Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA4834

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-01-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H01.99.0577
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de jeugdhulpverlening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2000/67 met annotatie van AWH
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

H01.99.0577.

Datum uitspraak: 20 JAN. 2000

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, zetelend te Gouda, appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 15 maart 1999 in het geding tussen:

A, wonend te B

en

appellant.

1 Procesverloop

Bij besluit van 4 september 1995 is aan A te B) een bijdrage van f 210,-- per maand opgelegd in verband met de plaatsing van een jeugdige in een residentiële voorziening.

Bij besluit van 17 december 1996 is het hiertegen door A ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 15 maart 1999, verzonden op dezelfde datum, heeft de arrondissementsrechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het door A tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 4 september 1995 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 april 1999, bij de Raad van State ingekomen op 20 april 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 1 september 1999 heeft A een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 1999, waar appellant, vertegenwoordigd door mr S.A.M. Oostvogels en L. Nobels, gemachtigden, is verschenen. A is daar niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 41 a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de jeugdhulpverlening (hierna: de Wet) zijn de onderhoudsplichtige ouders, degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegronde vordering is toegewezen daaronder begrepen, de onderhoudsplichtige stiefouder en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent van (lees: over) een jeugdige, aan het Rijk een bijdrage verschuldigd in de kosten van verzorging en verblijf in een op grond van deze wet voor bekostiging in aanmerking gebrachte voorziening niet zijnde een voorziening van ambulante hulpverlening.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de ouderbijdrage vastgesteld naar de leeftijd van de jeugdige en de aard van de verzorging en het verblijf, bedoeld in het eerste lid. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de hoogte van de bijdrage.

In artikel 41 c van de Wet zijn de gevallen vermeld waarin geen bijdrage is verschuldigd.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit bijdragen justitiële kinderbescherming en vrijwillige jeugdhulpverlening (hierna: het Besluit), voor zover hier van belang, bedraagt de hoogte van de ouderbijdrage in de kosten van verzorging en verblijf, als bedoeld in artikel 41 a van de Wet, indien het residentiële hulpverlening of pleegzorg betreft, voor een kind van 12 tot en met 20 jaar: f 210 per maand.

2.2. Niet in geschil is dat de aan A opgelegde ouderbijdrage is vastgesteld in overeenstemming met het bepaalde in de Wet en het Besluit. Desalniettemin heeft de rechtbank het door A ingestelde beroep gegrond verklaard.

2.3. De rechtbank is van oordeel dat het kunnen beschikken over financiële middelen ter hoogte van het sociale minimum een in de Nederlandse samenleving verankerd fundamenteel rechtsbeginsel is. Aangezien de schending van dit rechtsbeginsel volgens de rechtbank zijn (lees: haar) oorzaak vindt in de niet door de wetgever in de artikelen 41 tot en met 41 i van de Wet verdisconteerde omstandigheid dat een bepaalde groep ouders geen aanspraak kan maken op kinderbijslag, heeft verweerder, thans: appellant, naar het oordeel van de rechtbank de Wet in dit geval niet onverkort kunnen toepassen en had hij moeten afzien van het opleggen van een ouderbijdrage aan A. De rechtbank heeft daarom de beslissing op bezwaar van 17 december 1996 vernietigd en het primaire besluit van 4 september 1995 herroepen.

2.4. Ingevolge artikel 41 a, tweede lid, van de Wet wordt de ouderbijdrage vastgesteld naar de leeftijd van de jeugdige en de aard van de verzorging en het verblijf. Bij het vaststellen van de ouderbijdrage, waarvan de hoogte met inachtneming van beide genoemde maatstaven in het Besluit is bepaald op f 210,-- per maand, vormt de draagkracht van degene, die op grond van het eerste lid van dat artikel een ouderbijdrage verschuldigd is, geen maatstaf. Voorts is de Afdeling van oordeel dat het kunnen beschikken over financiële middelen ter hoogte van het sociale minimum geen algemeen rechtsbeginsel is. De vraag of in zeer uitzonderlijke gevallen een wet wegens strijd met een of meer algemene rechtsbeginselen buiten toepassing zou kunnen worden gelaten, is hier dan ook, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, niet aan de orde.

2.5. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen en het ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 15 maart 1999, AWB 971116 BELEI V06;

II. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr R.W.L. Loeb en mr B. van Wagtendonk, Leden, in tegenwoordigheid van mr M.G. Tuinhout, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Tuinhout

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 JAN. 2000

77-55. Verzonden:

Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,