Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA5174

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H01.99.0647
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad vanState

H01.99.0647.

Datum uitspraak: 17 februari 2000.

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

burgemeester en wethouders van Enschede, appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Almelo van 26 maart 1999 in het geding tussen:

[aanvrager] te [woonplaats]

en

appellanten.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 1998 hebben appellanten geweigerd [aanvrager] (hierna: [aanvrager]) kopieën te verstrekken van de ledenlijsten over 1995 tot en met 1997 van de Turkse Kulturele Vereniging Enschede (hierna: de TKVE).

Bij besluit van 16 juni 1998 hebben appellanten het hiertegen door [aanvrager] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie voor Bezwaar en Beroep van 29 mei 1998, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 26 maart 1999, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Almelo (hierna: de rechtbank), voor zover hier van belang, het hiertegen gerichte beroep van [aanvrager] gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat appellanten een nieuw besluit nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 4 mei 1999, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 juni 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij besluit van 19 juli 1999 hebben appellanten het bezwaar van [aanvrager] tegen het besluit van 13 januari 1998 wederom ongegrond verklaard.

Bij brief van 2 augustus 1999 heeft [aanvrager] een memorie ingediend.

Bij brief van 19 augustus 1999 heeft de TKVE desgevraagd te kennen gegeven als belanghebbende partij aan het geding te willen deelnemen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 december 1999, waar appellanten, vertegenwoordigd door drs J.H. Kersemaekers, ambtenaar van de gemeente Enschede, bijgestaan door mr W. Wichern, advocaat te Enschede, en [aanvrager], vertegenwoordigd door mr H. van Drunen, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ten aanzien van het verzoek van [aanvrager] aan het besluit van 19 juli 1999 voorbij te gaan, overweegt de Afdeling dat dit besluit in deze procedure niet aan de orde kan zijn, reeds omdat [aanvrager] daartegen geen (hoger) beroep heeft ingesteld.

2.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarmaking van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wob wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

2.3. Appellanten zijn in het kader van een verzoek om subsidie op grond van de Subsidieverordening Migranten 1996 van de gemeente Enschede in het bezit van de ledenlijsten van de TKVE. Aan de weigering deze in kopie aan [aanvrager] te verstrekken, hebben zij ten grondslag gelegd dat het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de leden van de TKVE prevaleert boven het belang van [aanvrager] bij het openbaar worden van die lijsten.

Appellanten hebben ter zitting hun stelling, dat artikel 11 van de Wet persoonsregistratie aan het verstrekken van de ledenlijsten in de weg staat, prijsgegeven. Derhalve laat de Afdeling de juistheid van het oordeel van de rechtbank, dat de ledenlijsten niet als een persoonsregistratie in de zin van artikel 1, eerste lid, van die wet zijn aan te merken, in het midden.

2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 18 februari 1999, inzake no. H01.98.0605, JB 1999168, is het specifieke belang van een verzoeker bij verstrekking van de verzochte informatie geen belang dat wordt betrokken bij de in het kader van de Wob toe te passen belangenafweging. De Wob veronderstelt het publieke belang van openbaarheid van overheidsinformatie. Dat belang is er derhalve ingevolge de wet en behoeft in concrete gevallen niet nader te worden geadstrueerd.

2.5. Gelet hierop hadden appellanten bij de beoordeling van het verzoek van [aanvrager] moeten bezien in hoeverre de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de leden van de TKVE zich verzet tegen het openbaar worden van de verzochte informatie. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting hebben appellanten bij het nemen van de beslissing op bezwaar echter niet het belang van de openbaarheid van overheidsinformatie als uitgangspunt genomen, maar hebben zij het belang van [aanvrager] bij het verkrijgen van de verzochte informatie afgewogen tegen het belang van de TKVE bij de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van hun leden. De beslissing op bezwaar ontbeert derhalve een deugdelijke motivering, zodat dat besluit wegens schending van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking komt.

2.6. Uit de stukken, onder meer uit de brieven van de TKVE van 8 oktober 1998 en 29 april 1999, blijkt dat de leden van de TKVE, vanwege beweerde banden met de organisatie de "Grijze Wolven", voor hun veiligheid vrezen, indien de lijsten met de adressen van de leden openbaar worden. Dit aspect zullen appellanten bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar in de belangenafweging moeten betrekken. In dat licht bezien is de conclusie van de rechtbank dat appellanten bij afweging van alle betrokken belangen niet hebben kunnen besluiten aan [aanvrager] geen kopieën van de ledenlijsten ter beschikking te stellen, voorbarig te noemen.

2.7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak komt met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking.

2.8. Appellanten dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestig de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt burgemeester en wethouders van Enschede in de door [aanvrager] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 1.420,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Enschede te worden betaald aan [aanvrager].

Aldus vastgesteld door dr J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr A. Kosto en mr E. Korthals Altes, Leden, in tegenwoordigheid van mr A.L. Frenkel, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Frenkel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari. 2000

128-206.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,