Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA5122

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H01.99.0457
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2000, 186
BR 2000, p. 847
Gst. 2000-7119, 7
Module Ruimtelijke ordening 2000/638
Module Bouwregelgeving 2000/45
Module Ruimtelijke ordening 2000/1364

Uitspraak

Raad van State

H01.99.0457.

Datum uitspraak: 18 FE9.

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A te B, appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 25 februari 1999 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Nieuwerkerk aan den IJssel.

1. Procesverloop

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 1 september 1997, hebben burgemeester en wethouders van Nieuwerkerk aan den IJssel (hierna: burgemeester en wethouders) meegedeeld dat zij niet instemmen met de melding van de berging op het perceel […]zoom 48 te B, omdat het bouwwerk niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 11 november 1997, hebben burgemeester en wethouders het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 25 februari 1999, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 29 maart 1999, bij de Raad van State ingekomen op 30 maart 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 6 juli 1999 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft appellant van repliek gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 1999, waar appellant in persoon is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant heeft betoogd dat in weerwil van het bestemmingsplan het plaatsen van een berging op de door hem gekozen plek door het volgen van de welstandsadviezen feitelijk onmogelijk wordt gemaakt. De rechtbank heeft dit volgens hem miskend.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende "Uitwerkingsplan V Plangebied Parkzoom" behorend bij het bestemmingsplan "Y-zoom" zijn de gronden waarop de berging is voorzien, bestemd voor 'Moondoeleinden categorie C (Wc)".

Ingevolge artikel 12.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, zijn deze gronden bestemd voor het wonen, waaronder begrepen de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen, parkeren, groenvoorzieningen en toegangspaden.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel mogen op deze gronden ten behoeve van de bestemming uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, van dit artikel, voor zover hier van belang, gelden voor het bouwen de aanduidingen op de kaart en de volgende bepalingen: - bijgebouwen en uitbouwen mogen uitsluitend worden gebouwd achter de denkbeeldige lijn die ontstaat door het verlengen van de lijn waarop de voorgevel van de woning(en) is gebouwd dan wel vóór die lijn voor zover zij van het ontwerp van de woningen deel uitmaken; - het gezamenlijke grondoppervlak van uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag per perceel ten hoogste 30% van de oppervlakte van het deel van het perceel dat binnen het bestemmingsvlak ligt, minus de oppervlakte van de woning bedragen, met een maximum van 50 m2.

2.3. Op de voet van artikel 12, eerste lid, van de Woningwet - in welk artikellid, voor zover hier van belang, is bepaald dat het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd mogen zijn met redelijke eisen van welstand - zijn welstandscriteria neergelegd in artikel 9.1 van de Bouwverordening 1992.

De welstandstoets dient zich daarbij in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Het bestemmingsplan is hèt wettelijk instrument waarmee, langs de in de Wet op de Ruimtelijke Ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg, aan gronden een bestemming wordt gegeven en voorts de daarbij behorende bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Uit het algemene karakter van het welstandsvereiste vloeit voort dat bij de welstandstoets de voor de grond geldende bebouwingsmogelijkheden als uitgangspunt dienen te worden gehanteerd.

Naarmate het bestemmingsplan meer keuze laat tussen verschillende mogelijkheden om de bouw te realiseren, zijn burgemeester en wethouders - met inachtneming van de uitgangspunten van het bestemmingsplan - vrijer in hun welstandsbeoordeiing en zal deze minder snel geacht worden te leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Indien echter uit de voorschriften en de systematiek van het bestemmingsplan volgt dat zulk een keuze niet of slechts in beperkte mate aanwezig is - met name indien de bebouwingsmogelijkheden daarin gedetailleerd zijn aangegeven - vormt die opzet bij de welstandstoets een dwingend gegeven. In dat geval wordt de grens van de welstandstoets eerder overschreden.

2.3.1. In de welstandsadviezen die burgemeester en wethouders aan hun beoordeling ten grondslag hebben gelegd, is vermeld dat de houten berging als zodanig niet passend is bij de woning. Alleen een geheel of gedeeltelijk gemetselde berging, die wat ontwerp betreft bij de woning past, is acceptabel. Verder is vermeld dat de berging visueel meer los van de woning - in de achtertuin - moet komen.

2.3.2. De houten berging is geprojecteerd onder de overstek aan de zijgevel van de woning. Daargelaten wat er zij van de materiaalkeuze, kan uit voormelde planvoorschriften en de systematiek van het bestemmingsplan niet worden afgeleid dat de planwetgever heeft beoogd een precieze plaatsaanduiding te geven voor bijgebouwen bij woningen. Er bestaan derhalve verschillende mogelijkheden om een bijgebouw te realiseren. Of het bijgebouw een vrijstaand of een aangebouwd gebouw betreft, is in het bestemmingsplan evenmin nader geregeld. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de in het bestemmingsplan opengelaten mogelijkheid van plaatsing van een bijgebouw aan de zijgevel van de woning op de door appellant voorgestane wijze moet worden gerespecteerd en bij de welstandstoets als een dwingend gegeven dient te gelden.

2.3.3. Een verwezenlijking van de door het bestemmingsplan toegestane bouwmogelijkheden wordt door het volgen van de welstandsadviezen op zichzelf niet belemmerd. De door appellant geschetste moeilijkheden de bouw elders op het perceel te realiseren zijn veeleer terug te voeren op de omstandigheid dat hij in de achtertuin, zonder de instemming van burgemeester en wethouders met de melding af te wachten, een prieel heeft opgericht. Hieruit volgt dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat burgemeester en wethouders de grenzen van de welstandstoets niet hebben overschreden door de adviezen van de welstandscommissie te volgen en dat zij terecht hierin aanleiding hebben gezien om niet in te stemmen met de melding.

2.4. Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat zijn woning niet beschikt over een berging, treft evenmin doel. Deze omstandigheid speelt immers geen rol bij de beoordeling of een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12 van de Woningwet.

2.5. Voor het overige heeft appellant in hoger beroep geen gronden aangevoerd die niet reeds bij de rechtbank aan de orde zijn gekomen. De rechtbank heeft deze terecht verworpen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestig de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr W.M.G. Eekhof-de Vries, Voorzitter, en mr C. de Gooijer en mr C.A. Terwee-van Hilten Leden, in tegenwoordigheid van mr M.J.M. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Eekhof-de Vries w.g. Langeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 FEB. 2000

32-251.

Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,