Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AD4906

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-10-1999
Datum publicatie
29-11-2001
Zaaknummer
H01.98.1882.
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RAAD

VAN STATE

H01.98.1882.

Datum uitspraak: 15 oktober 1999.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAk

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Raad voor Rechtsbijstand te Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 8 oktober 1998 in het geding tussen:

[bezwaarde] te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 april 1997 heeft het Bureau van de Raad voor Rechtsbijstand te Den Haag geweigerd aan [bezwaarde] (hierna: [bezwaarde]) een definitieve toevoeging af te geven en heeft de aan haar verstrekte voorwaardelijke toevoeging met terugwerkende kracht ingetrokken.

Bij besluit van 10 oktober 1997 heeft appellant het hiertegen door [bezwaarde] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie voor Bezwaar en Beroep, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 8 oktober 1998, verzonden op 12 oktober 1998, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit door [bezwaarde] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op beroep vernietigd.

Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 20 november 1998, bij de Raad van State ingekomen op 23 november 1998, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 februari 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 maart 1999 heeft [bezwaarde] een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 1999, waar appellant, vertegenwoordigd door mr [gemachtigde appellant], gemachtigde, en [bezwaarde] in persoon en bijgestaan [gemachtigde bezwaarde]. gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) geeft het bureau een voorwaardelijke toevoeging af, indien het verzoek om rechtsbijstand betrekking heeft op een aanmerkelijk financieel belang of aannemelijk is dat de kosten van rechtsbijstand verhaald kunnen worden op een derde.

Ingevolge het tweede lid wordt, indien het verzoek om een toevoeging betrekking heeft op rechtsbijstand ter zake van echtscheiding, voorwaardelijk toegevoegd, tenzij aanstonds blijkt dat beide partijen voor een toevoeging in aanmerking komen.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat indien na beëindiging van de rechtsbijstand blijkt dat de financiële draagkracht van de verzoeker zodanig is toegenomen dat deze de in artikel 34 genoemde bedragen overschrijdt, of dat de rechtzoekende de kosten van rechtsbijstand kon verhalen op een derde, het bureau geen definitieve toevoeging afgeeft.

Ingevolge artikel 34, tweede lid, van de Wrb - voor zover hier van belang - wordt geen rechtsbijstand verleend, indien de rechtzoekende beschikt over een eigen vermogen van ten minste ƒ 20.000,-.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand (hierna: het Bdr) worden voor de vaststelling van het vermogen schulden die betrekking hebben op bijzondere uitgaven die de rechtzoekende gedwongen is te doen als gevolg van persoonlijke omstandigheden hemzelf of zijn huishouding betreffende, als schulden in aanmerking genomen.

Ingevolge artikel 9, derde lid, aanhef en onder a, van het Bdr wordt voor de vaststelling van het vermogen niet in aanmerking genomen de waarde in vrij opgeleverde staat van de eigen woning die de rechtzoekende bewoont of, in geval van opheffing van de gezamenlijke huishouding, bewoond heeft, voor zover deze waarde, na aftrek van het nog niet afgeloste bedrag van de daarop gevestigde hypotheek of hypotheken, minder dan ƒ 75.000,- bedraagt.

2.2. Aan [bezwaarde] was een voorwaardelijke toevoeging toegekend voor rechtsbijstand terzake van echtscheiding met nevenvorderingen.

De (voormalig) echtelijke woning is blijkens de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 29 maart 1995, rekestno. 946129, aan haar ex-echtgenoot toebedeeld. Blijkens de akte van verdeling heeft [bezwaarde] ƒ 61.829,-- ontvangen wegens overbedeling.

Geweigerd is bij besluit van 10 april 1997 de voorwaardelijke toevoeging om te zetten in een definitieve toevoeging, omdat de financiële draagkracht van [bezwaarde] zodanig was toegenomen dat deze de in artikel 34, tweede lid, van de Wrb genoemde vermogensgrens van ƒ 20.000,-- overschreed.

2.3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer overwogen dat eerst na de afwikkeling van een echtscheiding tot een beoordeling van de draagkracht dient te worden overgegaan, hetgeen zich voordoet na beëindiging van de rechtsbijstand. Appellant heeft ten onrechte het in artikel 31, derde lid, van de Wrb genoemde criterium toegepast. Het derde lid slaat volgens de rechtbank alleen terug op het eerste lid van dit artikel en niet op het tweede lid. Van belang is slechts of op het peilmoment - na echtscheiding - de draagkracht van [bezwaarde] de voor haar geldende vermogensgrens overschrijdt. Volgens de rechtbank heeft appellant voor de vaststelling van het vermogen van [bezwaarde] ten onrechte niet de in artikel 9, derde lid, van het Bdr genoemde vrijstelling van ƒ 75.000,-- toegepast. Ook al is de echtelijke woning toebedeeld aan de man, appellant had niettemin de helft van de vrijstelling, groot ƒ 37.500,--, in mindering moeten brengen.

2.4. Appellant kan zich hiermee niet verenigen. Hij heeft betoogd dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 31, derde lid, van de Wrb. De rechtbank is er voorts ten onrechte vanuit gegaan dat bij de aanvraag van een echtscheidingstoevoeging slechts één peilmoment geldt voor de vaststelling van de draagkracht, namelijk na beëindiging van de rechtsbijstand. De rechtbank heeft ook een onjuist uitgangspunt gehanteerd met betrekking tot de wettelijke vrijstelling van ƒ75.000,--.

2.5. Onder verwijzing naar haar uitspraken van 3 december 1998, no. H01.97.1461, en van 12 maart 1999, no. H01.98.1288 (beide uitspraken zijn aangehecht), overweegt de Afdeling dat bij de bepaling van de draagkracht in het vermogen van een rechtzoekende, die om toevoeging verzoekt ter zake van echtscheiding, twee peilmomenten van belang zijn.

Het eerste is het moment waarop een rechtzoekende om een (voorwaardelijke) toevoeging verzoekt ten behoeve van het voeren van een echtscheidingsprocedure. Uit de uitspraak van 3 december 1998 volgt dat, indien aanstonds blijkt dat het vermogen van een rechtzoekende de voor de mogelijkheid van een toevoeging gestelde grens overschrijdt, geen toevoeging wordt afgegeven. In dat geval is, gelet op artikel 8, eerste lid, van het Bdr, voor de berekening van de draagkracht in het vermogen bepalend, het moment waarop de rechtsbijstand is verzocht.

Het tweede moment is gelegen na beëindiging van de rechtsbijstand, wanneer dient te worden beoordeeld of een voorwaardelijk verleende toevoeging kan worden omgezet in een definitieve toevoeging. Ingevolge artikel 31, derde lid, van de Wrb wordt immers, indien na de beëindiging van de rechtsbijstand blijkt dat de financiële draagkracht van de verzoeker zodanig is toegenomen dat deze de in artikel 34 genoemde bedragen overschrijdt, geen definitieve toevoeging afgegeven. In eerder genoemde uitspraak van 12 maart 1999 is beslist dat, indien na beëindiging van de rechtsbijstand een verdeling van het vermogen in de eigen woning reeds heeft plaatsgevonden, voor de toepassing van artikel 9, derde lid, van het Bdr geen plaats meer is.

2.5.1. Gelet op het vorenstaande is onjuist het oordeel van de rechtbank dat slechts na beëindiging van de rechtsbijstand tot een beoordeling van de draagkracht dient te worden overgaan. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat artikel 31, derde lid, van de Wrb niet op het tweede lid van dit artikel terugslaat. Immers, anders dan de rechtbank heeft overwogen, is met het bepaalde in het tweede lid van dit artikel niet beoogd in alle gevallen de beoordeling van de financiële draagkracht op te schorten tot na beëindiging van de rechtsbijstand.

2.5.2. De rechtbank heeft in het voorliggende geval terecht, zij het op onjuiste gronden, overwogen dat, ter beoordeling van de vraag of de aan [bezwaarde] verleende voorwaardelijke toevoeging kan worden omgezet in een definitieve, voor de vaststelling van de draagkracht in haar vermogen bepalend is het moment waarop de rechtsbijstand is beëindigd.

Gebleken is dat [bezwaarde] na beëindiging van de rechtsbijstand ƒ 61.829,50 heeft ontvangen wegens overbedeling. Op dat bedrag heeft appellant op de voet van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bdr ƒ 10.000,-- aan herinrichtingskosten in mindering gebracht, zodat een vermogen van ƒ 51.829,59 resteerde. Dit vermogen overschreed ruimschoots de voor de mogelijkheid van een toevoeging gestelde grens van ƒ 20.000,--.

2.5.3. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 12 maart 1999 overweegt de Afdeling voorts dat in dit geval geen plaats meer is voor toepassing van artikel 9, derde lid, van het Bdr, aangezien een verdeling van het vermogen in de (eigen) woning reeds heeft plaatsgevonden.

2.5.4. Nu het vermogen van [bezwaarde] de voor de mogelijkheid van een toevoeging gestelde grens van ƒ 20.000,-- overschreed, bestaat geen plaats voor het oordeel dat appellant niet heeft kunnen weigeren de voorwaardelijk verleende toevoeging om te zetten in een definitieve toevoeging.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [bezwaarde] alsnog ongegrond dienen te verklaren.

2.7. Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 8 oktober 1998, AWB 97/12659 WRB;

verklaart het door [bezwaarde] bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond.

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 1999.