Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AA5056

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-1999
Datum publicatie
19-04-2006
Zaaknummer
E01.97.0672
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen bestemmingsplan „Grensoverschrijdend bedrijventerrein GOB Aachen-Heerlen“.

Rechtstreeks beroep door particulier op EG-Richtlijn alleen mogelijk bij incorrecte implementatie.

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet
Natuurbeschermingswet 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2000, 23 met annotatie van Ch.W. Backes
M en R 2000, 73
M en R 2000, 33K
Gst. 2000-7113, 8 met annotatie van H.J.A.M. van Geest
Module Ruimtelijke ordening 1999/313
JB 1999/298
JM 1999/165 met annotatie van Woldendorp
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

E01.97.0672.

Datum uitspraak: 26 oktober 1999

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1 . de stichting "Stichting Milieufederatie Limburg' ', gevestigd te Maastricht, de stichting "Stichting Dassenwerkgroep Limburg", gevestigd te Margraten en de stichting "Stichting Aktiegroep Industrieterrein Langveld", gevestigdte Bocholtz, en

2. de vereniging "Das & Boom", gevestigd te Beek Ubbergen appellanten

en

gedeputeerde staten van Limburg verweerders.

1 . Procesverloop

De raad van de gemeente Heerlen heeft bij besluit van 4 maart 1997 op voorstel van burgemeester en wethouders van 18 februari 1997 het bestemmingsplan "Grensoverschrijdend bedrijventerrein GOB Aachen-Heerlen" vastgesteld. Dit besluit en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aangehecht.

Verweerders hebben bij besluit van 14 oktober 1997, kenmerk 97/48489M, over de goedkeuring van dat bestemmingsplan beslist. Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 18 december 1997, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 1997, en appellante sub 2 bij brief van 17 december 1997, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 1997, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brieven van 30 januari 1998 en 18 februari 1998. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 29 juli 1998 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigen be richt uitgebracht, gedateerd 19 februari 1999. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellanten sub 1 en burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 1999, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door mr H.J.L. Kerkhoffs, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door mr H.J.M. van Achten, mr I.M.D. Vossen en drs H.F.M. van Sloun, allen ambtenaar der provincie, zijn verschenen. De raad van de gemeente Heerlen heeft zich doen vertegenwoordigen door mr N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, J. Pleumeekers, burgemeester, en T. Thywissen, gemachtigde. Verder hebben mr A.J.H.W.M. Versteeg, advocaat te Amsterdam, namens de naamloze vennootschap "GOB N.V." en mr A. Hofstede-Bron en L. Wijlaars, beiden ambtenaar ten departemente, namens de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, het woord gevoerd.

2. Overwegingen

2.1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.1.1. Ingevolge artikel 28, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan tegen een besluit van gedeputeerde staten inzake de goedkeuring van een bestemmingsplan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Voor zover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot goedkeuring kan het beroep worden ingesteld door degene die zich tijdig op grond van artikel 27, eerste of tweede lid, tot gedeputeerde staten heeft gewend, alsmede door een belanghebbende die aantoont dat hij daartoe redelijkerwijs niet in staat is geweest.

2.1.2. In artikel 27, eerste lid, is bepaald dat degene die tijdig zijn zienswijze bij de gemeenteraad kenbaar heeft gemaakt, alsmede een belanghebbende die aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest overeenkomstig artikel 23 zijn zienswijze bij de gemeenteraad kenbaar te maken, gedurende de in artikel 26 genoemde termijn van terinzageligging bij gedeputeerde staten schriftelijk bedenkingen kan inbrengen tegen het bestemmingsplan. In het tweede lid is bepaald dat, voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, een ieder gedurende de in artikel 26 bedoelde termijn daartegen schriftelijke bedenkingen bij gedeputeerde staten kan inbrengen.

2.1.3. Blijkens de stukken hebben appellanten sub 1 hun zienswijzen met betrekking tot de verkeersoverlast niet bij de raad kenbaar gemaakt en hebben zij hieromtrent evenmin bedenkingen bij verweerders ingebracht. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat appellanten sub 1 redelijkerwijs niet in staat zijn geweest zich tot de gemeenteraad en verweerders te wenden.

2.1.4. Aangezien het beroepsonderdeel geen betrekking heeft op de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring aan het plan kunnen appellanten sub 1 in verband met het voorgaande aan artikel 28, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geen recht tot het instellen van beroep ontlenen, zodat het beroep van appellanten sub 1 voor zover dat betrekking heeft op voornoemd beroepsonderdeel niet-ontvankelijk is.

2.2. Ten aanzien van de zaak voor het overige

2.3. Het betreft hier de aanleg van een grensoverschrijdend bedrijventerrein n tussen Aken en Heerlen, waarvan de totale oppervlakte ongeveer 117 hectare bedraagt. Het plan voorziet in de aanleg van het Nederlandse deel van dit bedrijventerrein (hierna te noemen: het GOB) en heeft betrekking op een gebied van ongeveer 57 hectare dat ligt -globaal gezien - tussen de Rijksweg 76 in het westen en de grens tussen Nederland en Duitsland in het oosten. Artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften, bepaalt dat het plan zich richt op het behoud en de versterking van de werkgelegenheidsfunctie in de lichte industriële sector, logistiekldistributie, high tech en research en development in de stad Aken en de gemeente Heerlen zoals wordt omschreven in lid 2.

2.4. Bij het bestreden besluit hebben verweerders het plan grotendeels goedgekeurd.

2.5. Appellanten sub 1 betwisten in zijn algemeenheid de noodzaak van de aanleg van dit bedrijventerrein. Daarbij stellen zij dat de gestelde behoefte aan arbeidsplaatsen in de regio te hoog is ingeschat. Wel is er grote vraag naar ongeschoolde arbeidsplaatsen, aldus appellanten sub 1, maar daarin voorziet het GOB nu juist niet. Ten slotte vinden appellanten sub 1 dat het aantal arbeidsplaatsen dat het GOB zal opleveren te hoog is ingeschat.

2.5.1. Ten aanzien van de noodzaak overweegt de Afdeling in de eerste plaats dat in de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra Maastricht/Heerlen is aangewezen als euregionaal stedelijk knooppunt. In verband hiermee is in het kader van het "Ontwikkelingsproject MHAL" (een grensoverschrijdende samenwerking tussen Maastricht/Heerlen-Hasselt/Genk-Aken-Luik) de ontwikkeling van een grensoverschrijdend bedrijventerrein Aken/Heerlen aangemerkt als strategisch project. In het licht hiervan hebben provinciale staten van Limburg op 18 juni 1993 het streekplan Zuid-Limburg op de onderdelen Bedrijventerreinen en Kantorenlocaties herzien om de aanleg van een grensoverschrijdend bedrijventerrein mogelijk te maken. Hierbij is het gebied in oostelijk Zuid-Limburg, dat wordt aangemerkt als stedelijk gebied, vergroot, zodat een toekomstig bedrijventerrein in stedelijk gebied wordt aangelegd en niet, zoals appellanten sub 1 betogen, op een perifere locatie. Ook blijkt uit een in opdracht van de Ministeries van Economische Zaken en Volkshuisvesting , Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer gehouden onderzoek, waarvan de resultaten zijn gepubliceerd in maart 1996, dat er een tekort bestaat aan terreinen voor hoogwaardige bedrijven.

2.5.2. Vervolgens overweegt de Afdeling dat appellanten sub 1 niet aannemelijk hebben gemaakt dat de behoefte aan arbeidsplaatsen in de regio te hoog is ingeschat. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat Heerlen een werkloosheidspercentage kent dat aanmerkelijk hoger ligt dan in de rest van Nederland. Het feit dat het GOB met name werkgelegenheid zal bieden aan hoger opgeleide werknemers en niet aan laaggeschoolde werknemers betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat verweerders reeds om die reden goedkeuring aan het plan hadden moeten onthouden. Verweerders hebben in redelijkheid kunnen overwegen dat deze werkgelegenheid niet alleen van belang is voor hoger opgeleiden, maar tevens noodzakelijk is voor de economische en maatschappelijke positie van het oostelijke gedeelte van Zuid-Limburg, aangezien hiermee een voorwaarde wordt geschapen voor een gezonde en evenwichtige bevolkingsopbouw.

2.5.3. Ten slotte overweegt de Afdeling in dit verband dat appellanten evenmin aannemelijk hebben gemaakt dat de stijging van het aantal arbeidsplaatsen, die wordt geraamd op 7.000 tot 16.000, te hoog is ingeschat. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat bij de door verweerders aan hun besluit ten grondslag gelegde berekening van de groei van de werkgelegenheid is gelet op de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van het plan, waarbij met diverse invullingen rekening is gehouden. Appellanten sub 1 hebben ter onderbouwing van hun bezwaar op dit punt het rapport "Groeien aan de grens" ingebracht, waarin wordt uitgegaan van een stijging van ongeveer 4.000 arbeidsplaatsen. Hierin wordt echter slechts uitgegaan van de arbeidsbezetting van twee specifieke bestaande bedrijven en geen rekening gehouden met de in het plan toegestane andersoortige bedrijvigheid. Evenmin wordt in dat rapport rekening gehouden met een bepaald economisch scenario.

2.5.4. Uit hetgeen hiervoor onder 2.5 is overwogen volgt dat verweerders naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid de noodzaak van de aanleg van het GOB, zoals die door het plan mogelijk wordt gemaakt, hebben kunnen onderschrijven.

2.6. Appellanten sub 1 stellen dat de aanleg van het GOB ten koste zal gaan van de open groene bufferzone annex ecologische verbindingszone tussen de stedelijke gebieden van Aken en Heerlen/Kerkrade. De bedrijfsbebouwing zal, zo vinden zij, een verstorende werking hebben op het landschap.

2.6.1. De aanleg van het GOB is voorzien op een heuvel in een open akkerbouwgebied. Dit akkerbouwgebied vormt een ecologische verbindingszone. Hier omheen vormen de stedelijke gebieden van Heerlen, Kerkrade, Herzogenrath en Aken een nagenoeg gesloten bebouwingsfront in het noorden en het oosten. Ten zuiden en westen van dit gebied ligt bebouwing met een dorpsachtig karakter. In het gebied zelf maakt het plan bebouwing mogelijk tot een hoogte die overeenkomt met maximaal 7 bouwlagen.

2.6.2. Verweerders hebben overwogen dat er in hun ogen geen sprake is van een onaanvaardbare verslechtering van de situatie, gelet op het grote maatschappelijke belang dat wordt gediend met de aanleg van het bedrijventerrein. Dit standpunt acht de Afdeling niet onredelijk. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de uitgevoerde milieu-effectrapportage naar voren komt dat bij een autonome ontwikkeling van het gebied tot 2010 het omringende gebied meer en meer zal verstedelijken, waardoor, aldus de milieueffectrapportage, de ecologische functies van het gebied zullen worden aangetast. Zo wordt ten zuidoosten van het plangebied de woonkern Richterich uitgebreid. Voorts zal ten noorden van het plangebied een grootschalige ontsluiting van nieuwe industriegebieden worden aangelegd en ten zuiden daarvan een windmolenpark. Ook wordt ten zuiden van het plangebied een biogasinstallatie gebouwd. Hoewel appellanten sub 1 op sommige punten twijfelen aan de juistheid van de inhoud van deze milieu-effectrapportage is de Afdeling niet gebleken dat verweerders niet van de juistheid daarvan konden uitgaan.

2.7. Appellanten sub 1 vinden ook dat te weinig alternatieve locaties zijn onderzocht voor de vestiging van het bedrijventerrein. Met name is onvoldoende bezien of de bestaande bedrijventerreinen voldoende capaciteit hebben.

2.7.1. Blijkens de plantoelichting zijn in 1991 vijf alternatieve locaties onderzocht voor de aanleg van een bedrijventerrein. Hieruit kwam naar voren dat de lokatie Richterich-Heerlen, waarvan het plangebied een onderdeel vormt, het meest geschikt is voor de aanleg van een grensoverschrijdend bedrijventerrein. Niet is gebleken dat dit onderzoek onvolledig dan wel onjuist is geweest. Gelet hierop konden verweerders in redelijkheid van de juistheid van dit onderzoek uitgaan. Voorzover appellanten sub 1 een beroep doen op de bestaande restcapaciteit van andere bedrijventerreinen en op de potentiële capaciteit van voormalige Duitse militaire terreinen aan de grens met Duitsland, kon hieraan in redelijkheid voorbij worden gaan, reeds omdat een van de uitgangspunten was een grensoverschrijdend bedrijventerrein tot ontwikkeling te brengen.

2.7.2. Gelet hierop behoefden verweerders in dit bezwaar in redelijkheid geen aanleiding te zien goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.8. Appellanten sub 1 en sub 2 wijzen erop dat het plan ten koste gaat van de hamsterpopulatie in het plangebied. Dit vinden zij onaanvaardbaar. Hierdoor is het bestreden besluit in strijd met Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: de Habitatrichtlijn).

2.8.1. Uit de milieu-effectrapportage komt naar voren dat in het onderzoeksgebied 24 hamsterburchten zijn aangetroffen, voornamelijk aan de westrand van het plangebied. Verwacht wordt, aldus de milieu-effectrapportage, dat de aanleg van het GOB ten koste zal gaan van de hamsterpopulatie. Ter voorkoming hiervan zal deze populatie, aldus de plantoelichting, moeten worden verplaatst naar de Frohnrather Acker, een compensatiegebied dat ligt ten oosten van het plangebied.

2.8.2. Met betrekking tot het gestelde ten aanzien van de Habitatrichtlijn overweegt de Afdeling als volgt. Volgens de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie moet ter bepaling van de werking van een richtlijn een onderscheid worden gemaakt tussen een correcte en een incorrecte implementatie. In geval van correcte implementatie bereikt de werking van een richtlijn de particulieren via de door de betrokken Lid-Staat getroffen uitvoeringsmaatregelen. Slechts indien een richtlijn, na afloop van de implementatieperiode niet, niet tijdig of onjuist is geïmplementeerd, kan een particulier een rechtstreeks beroep op die richtlijn doen en dan nog alleen op de bepalingen van de richtlijn die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn bepaald (arrest 8/81, Becker, Jur. 1992, p. 59 ev. op p. 70-71). Hiervan is sprake wanneer de verplichting die een gemeenschapsbepaling oplegt van geen enkele voorwaarde afhankelijk is gesteld en haar uitvoering of werking evenmin afhankelijk is gesteld van enigerlei handeling van de instellingen der Gemeenschappen of van de Lid-Staten. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dienen de rechterlijke instanties van de Lid-Staten de rechtsbescherming te verzekeren die voor de justitiabelen uit de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht voortvloeit (arrest C-312/93, Peterbroeck, 14 dec. 1995). De vraag naar rechtstreekse werking kan, zoals hiervoor reeds overwogen, alleen rijzen in geval van incorrecte implementatie.

2.8.3. Artikel 3 tot en met artikel 11 van de Habitatrichtlijn heeft betrekking op de instandhouding van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Hierin is onder meer het volgende bepaald.

2.8.4. Artikel 3, eerste lid, voorzover hier van belang, van de Habitatrichtlijn bepaalt dat er een coherent Europees ecologisch netwerk wordt gevormd van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd. Dit netwerk, dat bestaat uit gebieden met bepaalde typen natuurlijke habitats en habitats van bepaalde soorten, moet de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Het tweede lid bepaalt dat elke LidStaat daartoe bepaalde gebieden als speciale beschermingszones aanwijst, overeenkomstig artikel 4 en met inachtneming van de doelstellingen van lid 1.

2.8.5. Artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn, bepaalt, voorzover hier van belang, dat de Lid-Staten een lijst van gebieden opstellen, waarop staat aangegeven welke van bepaalde typen habitats en soorten in die gebieden voorkomen. De lijst moet binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie worden toegezonden. Het tweede lid, eerste alinea, bepaalt, voorzover hier van belang, dat de Commissie een ontwerp-lijst van gebieden van communautair belang uitwerkt. De derde alinea van dit artikellid bepaalt dat de Commissie volgens de procedure van artikel 21 een lijst van gebieden van communautair belang vaststelt. Het derde lid bepaalt dat dit dient te geschieden binnen zes jaar na kennisgeving van de richtlijn. Het vierde lid van dit artikel bepaalt, voorzover hier van belang, dat de Lid-Staat gebieden van communautair belang zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aanwijst als speciale beschermingszone. Het vijfde lid van dit artikel bepaalt ten slotte dat, zodra een gebied op de in lid 2, derde alinea, bedoelde lijst is geplaatst, voor dat gebied de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid gelden.

2.8.6. Artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn bepaalt, voorzover hier van belang, dat de Lid-Staten voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen treffen. Het tweede lid geeft aan, voorzover hier van belang, dat de Lid-Staten passende maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Het derde lid geeft aan wanneer een Lid-Staat toestemming kan geven voor projecten of plannen die significante gevolgen kunnen hebben voor het gebied. Het vierde lid handelt - kortweg gezegd- over het treffen van compenserende maatregelen.

2.8.7. De Afdeling stelt vast dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de Commissie de lijst van gebieden van communautair belang als bedoeld in artikel 4, tweede lid, derde alinea, van de Habitatrichtlijn nog niet had vastgesteld. Evenmin was het plangebied ten tijde van het nemen van het bestreden besluit aangewezen ais speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn. De daarvoor in artikel 4, derde lid, van de Habitatrichtlijn respectievelijk artikel 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn gestelde termijnen waren beide ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet verstreken. Reeds hierom kan het beroep van appellanten sub 1 en 2 op artikel 6 van de Habitatrichtlijn niet slagen.

2.8.8. Artikel 12 tot en met artikel 16 van de Habitatrichtlijn hebben betrekking op de bescherming van soorten. Hierin is onder meer het volgende bepaald.

2.8.9. Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder d, van de Habitatrichtlijn, treffen de Lid-Staten de nodige maatregelen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, letter a), vermelde diersoorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied, waarbij een verbod wordt ingesteld op de beschadiging van of de vernieling van voortplantings- of rustplaatsen. De hamster (cricetus cricetus) wordt op deze lijst vermeld.

2.8.10. Artikel 16, eerste lid, van de Habitatrichtlijn bepaalt dat wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en op voorwaarde dat de afwijking geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, de Lid-Staten in de in dit artikellid nader omschreven gevallen mogen afwijken van het bepaalde in de artikelen 12, 13, 14 en 15, letters a) en b).

2.8.11. Voorzover appellanten sub 1 een beroep doen op schending van artikel 12 , eerste lid, aanhef en onder d., van de Habitatrichtlijn, overweegt de Afdeling het volgende.

2.8.12. De hamster is krachtens artikel 22, aanhef en onder b, van de Natuurbeschermingswet, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit beschermde inheemse diersoorten aangewezen als beschermde diersoort. Ingevolge artikel 24, derde lid, van de Natuurbeschermingswet, voorzover hier van belang, is het verboden zonder noodzaak een dier, behorende tot een beschermde diersoort, te verontrusten of zijn nest, hol of voortplantings- of rustplaats te verstoren dan wel te beschadigen of te vernielen. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet, voorzover hier van belang, kan door of vanwege de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (thans Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) hiervan ontheffing worden verleend. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit ontheffingen en vrijstellingen Natuurbeschermingswet, voorzover hier van belang, kan in de in dit artikellid genoemde gevallen ten aanzien van niet-gekweekte dieren behorende tot beschermde soorten die zijn genoemd in bijlage ]V bij de Habitatrichtlijn, slechts ontheffing of vrijstelling worden verleend, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Met het Besluit ontheffingen en vrijstellingen Natuurbeschermingswet wordt blijkens de daarbij behorende Nota van toelichting beoogd de Habitatrichtlijn volledig te kunnen uitvoeren.

2.8.13. Zoals in 2.8.2. is overwogen kan er alleen een direct beroep op artikel 12, eerste lid, aanhef en onder d, van de Habitatrichtlijn worden gedaan, indien de richtlijn niet correct is geïmplementeerd. De vraag of de richtlijn correct is geïmplementeerd en zo ja, of het inmiddels genomen maar ook in rechte aangevochten besluit tot het verlenen van een ontheffing in overeenstemming is met artikel 25 van de Natuurbeschermingswet, komt pas aan de orde in de procedure waarin het besluit tot het verlenen van de ontheffing in het geding is. In geval van incorrecte implementatie geldt hetzelfde wat betreft de vraag of een direct beroep op de Habitatrichtlijn kan worden gedaan.

2.8.14. Het bovenstaande doet er niet aan af dat verweerders geen goedkeuring aan het plan hadden kunnen verlenen, indien en voorzover zij op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat geen ontheffing zou kunnen worden verleend. Evenmin hadden verweerders aan het plan goedkeuring kunnen verlenen, indien zij in redelijkheid hadden moeten inzien dat het plan, mede gelet op artikel 2, eerste lid, van het Besluit ontheffingen en vrijstellingen Natuurbeschermingswet, er toe zou leiden dat het natuurlijke verspreidingsgebied van de hamsters in die mate wordt aangetast dat zij daarin niet meer kunnen voortbestaan.

2.8.15. Op overeenkomstige wijze zijn de overwegingen 2.8.13. tot en met 2.8.14. evenzeer van toepassing op het beroep dat appellanten sub 1 en sub 2 hebben gedaan op het Verdrag van Bern, dat wil zeggen dat enerzijds in de procedure over de ontheffing zal kunnen worden nagegaan of verweerders in strijd met dat Verdrag hebben gehandeld, maar dat anderzijds het plan de nakoming van dat Verdrag niet onmogelijk mag maken.

2.8.16. De Afdeling is niet gebleken dat verweerders in voldoende mate in hun besluitvorming hebben betrokken hetgeen hiervoor onder 2.8.14. en 2.8.15. is overwogen. Gelet hierop is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:2, van de Algemene wet bestuursrecht en is het beroep van appellanten wat dit onderdeel betreft gegrond en dient het bestreden besluit in zoverre te worden vernietigd.

2.9. Voorts stellen appellanten sub 1 dat het plan leidt tot een onaanvaardbaar en onherstelbaar verlies van natuurwaarden. De voorgestelde compenserende maatregelen zijn volstrekt onvoldoende, terwijl bovendien onzeker is in hoeverre deze maatregelen zullen worden getroffen, laat staan dat zeker is dat deze maatregelen zullen zijn getroffen voordat de waarden definitief verloren zijn gegaan. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met het compensatiebeleid.

2.9.1. Uit de milieu-effectrapportage komt naar voren dat in het plangebied grote aantallen broedvogels voorkomen. Nog afgezien van de hamster leven in het plangebied ook andere beschermingswaardig soorten zoals dassen en enkele soorten bedreigde vleermuizen. Deze zoogdiersoorten gebruiken het plangebied als foerageer- respectievelijk jachtgebied.

2.9.2. Verwacht wordt, aldus de milieu-effectrapportage, dat door het verlies aan leefruimten van circa 40 broedvogels het aantal broedparen meer of minder sterk achteruit zal gaan. Ook het aantal vleermuizen en dassen zal achteruitgaan. De noodzakelijke bescherming van deze en andere getroffen populaties kan worden gerealiseerd, aldus de milieu-effectrapportage, door een verbetering van de kwaliteit van gebieden waarin intensieve landbouw wordt bedreven. Dergelijke compensatiegebieden liggen echter niet in het plangebied maar wel in de Horbacher Börde, een gebied ten oosten van het plangebied.

2.9.3. Blijkens de plantoelichting zijn in de Horbacher Börde drie compensatiegebieden aangewezen met een totale oppervlakte van ongeveer 350 hectare. Hiervan moet ongeveer 40 hectare op een natuurvriendelijke wijze worden beheerd door extensivering van het agrarisch gebruik en door verrijking van de structuur. Om de compensatie te laten slagen moet er, aldus de plantoelichting, aan een aantal randvoorwaarden worden voldaan. Zo moeten onder meer deze gronden beschikbaar zijn op het moment dat het plan wordt uitgevoerd en moet het recreatieve gebruik in het gebied worden beperkt. Aan een en ander zal vorm worden gegeven door het ontwikkelen van een compensatieplan. Daarnaast dienen beheersovereenkomsten te worden afgesloten met een looptijd van vijf tot twintig jaar om het landbouwgebruik natuurvriendelijker te maken. i

2.9.4 Verweerders hebben zich blijkens hun bestreden besluit aangesloten bij hetgeen over de compenserende maatregelen in de plantoelichting is vermeld.Daarbij hebben zij onder meer overwogen dat er beheersovereenkomsten worden afgesloten met agrariërs in het gebied rond Horbach en dat momenteel al een groot deel van het compensatiegebied beschikbaar is.

2.9.5. Appellanten sub 1 hebben niet aannemelijk gemaakt dat verweerders hiermee een standpunt hebben ingenomen waartoe zij in redelijkheid niet hebben kunnen komen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de milieueffectrapportage naar voren komt dat landschapsplanologisch gezien de Horbacher Börde het meest geschikte gebied is voor het treffen van compenserende maatregelen. Niet is gebleken dat niet wordt voldaan aan de in de milieueffectrapportage gestelde randvoorwaarden. Weliswaar was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het compensatiegebied nog niet geheel beschikbaar, maar hierin kan geen aanleiding worden gevonden het bestreden besluit te vernietigen, gelet op de gefaseerde aanleg van het bedrijventerrein. Bij dit oordeel heeft de Afdeling het meergenoemde rapport van IWACO betrokken, waarin staat dat voordat met de ontwikkeling van het GOB wordt gestart een kwart van de voorgestelde compensatiemaatregelen moet zijn gerealiseerd. Ook overigens is de Afdeling niet gebleken dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het treffen van de compenserende maatregelen zodanig onzeker dan wel gebrekkig was dat verweerders hierin in redelijkheid aanleiding hadden moeten zien aan het plan goedkeuring te onthouden. Gelet op het voorgaande is de Afdeling evenmin gebleken dat verweerders in strijd hebben gehandeld met het natuurcompensatiebeleid.

2.10. Uit hetgeen appellanten voor het overige naar voren hebben gebracht kan de Afdeling niet de conclusie trekken dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Hieruit volgt dat de beroepen voor het overige ongegrond zijn.

2.10.1. Verweerders dienen op de na te melden wijze in de proceskosten van appellanten sub 1 te worden veroordeeld. Verweerders dienen in beginsel ook in de proceskosten van appellante sub 2 te worden veroordeeld, doch niet is gebleken van kosten die daarvoor in aanmerking komen.

3. Beslissing 1

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en 2 gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Limburg van 14 oktober 1997, 97148489, voorzover het de goedkeuring aan het op de bij de uitspraak behorende gewaarmerkte kaart aangegeven plangedeelte betreft;

III. veroordeelt gedeputeerde staten van Limburg in de door appellanten sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 1.532,40, waarvan een gedeelte groot f 1.420,- toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door provincie Limburg te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat provincie Limburg aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (f 420,- voor appellanten sub 1 en f 420,- voor appellante sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr R. Cleton, Voorzitter, en mr R.H. Lauwaars en mr J.R. Schaafsma, Leden, in tegenwoordigheid van mr H.M.F.F. Verbeet, ambtenaar van Staat.

Bij verhindering van

de ambtenaar van Staat:

w.g. Cleton (w.g. Van Onselen)

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 1999.

178-155

De Secretaris van de Raad van state,

voor deze,