Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2000:AA4810

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-01-2000
Datum publicatie
16-04-2003
Zaaknummer
199900545/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2000/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

199900545/1.

Datum uitspraak: 20 JAN 2000

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Buitenlandse Zaken, appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage van 23 april 1999 in het geding tussen:

A te B

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 1997 heeft de ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden te Lagos, Nigeria, legalisatie van de door C overgelegde Nigeriaanse geboorte-akte en verklaring van ongehuwd zijn geweigerd.

Bij besluit van 14 november 1997 heeft appellant het hiertegen door C gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 april 1999, verzonden op 29 april 1999, voorzover hier van belang, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door A tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 8 juni 1999, bij de Raad van State ingekomen op 10 juni 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 juni 1999. Laatstgenoemde brief is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 december 1999, waar appellant, vertegenwoordigd door mr A.H.M. Weeber, ambtenaar ten departemente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft de Minister toegegeven dat de door de rechtbank vernietigde beslissing op bezwaar niet deugdelijk was gemotiveerd en heeft hij zijn grieven tegen de uitspraak van de rechtbank wat betreft de overwegingen 4.2 en 4.3 laten vallen. Het hoger beroep is in zoverre ingetrokken. Thans is alleen nog aan de orde of de rechtbank het beroep van A terecht heeft ontvangen.

2.2. Uit de stukken is naar voren gekomen dat C kort voor het nemen van de beslissing op bezwaar is overleden, hetgeen ten tijde van het nemen van die beslissing bij de Minister niet bekend was. Legalisatie van de onderhavige documenten is niet meer relevant in verband met een op het moment van de indiening van de aanvraag om legalisatie beoogd (rechtmatig) verblijf in Nederland van C bij A. De Minister heeft zich op het standpunt gesteld dat A, die niet het legalisatieverzoek heeft ingediend, geen rechtstreeks en zelfstandig belang heeft bij de legalisatie, maar een afgeleid belang. Hij heeft daarbij tevens aangegeven dat het belangrijk is dat in een legalisatieprocedure direct overleg kan worden gevoerd met degene op wie de desbetreffende documenten betrekking hebben. Die persoon moet als belanghebbende worden gezien, aldus de Minister.

2.2.1. De Afdeling deelt dit standpunt niet. Uit de stukken blijkt dat C en A op 1 april 1997 in Nigeria in het huwelijk zijn getreden en dat voor erkenning van dat huwelijk in Nederland een gelegaliseerde huwelijksakte nodig is. Gelet op de aan erkenning van het huwelijk verbonden rechtsgevolgen, kan niet worden ontkend dat het belang van A rechtstreeks bij de beslissing op bezwaar van 14 november 1997 is betrokken, en dat zij belanghebbende is, als bedoeld in het eerste lid van artikel 1:2 van de Awb. Indien in dit geval de geboorteakte kan worden gelegaliseerd, kan immers ook de huwelijksakte worden gelegaliseerd en kan het huwelijk worden erkend. Slechts A kan daarvoor nog zorgen, aangezien C is overleden. Daaraan doet niet af dat de Minister heeft aangegeven dat er ook zonder geboorte-akte een mogelijkheid is om tot legalisatie van de huwelijksakte te komen.

2.2.2. De rechtbank heeft het beroep van A terecht en op goede gronden ontvankelijk geacht. Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank dient, voorzover aangevallen, te worden bevestigd.

2.3. Van voor vergoeding in aanmerking proceskosten van A in hoger beroep is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestig de uitspraak van de rechtbank, voorzover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr J.H. Grosheide en mr J.A.M. van Angeren, Leden, in tegenwoordigheid van mr R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Dallinga

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 JAN. 2090

77-18. Verzonden:

Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,