Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AA5046

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H01.98.2025
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap 8, geldigheid: 1999-11-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JN 1999/21

Uitspraak

Raad van State

H01.98.2025.

Datum uitspraak: 18 nov 1999

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie, appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 18 november 1998 in het geding tussen:

A te B

en

appellant.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 27 november 1995 heeft appellant een aanvraag van A om verlening van het Nederlanderschap afgewezen.

Bij besluit van 27 augustus 1997 heeft appellant het hiertegen door A gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 november 1998, verzonden op 24 november 1998, heeft de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door A tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 18 december 1998, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 1998, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 februari 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 mei 1999 heeft A een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juli 1999, waar appellant, vertegenwoordigd door mevrouw mr M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en A, vertegenwoordigd door mevrouw mr H. Martens, advocaat te Rotterdam, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de Rijkswet), voor zover hier van belang, komen voor verlening van het Nederlanderschap slechts in aanmerking verzoekers die in de Nederlandse samenleving als ingeburgerd kunnen worden beschouwd op grond van het feit dat zij beschikken over een redelijke kennis van de Nederlandse taal, en zij zich ook overigens in de Nederlandse samenleving hebben doen opnemen.

2.2. Appellant verstaat onder inburgering onder meer dat de aanvragende vreemdeling de in Nederland geldende rechtsbeginselen, waaronder dat van monogamie, neergelegd in de artikelen 33 en 69 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, in acht neemt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 10 november 1993, no. R02.92.5610, Rechtspraak Vreemdelingenrecht 1993/49, bestaat geen grond om te oordelen dat deze invulling van voormeld vereiste voor naturalisatie niet met de wet strookt of om andere redenen rechtens niet aanvaardbaar is.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de inschrijving van de ontbinding van de eerste twee huwelijken in het bevolkingsregister van de gemeente Rotterdam geen dwingend bewijs oplevert dat de verstoting rechtsgeldig is tot stand gekomen. Voorts heeft appellant zich volgens de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat uit de door A overgelegde documenten niet blijkt dat de eerste twee vrouwen uitdrukkelijk met de verstoting hebben ingestemd. Niettemin had appellant volgens de rechtbank nader dienen te onderzoeken of deze vrouwen wellicht stilzwijgend met de verstoting hebben ingestemd, dan wel zich hierbij hebben neergelegd. Zij heeft daartoe gewezen op de Wet Conflictenrecht Echtscheiding (hierna: de WCE).

2.4. Daargelaten of de WCE, gelet op de data van de desbetreffende verstotingen, in dit geval van toepassing is, ligt het, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet op de weg van appellant om te onderzoeken of de eerste twee echtgenotes van A stilzwijgend met de verstoting hebben ingestemd, dan wel zich er bij hebben neergelegd. Het was aan A om tegenover appellant aannemelijk te maken dat zijn eerdere huwelijken rechtsgeldig zijn ontbonden. Het vorenstaande houdt in dat de rechtbank ten aanzien van appellant ten onrechte een onderzoeksverplichting naar bovengenoemde omstandigheden heeft aangenomen.

2.5. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van A alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 18 november 1998, RWNL 97/3777-R3;

II. verklaart het door A bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr R.W.L. Loeb en mr M.R. Wijnholt, Leden, in tegenwoordigheid van mr M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel W.g. Wolff

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 1999

128-238.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,