Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AD6700

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-1999
Datum publicatie
05-12-2001
Zaaknummer
H01.98.1714
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 1999/220
AB 1999, 279
Module Ruimtelijke ordening 1999/4573

Uitspraak

Raad

van State

H01.98.1714.

Datum uitspraak: 8 juli 1999.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

burgemeester en wethouders van Gilze en Rijen

appellanten

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Breda van 21 augustus 1998 in het geding tussen:

[verzoekster]. te [woonplaats]

en

appellanten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 1997 hebben appellanten (hierna: burgemeester en wethouders) [verzoekster] (hierna: J.) onder voorwaarden vrijstelling verleend van gebruiksbepalingen neergelegd in het ter plaatse vigerende bestemmingsplan "Wolfsheide, herziening vlek 8" ten behoeve van een aan het adres [adres] te [woonplaats] te vestigen kapsalon.

Tegen dit besluit heeft J. bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 22 juli 1997, verzonden op 29 juli 1997, hebben burgemeester en wethouders het bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de adviescommissie voor bezwaar en beroep van 17 juni 1997, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 21 augustus 1998, verzonden op 24 augustus 1998, heeft de arrondissementsrechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het door [verzoekster] tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben burgemeester en wethouders bij brief van 29 september 1998, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 1998, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 31 december 1998 heeft J. een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 1999, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr J.C.A.J.M. W., ambtenaar der gemeente, en [verzoekster] in persoon, bijgestaan door mr A. G., advocaat te Breda, zijn verschenen. Voorts is [derde] als partij gehoord.

Overwegingen

Burgemeester en wethouders betogen in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aan de verleende vrijstelling voor het vestigen van de kapsalon verbonden termijn van 4 jaar in strijd is met artikel 15, derde lid, Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Wolfsweide, herziening vlek 8". Op het perceel [adres] te [woonplaats] rust de bestemming "Woondoeleinden D". Ingevolge artikel 5, lid C, in samenhang met artikel 3, lid C, onder 1, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan is het verboden de bebouwing te gebruiken in strijd met de bestemming. Onder met de bestemming strijdig gebruik van de bebouwing wordt in elk geval begrepen de uitoefening van enige vorm van handel en/of bedrijf. Ingevolge artikel 5, lid C, onder II, in samenhang met artikel 3, lid C, onder 2 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen voor een aan huis gebonden beroep of een beperkte ambachtelijke bedrijvigheid, mits aan de vijf in punt II genoemde voorwaarden wordt voldaan.

Ingevolge artikel 1, onder K. 1, van de planvoorschriften wordt onder een aan huis gebonden beroep verstaan de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerp-technisch of hieraan gelijk te stellen gebied. Ingevolge artikel 1, onder K. 2, wordt onder ambachtelijk bedrijf verstaan een bedrijf - niet zijnde een aan huis gebonden beroep - waarbij het productieproces grotendeels wordt uitgevoerd met de hand of althans niet in hoofdzaak gemechaniseerd, geautomatiseerd of met behulp van werktuigen, die door energiebronnen buiten de menselijke arbeidskracht worden aangedreven. Voor zover van laatstbedoelde werktuigen gebruik wordt gemaakt, zijn deze als ondergeschikt te beschouwen aan de menselijke handvaardigheid.

Naar het oordeel van de Afdeling kan het exploiteren van een kapsalon niet worden aangemerkt als een aan huis gebonden beroep als bedoeld in artikel 1, onder K. 1, van de planvoorschriften. Een kapsalon kan objectief bezien niet worden gerangschikt onder één van de in deze bepaling aangegeven diensten en kan niet op één lijn worden gesteld met een of meer van deze diensten. Evenmin is sprake van een beperkte ambachtelijke bedrijvigheid als bedoeld in het geldende bestemmingsplan. Hierbij is in aanmerking genomen dat in een ambachtelijk bedrijf ingevolge artikel 1, onder K. 2, een productieproces plaatsvindt, terwijl bij een kapsalon sprake is van het verrichten van diensten.

Burgemeester en wethouders hebben de gevraagde vrijstelling dan ook in strijd met de toepasselijke planvoorschriften verleend. De Afdeling komt, dit vaststellend, niet toe aan de beantwoording van de vraag of de termijnbepaling in strijd is met artikel 15, derde lid, van de WRO.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep gegrond moet worden verklaard en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beslissing op bezwaar vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, bepalen dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven, aangezien J. door het instellen van beroep tegen dit besluit niet in een nadeliger positie mag worden gebracht dan waarin zij zou hebben verkeerd als zij hiertegen geen beroep had ingesteld.

De Afdeling acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling in beroep en hoger beroep.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Breda van 21 augustus 1998, 97/2317 BSTPL WOE;

vernietigt het besluit van appellanten van 22 juli 1997, CBB/B97.029AVL;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit besluit geheel in stand blijven;

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 1999.