Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AA5053

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-11-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H01.98.1986
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2000, 28
VR 2001, 100

Uitspraak

Raad

van State

H01.98.1986.

Datum uitspraak: 16 november 1999

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Verkeer en Waterstaat, appellant,

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 19 oktober 1998 in het geding tussen:

[rijbewijshouder] te [woonplaats]

en

appellant.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 25 november 1997 heeft appellant vastgesteld dat [rijbewijshouder] (hierna:[rijbewijshouder] ) niet geschikt wordt geacht om motorrijtuigen van de categorie(ën) B/E te besturen en daarbij tevens met ingang van 2 december 1997 zijn rijbewijs van die categorie(ën) ongeldig verklaard.

Bij besluit van 20 juli 1998 heeft appellant het door [rijbewijshouder] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 oktober 1998, verzonden op 5 november 1998, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar (hierna: de president) met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht het door [rijbewijshouder] tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 9 december 1998, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 januari 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 9 maart 1998 (lees: 1999) heeft [rijbewijshouder] een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 1999, waar appellant, vertegenwoordigd door mr drs A.A. Spoel, advocaat te Den Haag, mr A.M.W. Jol en drs A.W.P. Heera, beiden werkzaam bij de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, en A. in persoon en bijgestaan door mr K. van de Peppel, advocaat te Haarlem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wet) bepaalt dat, indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling doen aan de Minister onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, van de Wet, voor zover hier van belang, besluit de Minister dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid, indien de in artikel 130, eerste lid, bedoelde schriftelijke mededeling naar zijn oordeel daartoe aanleiding geeft.

Ingevolge artikel 134, eerste lid, van de Wet, voor zover hier van belang, stelt de Minister zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast. Van deze uitslag doet de Minister mededeling aan betrokkene.

Ingevolge artikel 134, tweede lid, van de Wet, voor zover hier van belang, deelt de Minister, indien hij van oordeel is dat de door hem vastgestelde uitslag van het onderzoek grond oplevert voor ongeldigverklaring van het rijbewijs, dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen.

Ingevolge artikel 134, derde lid, van de Wet, voor zover hier van belang, wordt, indien de Minister besluit dat het rijbewijs van de houder ongeldig wordt verklaard, daarbij bepaald op welk deel van de geldigheidsduur alsmede op welke categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven, de ongeldigverklaring betrekking heeft.

Ingevolge artikel 134, zesde lid, van de Wet, voor zover hier van belang, worden bij ministeriële regeling nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Hieraan is uitvoering gegeven in de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid van 17 april 1996 (Stcrt. 1996, 183, hierna: de Regeling maatregelen).

2.2. Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen besluit de Minister tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de Wet, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk het tweede onderzoek, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

2.3. Nadat Bakker op 29 september 1996 was aangehouden, waarbij een ademalcoholgehalte van 605 µg/l werd geconstateerd, en korte tijd na deelname aan een hem opgelegde educatieve maatregel alcohol en verkeer, op 3 maart 1997 wederom is aangehouden, waarbij een ademalcoholgehalte van 365µg/I is geconstateerd, heeft appellant bij besluit van 12 maart 1997 op grond van artikel 8, vierde lid, samen met artikel 8, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling maatregelen, besloten dat [rijbewijshouder] zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Dit onderzoek is op 24 april 1997 verricht door dr N. van Loenen, psychiater. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in een rapport.

2.4. Op grond van dit rapport heeft appellant aan [rijbewijshouder] bij brief van 9 juli 1997 meegedeeld dat hij niet geschikt wordt geacht tot het besturen van motorrijtuigen van de categorie(ën) B/E en dat appellant voornemens is A’s rijbewijs ongeldig te verklaren. Tevens heeft appellant [rijbewijshouder] gewezen op zijn bevoegdheid een tweede onderzoek te verlangen.

Op verzoek van [rijbewijshouder] heeft op 15 september 1997 een tweede onderzoek plaatsgevonden, verricht door dr H.N. Sno, psychiater. Ook dr Sno heeft de resultaten van het onderzoek in een rapport vastgelegd.

2.5. Appellant heeft aan zijn besluit van 25 november 1997, zoals gehandhaafd bij besluit van 20 juli 1998, ten grondslag gelegd dat, samengevat weergegeven, uit beide rapporten naar voren komt dat bij betrokkene sprake is van alcoholmisbruik. Verder is uit de rapporten gebleken dat aannemelijk of aantoonbaar is dat [rijbewijshouder] op of omstreeks 3 maart 1997 met misbruik van alcohol is gestopt. Ten tijde van het tweede onderzoek was echter nog geen recidiefvrije periode van een jaar verstreken, zodat appellant van oordeel is dat sprake is van misbruik van alcohol als bedoeld onder punt 8.8. van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid van 12 juni 1996 (Stcrt. 1996, 117), en hij is overgegaan tot ongeldigverklaring van [rijbewijshouder] ‘s rijbewijs.

2.6. De president heeft de beslissing op bezwaar van 20 juli 1998 vernietigd aangezien deze niet berust op een deugdelijke motivering. Hij heeft daartoe overwogen dat appellant heeft miskend dat de Regeling eisen geschiktheid niet is vastgesteld ter voldoening aan artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen, maar ter voldoening aan artikel 111, vierde lid, van de Wet, zodat appellant norm 8.8. van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid ten onrechte (tevens) toepast bij de uitvoering van de artikelen 130 en volgende van de Wet, aangezien deze norm niet ten behoeve van deze procedure is geschreven.

De president heeft verder geoordeeld dat voor het beoordelen van de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen ingevolge de artikelen 130 en volgende van de Wet geen duidelijke norm geldt. Uit de desbetreffende regelgeving vloeit in ieder geval niet voort dat het voldoen aan één van de DSM-IV-criteria, op basis waarvan tot misbruik van alcohol zou kunnen worden geconcludeerd, tevens betekent dat sprake is van 'chronisch misbruik van alcohol'. Met de door appellant aan zijn besluit ten grondslag gelegde omstandigheid dat [rijbewijshouder] herhaalde malen onder invloed een motorrijtuig heeft bestuurd, staat, aldus de president, zijn ongeschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen onvoldoende vast.

Immers, op grond van artikel 2 van de Regeling maatregelen samen met de daarbij behorende bijlage 1, bestaat bij het herhaaldelijk onder invloed besturen van een motorrijtuig uitsluitend een vermoeden van ongeschiktheid, waarvan vervolgens door een specialist aan de hand van andere bevindingen dient te worden beoordeeld of het gerechtvaardigd is. Een en ander klemt volgens de president temeer nu uit de twee rapporten op geen enkele wijze blijkt dat [rijbewijshouder] ongeschikt is tot het besturen van motorrijtuigen en er derhalve een discrepantie bestaat tussen de conclusie van de beoordelaar en de conclusie op basis van de DSM-IV-criteria, in welk geval de DSM-IV-classificatie niet mag worden gemaakt.

2.7. Zoals reeds uit haar uitspraken van 8 januari 1999 (in: AB 1999, 124), 3 juni 1999 en 8 juni 1999 (in: AB 1999, 292 resp. 293) valt op te maken, is de Afdeling van oordeel dat voor het beoordelen van de geschiktheid als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling zolang niet aannemelijk of aantoonbaar is (bij voorkeur blijkend uit een behandelingsverslag dat met schriftelijke toestemming van de betrokkenen is verkregen) dat zij met misbruik van het middel zijn gestopt. Is dat laatste het geval dan dient een recidiefvrije periode van minstens één jaar te zijn gepasseerd voordat herkeuring, op basis van een specialistisch rapport, zinvol is. Het al dan niet bestaan van defecttoestanden is dan een belangrijk punt van overweging. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die gebruik van alcohol en drugs opleveren voor de verkeersveiligheid. Ook de verkeerswetgeving stelt op dit punt duidelijke grenzen (zie artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994)."

2.9 Een onderzoek naar de rijgeschiktheid pleegt de Minister te laten uitvoeren door een psychiater, die dit verricht aan de hand van een classificatiesysteem van psychiatrische afwijkingen, de zogenoernde DSM-IV-criteria, zoals omschreven in een uitgave van de American Psychiatric Association, de 'Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, fourth Edition'. Tevens wordt een laboratoriumonderzoek uitgevoerd. Op basis van het psychiatrisch onderzoek, lichamelijk onderzoek en laboratoriumonderzoek stelt de psychiater, als medisch specialist, vast of sprake is van alcoholmisbruik.

2.10. In dit geval hebben beide psychiaters met behulp van de DSM-IV-criteria tot misbruik van alcohol geconcludeerd. Anders dan de president van oordeel is, is voor de totstandkoming van die diagnose door de medisch specialist niet van belang op grond van welk aantal en welke van de DSM-IV-criteria hij tot zijn oordeel komt.

Voorts is ter zitting van de kant van de Minister nadrukkelijk meegedeeld, en onweersproken gebleven, dat het tweemaal onder invloed een motorrijtuig besturen niet vanzelfsprekend tot het medisch oordeel 'misbruik van alcohol' leidt. De psychiater komt op grond van zijn specialistische kennis tot een eigen oordeel.

2.11. Vervolgens is appellant op grond van de conclusies van beide medici en op grond van de omstandigheid dat uit het (lichamelijk en laboratorium)onderzoek weliswaar naar voren is gekomen dat [rijbewijshouder] op of omstreeks 3 maart 1997 met misbruik van alcohol is gestopt, maar ten tijde van het tweede onderzoek nog geen recidiefvrije periode van een jaar was verstreken, tot het oordeel gekomen dat sprake is van een situatie als bedoeld in punt 8.8. van de bij de Regeling eisen geschiktheid behorende bijlage. Niet kan worden geoordeeld dat appellant zich op grond van deze omstandigheden niet op dit standpunt heeft kunnen stellen.

2.12. Nu appellant op goede gronden heeft geoordeeld dat [rijbewijshouder] niet voldoet aan de voor het besturen van een motorrijtuig gestelde eisen, is appellant, gelet op artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen, terecht tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs overgegaan.

Voor een afzonderlijke belangenafweging bestaat geen ruimte nu de wet- en regelgever reeds een volledige belangenafweging heeft gemaakt. Indien niet aan de geschiktheidseisen wordt voldaan weegt het algemeen belang van de verkeersveiligheid, gelet op de grote gevaren die alcoholgebruik in het verkeer voor andere weggebruikers oplevert, zwaarder dan het persoonlijk belang bij het behouden van het rijbewijs.

2.13 De Afdeling komt tot de conclusie dat het hoger beroep gegrond is.

De uitspraak van de president komt voor vernietiging in aanmerking. Deze vernietiging strekt zich uiteraard tevens uit over de door de president uitgesproken veroordeling van appellant in de door [rijbewijshouder] ter zake van zijn beroep gemaakte proceskosten (vastgesteld op f 1420,00) en omvat ook de aan de Staat (Ministerie van Verkeer en Waterstaat) opgelegde last tot vergoeding van het door [rijbewijshouder] voor dat beroep betaalde griffierecht.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling voorts het inleidende beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II vernietigt de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 19 oktober 1998, 98/837 BESLU en 981838 BESLU;

III verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr P.J. Boukema, Voorzitter, en mr J.H. Grosheide en mr F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr drs M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Boukema w.g. Broodman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 1999

198-204.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,