Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA4968

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H01.99.0341
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad van State

H01.99.0341

Datum uitspraak: 4 FEB. 2000

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Stichting Leefbaarheid Prijsseweg, te Culemborg, appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 21 januari 1999 in het geding tussen: appellante, en een aantal anderen, eveneens te Culemborg en burgemeester en wethouders van Culemborg.

1 Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 1996, voor zover hier van belang, hebben burgemeester en wethouders van Culemborg (hierna: burgemeester en wethouders) besloten tot:

2a. het gesloten verklaren voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen van de Prijsseweg direct oostelijk van de aansluiting met de Graanmolenweg;

2b. het gesloten verklaren voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen van de Prijsseweg direct westelijk van de aansluiting van de Betsy Perkweg;

3. het gesloten verklaren voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen van de Prijsseweg op een punt gelegen tussen de aansluitingen met de Bikolaan en het Kaarpad.

Bij besluit van 29 januari 1997, voor zover hier van belang, hebben burgemeester en wethouders onder gedeeltelijke gegrondverklaring van hiertegen gemaakte bezwaren het besluit van 16 januari 1996 zoals genoemd onder 2a en 2b gehandhaafd onder verbetering van de motivering en opname van ontheffingsmogelijkheden van (lees: voor) bewoners met agrarische bedrijfsvoering aan beide zijden van het gesloten verklaarde deel van de Prijsseweg.

Bij besluit van 22 april 1997 hebben burgemeester en wethouders, voor zover hier van belang, onder gedeeltelijke gegrondverklaring van hiertegen gemaakte bezwaren, het besluit van 16 januari 1996 zoals genoemd onder 3 gehandhaafd onder verbetering van de motivering en opname van ontheffingsmogelijkheden van (lees: voor) brandweer, bewoners met agrarische bedrijfsvoering aan beide zijden van het gesloten verklaarde deel van de Prijsseweg zoals afgeleid uit de inventarisatie van de gemeente Culemborg van 29 en 30 januari 1996 en opname van een ontheffingsmogelijkheid van (lees: voor) de streekbusdienst van Hermes en het marktopbouwbedrijf.

Bij uitspraak van 7 oktober 1997 heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem, met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, twee tegen de besluiten van burgemeester en wethouders van 29 januari 1997 en 22 april 1997 bij de arrondissementsrechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) ingestelde beroepen gegrond verklaard en die besluiten vernietigd.

Bij besluit van 17 september 1998, voor zover hier van belang, hebben burgemeester en wethouders, opnieuw beslissend op de tegen hun besluit van 16 januari 1996 ingediende bezwaren, onder gedeeltelijke gegrondverklaring daarvan besloten tot het intrekken van de besluiten 2a en 3 en tot het wijzigen van besluit 2b op de bij dat besluit aangegeven wijze. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 januari 1999, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank de tegen dit besluit ingestelde beroepen, waaronder dat van appellante, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 2 maart 1999, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 augustus 1999 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

Voorts zijn bij brief van 1, 9, 10 respectievelijk 27 juni 1999 memoriƫn ingediend door A, de Vereniging Culemborg Mobiel, de bewonersgroep Grondzeilerweg, respectievelijk B en B-C, allen te Culemborg.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante en burgemeester en wethouders. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 1999, waar appellante, vertegenwoordigd door H.E.A. van den Akker, voorzitter, en J.W.C.M. Jansen, secretaris, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr M.M.J.J. Vroemen, advocaat te Rotterdam, drs M.J. van de Woestijne en R.G. Daale, beiden ambtenaar der gemeente, en drs G.F. Tamminga, medewerker bij de Grontmij te De Bilt, zijn verschenen. Voorts hebben ter zitting het woord gevoerd A, zowel voor zich als namens de Vereniging Culemborg Mobiel, H.J.C. Aernoudts, namens de bewonersgroep Grondzeilerweg, en B zowel voor zich als namens zijn echtgenote.

2. Overwegingen

2.1. Appellante heeft beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het besluit van burgemeester en wethouders van 17 september 1998 voor zover daarbij de besluiten 2a en 3 zijn ingetrokken. Het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank voor zover daarbij het beroep van appellante tegen dat besluit ongegrond is verklaard.

2.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de wet) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan; d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

Regels als hier bedoeld zijn neergelegd in het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: BABW).

2.3. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de wet geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

2.4. Ingevolge artikel 21 van het BABW vermeldt de motivering van een verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

2.5. Appellante heeft in december 1995 met burgemeester en wethouders een akkoord ondertekend omtrent verkeersmaatregelen aan de Prijsseweg c.a., hierna aangeduid als: de overeenkomst. Vervolgens hebben burgemeester en wethouders bij hun besluit van 16 januari 1996 verkeersmaatregelen getroffen welke zij, afgezien van nader aangeduide ontheffingsmogelijkheden, ook na bezwaar hebben gehandhaafd. Na vernietiging door de president van de rechtbank van die beslissingen op bezwaar hebben burgemeester en wethouders de maatregelen 2a en 3 ingetrokken en 2b, zij het na wijziging, gehandhaafd. Dit besluit komt er op neer dat de Prijsseweg direct westelijk van de Betsy Perkweg door plaatsing van bord C6 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) en ondersteund door een (flexibele) afsluiting plaatselijk gesloten wordt verklaard voor motorrijtuigen op meer dan twee wielen, met uitzondering van ontheffinghouders.

2.6. Appellante meent dat het intrekken van de oorspronkelijke besluiten van 16 januari 1996 tot afsluiting van de Prijsseweg op de plaatsen 2a en 3 in strijd is met het bestemmingsplan Goilberdingen, het verkeersplan van de gemeente Culemborg en de overeenkomst. Naar haar mening is er sinds januari 1996 geen sprake van gewijzigde omstandigheden die intrekking van de besluiten 2a en 3 rechtvaardigen, integendeel zijn er naar haar mening juist meer redenen om die afsluitingen te handhaven. Zij is tevens van mening dat de door burgemeester en wethouders aangevoerde argumenten voor het intrekken van de besluiten 2a en 3 niet aanwezig dan wel onjuist zijn.

2.7. Burgemeester en wethouders hebben bij hun besluit van 17 september 1998 geconstateerd dat de geslotenverklaring van de Prijsseweg op diverse punten de gemoederen in Culemborg bezig houdt en dat verschillende, vaak tegenstrijdige belangen om de voorrang strijden: zo staan tegenover elkaar de door appellante ook op de punten 2a en 3b gewenste geslotenverklaring voor gemotoriseerd verkeer en de wens van bijvoorbeeld de Vereniging tegen de afsluiting van de Prijsseweg, Stokvisweg en Goilberdingerdijk om de Prijsseweg volledig open te houden. Voorts zijn er de belangen van anderen, zoals de groep bewoners van de Grondzeilerweg, de landbouworganisatie, andere bewoners van de achterliggende buurten, het openbaar vervoer en de hulpverleningsdiensten. Na onder andere het houden van een themabijeenkomst over onder meer de Prijsseweg, inschakeling van Veilig Verkeer Nederland, het verrichten van metingen van verkeersintensiteiten op de Prijsseweg (in 1997 en 1998) en straten in de omgeving, snelheidsmetingen en verkeersveiligheidsanalyses door het bureau Grontmij, zijn burgemeester en wethouders, na afweging van de betrokken belangen, tot intrekking van de besluiten 2a en 3 gekomen.

2.8. Het kader waarbinnen een verkeersbesluit moet worden genomen en beoordeeld is gegeven in artikel 21 van het BABW in samenhang met artikel 2 van de wet. De bevoegdheid om verkeersbesluiten te nemen is er een met ruime beoordelingsmarges en het is aan het daartoe bevoegde bestuursorgaan om de belangen die bij het al dan niet nemen van een verkeersbesluit zijn betrokken tegen elkaar af te wegen. Dit is niet anders waar het gaat om de vraag of, bij heroverweging na bezwaar van zodanig besluit, dat besluit moet worden gehandhaafd of niet. De rechter dient te toetsen of sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de belangen, dat moet worden geoordeeld dat burgemeester en wethouders niet in redelijkheid tot intrekking van hun eerdere besluit hebben kunnen komen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat burgemeester en wethouders de voor- en nadelen die aan de verschillende keuzemogelijkheden voor verkeersmaatregelen ter plaatse zijn verbonden bij hun besluit van 17 september 1998 op onevenwichtige wijze tegen elkaar hebben afgewogen. Evenmin blijkt uit hetgeen appellante heeft aangevoerd van strijdigheid van dit besluit met het bestemmingsplan Goilberdingen, zodat van schending van het belang van naleving van dit plan geen sprake is. Dat burgemeester en wethouders na de vernietiging door de president van de rechtbank van hun besluiten van 29 januari en 22 april 1997, waarin uitvoering werd gegeven aan de overeenkomst, bij de hernieuwde beslissing op bezwaar niet zonder meer van de overeenkomst zijn uitgegaan, levert, gezien het kader waarbinnen verkeersbesluiten dienen te worden genomen, op zichzelf geen onevenwichtige afweging van belangen op. Tenslotte is er geen grond voor het oordeel dat burgemeester en wethouders hun besluit niet voldoende hebben gemotiveerd of dat niet voldoende zorgvuldig hebben voorbereid en genomen. De rechtbank heeft het tegen dit besluit door appellante ingediende beroep dan ook terecht ongegrond verklaard.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep is geen plaats.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestig de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door dr J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr J.H. Grosheide en mr B. van Wagtendonk, Leden, in tegenwoordigheid van mr E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Zegveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari. 2000

43-55.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,