Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AA4994

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-11-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H01.99.0521
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad vanState

H01.99.0521.

Datum uitspraak: 15 november 1999

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

V.o.f. Firma [appellant] te [vestigingsplaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot 1 en 2], appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 1 maart 1999 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 1997 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de Minister) het verzoek van appellante om subsidie op grond van artikel 2 van de Stimuleringsregeling innovatie markt en concurrentiekracht (Stcrt. 1997, 12; hierna: de Regeling) ten behoeve van de uitvoering van het project "innovatief intern transportsysteem" bestemd voor de orchideeënteelt, afgewezen.

Bij besluit van 17 april 1998, abusievelijk gedateerd 17 april 1997, heeft de Minister het door appellante hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 maart 1999, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door appellante tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 9 april 1999, bij de Raad van State ingekomen op 12 april 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 mei 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 juni 1999 heeft de Minister een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 1999, waar appellante, vertegenwoordigd door mr H.J.M. Winkelhuijzen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en de Minister, vertegenwoordigd door mr M.F. Komman, gemachtigde, vergezeld van ir. H.A.P. Davits, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1 in de Regeling zijn door de Minister regels neergelegd voor subsidieverstrekking.

Blijkens de bijbehorende toelichting geeft de Regeling invulling aan het programma 'stimulering van het innovatievermogen'. De doelstelling van dit programma is het vergroten van de markt en concurrentiekracht van de landbouw-, de visserij- en de bosbouwsector in Nederland door middel van het stimuleren van de eerste ontwikkeling van of praktijkexperimenten met innovaties op bedrijfsniveau. Uitgangspunten van het programma zijn onder meer: dat de vernieuwing van de ondernemingen zelf komt en dat de meest innovatieve projecten zullen worden ondersteund, dat innovaties zich kenmerken door een aanzienlijk financieel, technisch of organisatorisch risico, en dat bij de beoordeling van de aanvragen gebruik wordt gemaakt van een zogenoemde tenderprocedure opdat alleen de projecten die het meest bijdragen aan de doelstellingen voor een subsidie in aanmerking komen.

In artikel 1, aanhef en onder b, van de Regeling is bepaald dat in deze regeling onder innovatieproject wordt verstaan: een samenhangend geheel van activiteiten gericht op:

het creëren van nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, technieken, systemen, processen, diensten of organisatievormen tot aan - maar niet met inbegrip van - de commerciële toepassing op praktijkschaal, en

het verwerven van kennis ten behoeve van de onder het eerste streepje bedoelde activiteiten.

Volgens artikel 2 van de Regeling kan de Minister ter stimulering van het innovatieve vermogen in de landbouw-, de visserij- of de bosbouwsector op aanvraag subsidie verstrekken voor innovatieprojecten die:

a. zijn gericht op de productie, de be- of verwerking van of de handel in producten uit de landbouw, de visserij of de bosbouw in Nederland en

b. een duur van ten hoogste drie jaar hebben.

Volgens artikel 3, eerste lid, van de Regeling stelt de Minister ieder begrotingsjaar of per aanvraagperiode een subsidieplafond vast voor op grond van deze regeling te verstrekken subsidies en geeft hij hiervan kennis in de Staatscourant.

Volgens artikel 7, eerste lid, van de Regeling kan de Minister per kalenderjaar één of meer aanvraagperioden vaststellen.

Volgens artikel 10, eerste lid, van de Regeling beoordeelt de beoordelingscommissie in welke mate het innovatieproject: a. een innovatief karakter heeft,

b. economisch of technisch perspectief heeft op toepassing op praktijkschaal, en

c. een uitstralingseffect kan hebben voor toepassing door andere ondernemingen.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de beoordelingscommissie de Minister kan adviseren een aanvraag geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

In het derde lid van dit artikel is bepaald dat de beoordelingscommissie na de beoordeling van de innovatieprojecten advies uitbrengt aan de Minister in de vorm van een rangschikking van de aanvragen waarover de commissie ingevolge het tweede lid niet afwijzend adviseert, waarbij aanvragen:

a. hoger worden gerangschikt naarmate ze naar het oordeel van de beoordelingscommissie meer voldoen aan de in het eerste lid bedoelde criteria en

b. die in gelijke mate aan de in het eerste lid bedoelde criteria voldoen, hoger worden gerangschikt indien ze voldoen aan de door de Minister ingevolge artikel 7, derde lid, vastgestelde prioriteiten.

Volgens artikel 11, eerste lid, beslist de Minister op de aanvragen die in de betrokken aanvraagperiode zijn ingediend. De Minister beslist, gezien het advies van de beoordelingscommissie, gelijktijdig op de aanvragen die van een dergelijk advies zijn voorzien.

2.2 Op grond van de stukken gaat de Afdeling uit van het volgende.

Bij besluit van 10 januari 1997 (Stcrt. 1997, 12) heeft de Minister een aanvraagperiode van 20 januari 1997 tot en met 31 maart 1997 met een subsidieplafond van f 10.000.000,--, vastgesteld. De aanvraag van appellante van 26 februari 1997 is, na een door Laser (Dienst Landelijke Service bij regelingen van het ministerie) uitgevoerde projectanalyse, voorgelegd aan de deskundigencommissie "Sierteelt tot en met sorteren". Deze uit drie personen bestaande commissie heeft de aanvraag, na toetsing op voldoende innovativiteit, uitstraling, en economisch en technisch perspectief, beoordeeld met een C, hetgeen inhoudt dat niet aan alle criteria wordt voldaan. Daarbij is vermeld dat het project wel uitstraling heeft, maar niet innovatief is, omdat soortgelijke transportsystemen reeds bij andere gewassen worden toegepast, alsmede dat het slechts een relatief gering financieel risico heeft.

De beoordelingscommissie, die zich heeft laten leiden door het uitgangspunt dat het honoreren van overtuigend goede aanvragen de voorkeur verdient boven uitputting van het beschikbare budget, heeft van de 576 in de aanvraagperiode ingediende ontvankelijke aanvragen, er 32 beoordeeld met een A, 8 met een B, en 536 - waaronder die van appellante met een C. Beoordelingen met A en B houden in het advies om een bijdrage toe te kennen, waarbij projecten met een A hoger zijn ingeschaald dan projecten met een B. Beoordeling met een C betekent dat wordt geadviseerd geen bijdrage toe te kennen.

De Minister heeft zich in het bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde besluit, in navolging van de beoordelingscommissie, op het standpunt gesteld dat het project onvoldoende innovatief is in de zin van de Regeling. Naar de mening van de Minister betreft het project uitsluitend het door het oplossen van knelpunten optimaliseren van bestaande systemen.

2.3. Appellante heeft in beroep betoogd dat het systeem (nog) niet in andere sectoren wordt toegepast en dat het wel degelijk als innovatief is te beschouwen. Ter ondersteuning daarvan heeft zij verklaringen aan de rechtbank overgelegd. Zij heeft de rechtbank uitdrukkelijk verzocht een onafhankelijke deskundige te benoemen. Volgens appellante is de beslissing van de Minister onzorgvuldig voorbereid. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij in de gelegenheid had moeten worden gesteld het project aan de beoordelingscommissie toe te lichten en haar zienswijze over het advies uit te brengen. Verder was bij de hoorzitting in het kader van de bezwaarprocedure geen deskundige aanwezig was en is nimmer gebruik gemaakt van de uitnodiging om het project ter plekke te bezichtigen. De beslissing is, naar zij heeft betoogd, tevens in strijd met artikel 3:49 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is bepaald dat ter motivering van een besluit of een onderdeel daarvan kan worden volstaan met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies, indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven.

2.4 De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, overwogen dat niet kan worden ontkend dat in het door appellante ontwikkelde systeem duidelijke verbeteringen zijn aangebracht, maar dat het verbeteringen zijn aan een min of meer bestaand systeem, dat naar haar oordeel de Minister in redelijkheid tot het standpunt heeft kunnen komen dat het project niet innovatief is in de zin van de Regeling en dat zij daarbij betrekt dat de uitvoering van de Regeling door middel van een zogenoemde tenderprocedure is geschiedt.

2.5 In hoger beroep heeft appellante al haar in beroep aangevoerde bezwaren gehandhaafd. Zij heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte beroepsgronden onbesproken heeft gelaten en buiten het geschil is getreden, omdat zij in haar overwegingen heeft betrokken dat een zogenoemde tenderprocedure is gevolgd.

2.6 Naar het oordeel van de Afdeling valt appellante toe te geven dat de rechtbank niet uitdrukkelijk is ingegaan op haar bezwaren betreffende de zorgvuldigheid van de voorbereiding en de deugdelijkheid van de motivering van de beslissing op bezwaar alsmede niet uitdrukkelijk is ingegaan op haar verzoek om een deskundige te benoemen. In dit opzicht schieten de overwegingen van de rechtbank tekort.

Dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden valt echter niet in te zien. Het uitgangspunt, als in de Regeling onder meer met de tenderprocedure tot uitdrukking is gebracht, dat alleen de projecten die het meest bijdragen aan de doelstellingen voor een subsidie in aanmerking komen, heeft wel degelijk een rol gespeeld in de beoordeling.

Weliswaar voorziet het project in oplossingen van knelpunten doch dat betekent, mede gelet op het vorenoverwogene, nog niet dat die verbeteringen als voldoende innovatief in de zin van de Regeling hadden behoren te worden aangemerkt. Te meer niet nu, zoals ter zitting van de zijde van de Minister is toegelicht, in dit geval geen sprake is van hoge financiële risico's. Dat de Regeling op zich niet uitsluit dat ook verbeteringen aan een bestaand systeem innovatief kunnen zijn, doet daaraan niet af. Dit geldt evenzeer voor de in beroep overgelegde verklaringen en de in hoger beroep overgelegde innovatiemonitor, wat daarvan verder ook zij.

Het betoog van appellante dat de beslissing op bezwaar onzorgvuldig is voorbereid en op een ondeugdelijke motivering berust, kan niet worden onderschreven. Niet noodzakelijk is, daargelaten dat dit praktisch moeilijk uitvoerbaar is, dat iedere aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld zijn project nader toe te lichten. Voorts bieden de stukken geen aanknopingspunten op grond waarvan moet worden aangenomen dat de beoordelingscommissie en de in de bezwaarfase betrokken juristen in dit geval geen goed beeld van het project hebben gekregen. Anders dan appellante heeft betoogd is de omstandigheid dat in de bezwaarfase één van de sectordeskundigen, niet zijnde een adviseur in de zin van artikel 3:5 van de Awb, is geraadpleegd en diens naam niet bekend is gemaakt, niet onzorgvuldig te achten en evenmin in strijd met artikel 3:8 van de Awb. Aangezien de beslissing op bezwaar een zelfstandige motivering bevat, is van schending van artikel 3:49 van de Awb evenmin sprake.

Gezien het vorenoverwogene, bestaat voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige geen aanleiding en leidt hetgeen appellante heeft aangevoerd niet tot de conclusie dat de beslissing op bezwaar niet in stand kan blijven.

2.7 Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.8 Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr P.J. Boukema, Voorzitter, en mr J.H. Grosheide en mr J.A.M. van Angeren, Leden,

in tegenwoordigheid van mr R.P. Hoogenboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Boukema w.g. Hoogenboom

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 november 1999

119.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,