Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AE4686

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-1999
Datum publicatie
27-06-2002
Zaaknummer
H01.98.1578
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

H01.98.1578.

Datum uitspraak: 20 april 1999.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

burgemeester en wethouders van Leiderdorp

appellanten

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 10 juli 1998 in het geding tussen:

[bezwaarde] te [woonplaats]

en

appellanten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 december 1996 hebben appellanten krachtens artikel 5.3.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening Leiderdorp (hierna: APV) de Dwarswatering vanaf de rijksweg A4 tot aan de Zijl aangewezen als water waar het verboden is om ligplaats in te nemen met een woonboot/ark.

Tegen dit besluit heeft [bezwaarde] (hierna: [bezwaarde]) bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 11 juli 1997 hebben appellanten het bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie beroep- en bezwaarschriften van 20 juni 1997, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 10 juli 1998, verzonden op 16 juli 1998, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [bezwaarde] tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat appellanten een nieuw besluit zullen nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 26 augustus 1998, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 1998, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 november 1998 heeft [bezwaarde] een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 1999, waar [bezwaarde], in persoon en bijgestaan door mr A. V., is verschenen. Appellanten zijn niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 31, tweede lid, van de Wet op Woonwagens en Woonschepen (hierna: de WWW) blijven de gemeenteraden bevoegd bepalingen vast te stellen betreffende de plaats, door woonwagens en woonschepen bij verblijf binnen de gemeente in te nemen.

2.2. Ingevolge artikel 5.3.2, eerste lid, van de APV is het verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door burgemeester en wethouders aangewezen gedeelten van het openbaar water.

2.3. Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij onvoldoende rekening hebben gehouden met het door artikel 31 van de Wet op Woonwagens en Woonschepen (hierna: WWW) beschermde belang.

2.3.1. De Afdeling stelt voorop dat artikel 31 van de WWW de gemeenteraden de bevoegdheid toekent, maar niet de verplichting oplegt, om bepalingen vast te stellen betreffende de plaats, door woonwagens en woonschepen bij verblijf binnen de gemeente in te nemen. Die bevoegdheid strekt niet zo ver dat een verbod tot het innemen van ligplaats met een woonschip wordt vastgesteld voor het hele grondgebied van de gemeente, waardoor het onmogelijk wordt gemaakt in de gemeente ligplaats in te nemen.

2.3.2. Het bij de beslissing op bezwaarschrift gehandhaafde aanwijzingsbesluit betreft uitsluitend het gedeelte van de Dwarswatering tussen de rijksweg A4 en de Zijl. Niet gebleken is dat als gevolg van dit besluit het onmogelijk is binnen de gemeente Leiderdorp ligplaats in te nemen met een woonschip. Het enkele feit dat voor het innemen van ligplaats met een woonschip binnen de gemeente Leiderdorp een vergunning, dan wel ontheffing nodig is van de provincie Zuid-Holland, het hoogheemraadschap en/of toestemming uit hoofde van de privaatrechtelijke eigendom van water en oever, brengt niet met zich dat het als gevolg van het aanwijzingsbesluit onmogelijk is ligplaats in te nemen binnen deze gemeente. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat appellanten met het aanwijzingsbesluit de reikwijdte van artikel 31, tweede lid, van de WWW hebben miskend.

2.4.3. Verder ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat niet alle relevante feiten en af te wegen belangen bij de beslissing op bezwaarschrift zijn betrokken en op zorgvuldige wijze zijn afgewogen. Hierbij is in aanmerking genomen dat appellanten bij de toepassing van artikel 5.3.2, eerste lid, van de APV een ruime mate van beleidsvrijheid hebben. Het belang van [bezwaarde] om met zijn gezin zijn huidige woning te verlaten, een woonschip ten behoeve van bewoning te laten bouwen en daarmee permanent ligplaats in te nemen aan het in geding zijnde gedeelte van de Dwarswatering, hebben appellanten van minder gewicht kunnen achten dan de belangen die zijn gemoeid met het handhaven van de recreatieve functie van dit gedeelte van de Dwarswatering. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat sprake is van een onvoldoende zorgvuldige belangenafweging in de zin van artikel 3:4 in verbinding met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep acht de Afdeling geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 10 juli 1998, AWB 97/9451 PROWT;

verklaart het door [bezwaarde] bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond.

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 1999.