Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA5108

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2000
Datum publicatie
09-11-2004
Zaaknummer
E01.01.9155/P50
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Algemene wet bestuursrecht 8:83
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2000/92

Uitspraak

Raad van State

E01.99.0155/P50.

Datum uitspraak: 14 FEB. 2000

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:

de heer en mevrouw A, beiden te B, verzoekers, vertegenwoordigd door mr J.J.A. Ceelen, advocaat te Deventer

en

gedeputeerde staten van Gelderland, verweerders.

1 . Procesverloop 1

Bij besluit van 16 juni 1998 heeft de gemeenteraad van Aalten het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 1997-1 (windmolen […]dijk)" vastgesteld.

Bij besluit van 5 januari 1999, no. RE98.65593, hebben verweerders beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 22 maart 1999, ingekomen bij de Raad van State op 1 april 1999, beroep ingesteld. Daarnaast hebben zij zich bij brief van 12 januari 2000, ingekomen bij de Raad van State bij telefaxbericht van dezelfde datum, tot de Voorzitter gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. Overwegingen'

2.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht is het mogelijk om, indien tegen een besluit beroep is ingesteld dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening te treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat het geding in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de Voorzitter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure. Ingevolge artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de

1 Voorzitter, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, uitspraak doen zonder oproeping en verhoor van partijen.

2.2. Voor zover het verzoek om voorlopige voorziening is ingediend door verzoekster A overweegt de Voorzitter als volgt.

2.2.1. Ingevolge artikel 28, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan tegen een besluit van gedeputeerde staten inzake de goedkeuring van een bestemmingsplan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Voor zover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot goedkeuring kan het beroep worden ingesteld door degene die zich tijdig op grond van artikel 27, eerste of tweede lid, tot gedeputeerde staten heeft gewend, alsmede door een belanghebbende die aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest zich overeenkomstig artikel 27, eerste of tweede lid, tot gedeputeerde staten te wenden. Voor zover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring kan het beroep worden ingesteld door een ieder. Artikel 27, eerste lid, bepaalt dat degene die tijdig zijn zienswijze bij de gemeenteraad kenbaar heeft gemaakt, alsmede een belanghebbende die aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest overeenkomstig artikel 23 zijn zienswijze bij de gemeenteraad kenbaar te maken, gedurende de in artikel 26 genoemde termijn van terinzageligging bij gedeputeerde staten schriftelijk bedenkingen kan inbrengen tegen het bestemmingsplan. Het tweede lid bepaalt dat, voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, een ieder gedurende de in artikel 26 bedoelde termijn daartegen schriftelijk bedenkingen bij gedeputeerde staten kan inbrengen.

2.2.2. Uit de stukken blijkt dat verzoekster A noch bij de raad haar zienswijze kenbaar heeft gemaakt noch bij verweerders bedenkingen heeft ingebracht. Niet is gebleken dat verzoekster A daartoe redelijkerwijs niet in staat is geweest. Voorts hebben verweerders het plan geheel goedgekeurd. Verzoekster A kan derhalve aan artikel 28, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geen recht tot het instellen van beroep ontlenen. De Voorzitter verwacht dan ook dat de Afdeling bij de behandeling van de hoofdzaak tot het oordeel zal komen dat het beroep van verzoekster A niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Om die reden dient het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover dit is ingediend door verzoekster A, als kennelijk ongegrond, te worden afgewezen.

2.3. Voor zover het verzoek om voorlopige voorziening is ingediend door verzoeker A overweegt de Voorzitter als volgt.

2.3.1. Bij uitspraak van 16 juli 1999, no. F01.99.0103, heeft de Voorzitter, op verzoek van de heer en mevrouw X te B, het besluit van verweerders van 5 januari 1999 bij wijze van voorlopige voorziening geschorst. De Voorzitter stelt vast dat de heer en mevrouw X bij brief van 21 oktober 1999 hun beroep hebben ingetrokken. Ingevolge artikel 8:85, tweede lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, vervalt een voorlopige voorziening in ieder geval zodra het beroep is ingetrokken. Naar het oordeel van de Voorzitter dient deze bepaling in die zin te worden uitgelegd dat een voorlopige voorziening niet reeds vervalt indien het beroep van de desbetreffende verzoeker om voorlopige voorziening wordt ingetrokken doch het bestreden besluit door anderen in beroep bestreden blijft.

Gelet op het vorenstaande en gelet op de omstandigheid dat verzoeker A op nagenoeg gelijke gronden als de heer en mevrouw X beroep heeft ingesteld, is de door de Voorzitter op 16 juli 1999 getroffen voorlopige voorziening door de intrekking van het beroep van de heer en mevrouw X niet komen te vervallen. Het verzoek van verzoeker A komt derhalve niet voor inwilliging in aanmerking aangezien de schorsing van het besluit van verweerders van 5 januari 1999 nog voortduurt.

2.3.2. Het verzoek van verzoeker A om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht dient derhalve wegens het ontbreken van belang, als kennelijk ongegrond, te worden afgewezen.

2.4. Aangezien het onderhavige verzoek is ingediend naar aanleiding van een door de gemeente Aalten op basis van het betrokken, blijkens het voorgaande nog steeds niet in werking getreden plan afgegeven bouwvergunning, ziet de Voorzitter termen aanwezig de gemeente in de proceskosten te veroordelen.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak; 1

I. wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

II. veroordeelt de gemeente Aalten in de door verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte kosten tot een bedrag van f 710,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; dit bedrag dient door de gemeente Aalten aan verzoekers te worden vergoed;

III. gelast dat de gemeente Aalten aan verzoekers het door hen gestorte recht, zijnde f 225,00, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr J. de Vries, Voorzitter, in tegenwoordigheid van A.M.Th. Schuller, ambtenaar van Staat.

w.g. De Vries w.g. Schuller

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op . 14 FEB. 2000

E01.99.0155/P50.

Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,

VERZONDEN 14 FEB