besluiten en de beslissing op bezwaar ter plaatse geldende voorbereidingsbesluiten geanticipeerd op het voorontwerp van bestemmingsplan "Locht l". Inmiddels is dit bestemmingsplan bij besluit van de raad van de gemeente Kerkrade van 15 juli 1998 vastgesteld en bij besluit van 9 februari 1999 door gedeputeerde staten van Limburg goedgekeurd. Het bouwplan is niet met dit bestemmingsplan in strijd. Tegen laatstvermeld besluit is beroep bij de Afdeling ingesteld op grond van artikel 28, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Een onder meer door appellante sub 1 ingediend verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van het besluit van gedeputeerde staten is door de Voorzitter van de Afdeling bij uitspraak van 18 juni 1999, inzake F01.99.0125 en K01.99.0060, afgewezen. Gelet hierop is het nieuwe bestemmingsplan - hoewel nog niet in rechte onaantastbaar - inmiddels in werking getreden.

2.2.1. Gelet op hetgeen is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 21 december 1999 inzake nr H01.99.0245 (aangehecht), staat in een situatie als de onderhavige met het voorlopig inwerkingtreden van het nieuwe bestemmingsplan nog niet vast, dat een alsnog ingediende (nieuwe) aanvraag om bouwvergunning zou moeten worden ingewilligd. Daarom is de Afdeling - anders dan voorheen - thans van oordeel dat de enkele omstandigheid dat het bestemmingsplan waarop burgemeester en wethouders hebben geanticipeerd, van kracht is geworden, er niet toe leidt dat geen enkel belang meer bestaat bij een uitspraak over de rechtmatigheid van de beslissing om op het nieuwe bestemmingsplan vooruit te lopen. In beginsel bestaat er nog belang bij de beantwoording van de vraag of burgemeester en wethouders ervan uit mochten gaan dat het plan op het van belang zijnde onderdeel uiteindelijk onherroepelijk zal worden.

2.3. Ter zitting heeft appellante sub 1 haar bezwaren tegen het oordeel van de president dat burgemeester en wethouders niet ten onrechte het maken van een milieu-effectrapportage als bedoeld in de Wet milieubeheer achterwege hebben gelaten, ingetrokken. De Afdeling is niet gebleken, dat de aanleg van het onderhavige voetbalstadion als activiteit, genoemd onder onderdeel C 10. 1 van de Bijlage behorend bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994, zou moeten worden aangemerkt.

2.4. Hetgeen overigens naar voren is gebracht, biedt geen aanknopingspunt voor het oordeel, dat burgemeester en wethouders er niet van mochten uitgaan dat het bestemmingsplan waarop zij hebben geanticipeerd, voorzover daarin is voorzien in een bestemming waarin de bouw van het voetbalstadion c.a. past, uiteindelijk onherroepelijk zal worden. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat burgemeester en wethouders bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot handhaving van de verleende vrijstelling met betrekking tot het voetbalstadion c.a. hebben kunnen besluiten. De rechtbank is op andere gronden tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.5. Het hoger beroep van appellante sub 1 is - voorzover ontvankelijk -ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre dan ook - met verbetering van gronden - te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen niet-ontvankelijk, voorzover deze betrekking hebben op de bouw van de hal met buitenverkoop ten behoeve van perifere detailhandel;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr P. van Dijk, Voorzitter, en mr J.M. Boll en mr B. van Wagtendonk, Leden, in tegenwoordigheid van mr M. Groverman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Groverman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2000

110-284.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,