Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AA4990

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-11-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
E01.97.0522
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 1999/299 met annotatie van AWH
Module Ruimtelijke ordening 1999/2775
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

E01.97.0522.

Datum uitspraak: 1 november 1999

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten 1], beiden te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap "[appellant] Recycling Centrale B.V." te Utrecht,

3. de vereniging "Vereniging Landelijk Overleg Betuweroute" te Dordrecht,

4. de vereniging "Vereniging Schelluinen Spoorloos" te Goudriaan,

5. burgemeester en wethouders van Papendrecht,

6. [appellant 6] te [woonplaats],

7. de vereniging "de Bewonersvereniging Biiderhof" te Giessenburg, en

8. de besloten vennootschap "Samenwerkende Bedrijven ARBEZ b.v." te Hendrik-ldo-Ambacht appellanten,

en

1 . de Ministerraad van de Staat der Nederlanden, te dezen vertegenwoordigd door de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (verweerder sub 1) en

2. de Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (verweerder sub 2) verweerders

1 . Procesverloop

De Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft in zijn vergadering van 4 maart 1997 goedkeuring gehecht aan het Kabinetsstandpunt inzake de partiële herziening van de planologische kernbeslissing Betuweroute (deel 3). De eerste Kamer heeft het Kabinetsstandpunt niet behandeld zodat dit geacht moet worden te zijn goedgekeurd. De planologische kernbeslissing (deel 4) is vervolgens op 16 april 1997 gepubliceerd. (Hierna aangeduid als partiële herziening PKB Betuweroute.)

De Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, heeft op 26 september 1997 het Tracébesluit Betuweroute, tracédelen Kruising Vaanplein, Sophiatracé en Kruising Giessen vastgesteld. (Hierna aangeduid als tracébesluit.)

Tegen het tracébesluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 24 oktober 1997, bij de Raad van State ingekomen op 27 oktober 1997, appellante sub 2 bij brief van 6 november 1997, ingekomen bij de Raad van State op 7 november 1997, appellante sub 3 bij brief van 10 november 1997, bij de Raad van State ingekomen op 11 november 1997, appellante sub 4 bij brief van 10 november 1997, bij de Raad van State inkomen op 11 november 1997, appellanten sub 5 bij brief van 10 november 1997, bij de Raad van State ingekomen op 11 november 1997, appellante sub 6 bij brief van 10 november 1997, bij de Raad van State ingekomen op 11 november 1997, appellante sub 7 bij brief van 10 november 1997, bij de Raad van State ingekomen op 11 november 1997, en appellante sub 8 bij brief van 10 november 1997, bij de Raad van State ingekomen op 11 november 1997, beroep ingesteld. Deze brieven en eventuele bijlagen zijn aangehecht.

Tegen de partiële herziening PKB Betuweroute hebben ook appellanten sub 3, 4, 6 en 7 beroep ingesteld.

De Ministerraad, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer hebben een gezamenlijk verweerschrift ingediend met betrekking tot de beroepen inzake de partiële herziening PKB Betuweroute en het tracébesluit, gedateerd 30 maart 1998.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 28 oktober 1998. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 3, 4, 5 en 7 en verweerder sub 1 en 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 1999, waar appellanten sub 1, in persoon en vertegenwoordigd door mr H.J. Suyver, appellante sub 3, vertegenwoordigd door [appellant sub 6], appellante sub 4, vertegenwoordigd door W.F. van Duyn, appellanten sub 5, vertegenwoordigd door M.F. Kouwenberg en E. Witter, appellante sub 6, in persoon, en verweerders sub 1 en 2, vertegenwoordigd door mr E.C.M. Schippers, ir J.J. van Willigenburg, ir F.P.M. van Heijst, de heer Van de Berg en ir L.H. Reijnders, zijn verschenen.

Appellanten sub 2, 7 en 8 hebben zich niet laten vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1. In de partiële herziening PKB Betuweroute is de wijziging opgenomen van de bandbreedte voor vijf tracédelen van de Betuweroute, te weten: - de passage van het Vaanplein, - het Sophiatracé (de kruising van de Noord en omgeving), - de kruising met de Giessen, - de kruising met het Pannerdensch Kanaal en - de kruising van de Waal tussen Barendrecht en Heerjansdam. In de planologische kernbeslissing over de Betuweroute, waarvan de evengenoemde planologische kernbeslissing een herziening is, is de beslissing neergelegd een nieuwe achterlandverbinding voor het goederenvervoer per spoor aan te leggen die, globaal gesproken, begint bij het Rotterdams Havengebied en eindigt ter hoogte van Zevenaar (verder te noemen: de Betuweroute). De Afdeling heeft bij uitspraak van 31 januari 1997, no. E01.95.0276, (AB 1997, 210; BR 1997, blz. 913) uitspraak gedaan over de daartegen ingestelde beroepen. Verweerder sub 1 heeft de planologische kernbeslissing Betuweroute aangemerkt als een planologische kernbeslissing over een groot project van nationaal belang. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat ook de partiële herziening als zodanig kan worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 39 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening worden, voorzover een dergelijke planologische kernbeslissing concrete beleidsbesiissingen bevat, bij de nadere besluitvorming over zodanige projecten de bij die beleidsbeslissingen te bepalen grenzen of beperkingen in acht genomen. In de Tracéwet is de juridische en procedurele doorwerking geregeld van dergelijke grote projecten die betrekking hebben op de aanleg van een hoofdweg, landelijke railweg of hoofdvaarweg.

Artikel 21 van de Tracéwet bepaalt dat op de nadere besluitvorming over de aanleg van een hoofdweg, landelijke railweg of de hoofdvaarweg ten aanzien waarvan een planologische kernbeslissing van kracht is als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, uitsluitend de (verkorte) bijzondere procedure van hoofdstuk V van de Tracéwet van toepassing is. Het door verweerder sub 2 vastgestelde tracébesluit Betuweroute, tracédelen kruising Vaanplein, Sophiatracé en kruising Giessen, bevat de nadere besluitvorming over de Betuweroute in het kader van de in hoofdstuk V van de Tracéwet geregelde procedure waarbij het tracé van de Betuweroute is bepaald, ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Tracéwet met inachtneming van de partiële herziening van de PKB Betuweroute, met uitzondering van de Waal en het Pannerdensch Kanaal.

2.2. Ten aanzien van haar bevoegdheid kennis te nemen van de ingestelde beroepen inzake de partiële herziening van de PKB Betuweroute overweegt de Afdeling als volgt.

2.2.1. Ingevolge artikel 2a, tiende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan, voorzover een of meer onderdelen van een planologische kernbeslissing zijn aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, een ieder hiertegen beroep instellen bij de Afdeling.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Wil een onderdeel van een planologische kernbeslissing worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 2a, tiende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, dan dient dit onderdeel, gelet op de in de wetsgeschiedenis in dit verband gebruikte term "concrete beleidsbeslissing", naar het oordeel van de Afdeling wat betreft drie te onderscheiden aspecten een voldoende mate van concreetheid te bezitten.

Ten eerste dient het planonderdeel concreet tot uitdrukking te brengen dat verweerder sub 1, als verantwoordelijk bestuursorgaan, ten tijde van de vaststelling van de planologische kernbeslissing heeft beoogd met het desbetreffende planonderdeel een afgewogen beslissing te nemen.

Ten tweede dient de plaats of het gebied waarvoor deze beslissing geldt voldoende concreet te zijn bepaald.

Ten derde moet het beoogde project of de ruimtelijke ontwikkeling voldoende concreet zijn aangegeven. Omtrent de laatste twee criteria overweegt de Afdeling dat de aard van projecten of ingrepen enerzijds en de plaats of het gebied waar deze zijn gedacht anderzijds, vaak zodanig samenhangen dat de vereiste mate van concreetheid in onderling verband zal moeten worden bezien. De Afdeling constateert dat de partiële herziening PKB Betuweroute uitsluitend ziet op de wijziging van de bandbreedte voor vijf tracédelen.

2.2.2. In de hiervoor genoemde uitspraak van 31 januari 1997 heeft de Afdeling de plandelen van de planologische kernbeslissing Betuweroute betreffende het horizontale verloop en de hoogteligging van het tracé inclusief de bijbehorende bandbreedtes als een besluit in de zin van artikel 2a, tiende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, aangemerkt. De Afdeling is dan ook van oordeel dat, nu de partiële herziening de wijziging van de bandbreedte voor genoemde tracédelen betreft, deze onderdelen van de partiële herziening eveneens als besluit in de zin van artikel 2a, tiende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht kunnen worden aangemerkt.

2.3. In artikel 24, vijfde lid, van de Tracéwet is het volgende bepaald. Voorzover een belanghebbende tegen een of meer onderdelen van een planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening beroep kan instellen, vangt, in afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht, de beroepstermijn ter zake van die onderdelen aan met ingang van de dag waarop beroep kan worden ingesteld tegen het op de planologische kernbeslissing berustende tracébesluit. Indien niet binnen een jaar na het van kracht worden van de planologische kernbeslissing een daarop rustend tracébesluit is vastgesteld, vangt de beroepstermijn aan met ingang van de dag waarop dat jaar is verstreken. Het tracébesluit Betuweroute, tracédelen kruising Vaanplein, Sopoiatracé en kruising Giessen, is binnen een jaar na het van kracht worden van de partiële herziening PKB Betuweroute vastgesteld. In overeenstemming met artikel 24, vijfde lid, is de beroepstermijn inzake de partiële herziening PKB Betuweroute, voorzover die betrekking heeft op de in het tracébesluit aan de orde zijnde tracéonderdelen, gelijktijdig met die van het tracébesluit aangevangen. Gelet op het oogmerk van de wetgever dienaangaande en een doelmatige procesvoering voegt de Afdeling de beroepen. In dat kader wordt eerst globaal de bandbreedte beoordeeld en vervolgens zullen de bezwaren bij de verschillende tracéonderdelen worden besproken.

2.4. Voorzover thans aan de orde voorziet de partiële herziening PKB Betuweroute in de aanpassing van de bandbreedte van de volgende onderdelen. Hierbij is tevens aangegeven wat de reden is van deze aanpassing.

2.4.1. Vaanplein. Ter hoogte van het Vaanplein, het verkeersknooppunt ten zuiden van Rotterdam waar de autosnelwegen Al 5 en A29 elkaar kruisen, is tussen km 202,7 - km 200,4 de verticale bandbreedte aangepast. Blijkens de nota van toelichting van de partiële herziening PKB Betuweroute loopt de Betuweroute via een verdiepte ligging onder het Vaanplein door. Tijdens de verdere uitwerking van het tracé werd duidelijk dat hier ook een andere oplossing mogelijk was, inhoudende dat de verbindingsboog voor het autoverkeer komende van Ridderkerk naar de Heinenoordtunnel wordt vervangen door een fly-over. De Betuweroute kan dan vrijwel op maaiveld onder het verkeersplein worden aangelegd. Dit zogenaamde "maaiveldalternatief" betekent dat de aanleg van de Betuweroute sterk vereenvoudigd wordt waarbij een duurzame en functionele oplossing mogelijk wordt. Voor het wegverkeer betekent dit dat een betere doorstroming en een hogere verkeersveiligheid eerder dan gepland gerealiseerd kunnen worden. In verband met deze wijziging van de bandbreedte is een beschrijving van het nieuwe plan gemaakt en zijn de milieueffecten van dat plan beschreven in de Planbeschrijving en Aanvulling op het MER Betuweroute, kruising Vaanplein (PAMER, kruising Vaanplein). Hieruit blijkt dat er zeer beperkte verschillen waarneembaar zijn tussen de verdiepte ligging, alternatief zoals voorzien in de PKB Betuweroute, en de maaiveldvariant, zoals in de partiële herziening voorzien.

Sophiatracé Voor het Sophiatracé is tussen km 324,9 - km 8,0 de verticale bandbreedte verruimd. Blijkens de Nota van Toelichting is de in de PKB Betuweroute gehanteerde verticale bandbreedte ter plaatse van het Sophiatracé gebaseerd op het ontwerp van een tunnel met afgezonken elementen. In het kader van de heroverweging van het project is door NS Railinfrabeheer B.V. opnieuw bekeken of een geboorde tunnel voor het Sophiatracé financieel en (milieu)technisch concurrerend zou kunnen zijn met een afgezonken tunnel. In dat kader heeft ook een verkenning plaatsgevonden van de milieuaspecten van een geboorde tunnel, waaruit is gebleken dat voor de meeste aspecten het boortunnelalternatief gunstiger is dan het zinktunnelalternatief. Dit geldt zowel voor de effecten op bodem en waterhuishouding, de geluideffecten, de ecologische effecten als voor de landschappelijke effecten en de effecten op de ruimtelijke ordening. Met de in de herziening opgenomen wijziging van de bandbreedte beoogt verweerder sub 1 de aanleg van een geboorde tunnel ter plaatse van het Sophiatracé mogelijk te maken.

Kruising met de Giessen

Ter hoogte van de kruising met het riviertje de Giessen is tussen km 17,3 - km 19,1 de bandbreedte gewijzigd in die zin, dat alleen de tunnelvariant mogelijk is. Uit de Nota van Toelichting blijkt dat deze wijziging verband houdt met een suggestie van de Commissie Betuweroute voor een verbetering van het tracé voor de passage van het riviertje de Giessen. In de PKB Betuweroute was voorzien in een brug. Door de toepassing van een tunnel in plaats van een brug wordt tegemoet gekomen aan het bezwaar dat een visuele barrière ontstaat in dit landschappelijk en recreatief aantrekkelijke gebied. De milieueffecten zijn onderzocht in de Planbeschrijving en Aanvulling op het MER Betuweroute, kruising Giessen (PAMER, kruising.Giessen). Hieruit blijkt dat het tunnelalternatief minder nadelige milieueffecten veroorzaakt dan het brugalternatief.

2.4.2. De Vereniging Landelijk Overleg Betuweroute, de Vereniging Schelluinen Spoorloos, [appellant 6] en de Bewonersvereniging "Bilderhof" hebben onder meer beroep ingesteld tegen de partiële herziening PKB Betuweroute. De Vereniging Landelijk Overleg Betuweroute heeft in haar beroepschrift waarbij de Vereniging Schelluinen Spoorloos, [appellant 6] en de Bewonersvereniging "Bilderhof" zich hebben aangesloten, allereerst verwezen naar alle reeds eerder aangevoerde argumenten in het kader van de PKB Betuweroute. De Afdeling verwijst met betrekking tot deze argumenten naar haar uitspraak van 31 januari 1997. De Afdeling ziet geen aanleiding in het kader van de thans voorliggende beroepen tot een ander oordeel te komen.

2.4.3. Appellanten hebben voorts ten aanzien van de gekozen bandbreedte naar voren gebracht dat het mogelijk is tunnels aan te leggen die geschikt zijn voor double stack, het goederenvervoer waarbij containers op elkaar worden gestapeld. Zij wensen duidelijkheid over het al dan niet invoeren van double stack. De Afdeling stelt voorop dat het voorliggende tracébesluit in samenhang met de andere tracédelen van de Betuweroute, en zoals zij ook heeft overwogen in haar uitspraak van 28 mei 1998, no. E01.96.0532, in het kader van de beroepen tegen het tracébesluit Betuweroute double stackvervoer niet mogelijk maakt. Uit het deskundigenbericht is gebleken dat voor een rechthoekige tunnel onder de Giessen een extra hoogte ten behoeve van double stack ten opzichte van het normale profiel nodig is van 1,40 m. Voor de geboorde tunnels bedraagt deze extra hoogte 1, 10 m. Niet is gebleken dat deze extra diepte tot nadelige gevolgen voor het milieu zal leiden. Voorts zal het definitieve besluit over de toekomstvaste diameter van de tunnels van de onderdelen van de Betuweroute die hier aan de orde zijn eerst in een later stadium worden genomen. Weliswaar is er, zoals appellanten ook aangeven, de notitie Milieuaspecten Double Stack uitgebracht, maar de Minister van Verkeer en Waterstaat heeft in een brief aan de Vaste Commissie voor Verkeer en Waterstaat van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 16 maart 1998 onder meer geschreven dat de resultaten van de verkenning een keuze voor het volledig geschikt maken van de Betuweroute voor double stackvervoer, gezien de daarvoor noodzakelijke extra investering in de orde van grootte van f 1 miljard, op dit moment niet rechtvaardigen. Echter, omdat niemand kan voorzien welke ontwikkelingen zich in het spoorgoederenvervoer over 20 á 30 jaar zullen voordoen, is het naar het oordeel van verweerder sub 1 om strategische redenen zinvol om de double stackoptie in technische en ruimtelijke zin open te houden. Bepalend voor het al dan niet in de toekomst mogelijk maken van double stackvervoer zijn de diameters van (vijf) tunnels in het tracé voor de Betuweroute. Het is immers onmogelijk om de diameter van een eenmaal in de slappe Nederlandse bodem aangelegde tunnel later te vergroten." De Afdeling is dan ook van oordeel dat verweerder sub 1 bij het vaststellen van de partiële herziening de mogelijkheid voor het double stackvervoer op lange termijn niet bij voorbaat had moeten uitsluiten.

2.4.4. Appellanten hebben bezwaar tegen de bandbreedte bij de kruising van de Giessen, omdat de aanleg van een tunnel zoals thans voorzien niet het meest milieuvriendelijke alternatief is. Zij wensen een boortunnel. Bovendien zijn er naar hun mening oplossingen mogelijk die niet resulteren in overlast, zoals een boortunnel in een rechte lijn van Sliedrecht tot voorbij Gorinchem. Een aantal appellanten geeft de voorkeur aan een brug, omdat bij deze variant "De Bilderhof" in zijn geheel verplaatst zal worden. De Afdeling wijst er allereerst op dat de partiële herziening van de PKB Betuweroute alleen ziet op de aanpassing van de verticale bandbreedte tussen km 17,3 - km 19,1. De horizontale bandbreedte en de verticale bandbreedte buiten dit onderdeel van het tracé staan hier niet meer ter beoordeling. Het voorstel van appellanten ten aanzien van de ligging van het tracé in een rechte lijn van Sliedrecht tot voor Gorinchem valt buiten de reikwijdte van deze partiële herziening van de PKB Betuweroute en kan derhalve niet aan de orde komen. Zoals hierboven reeds is overwogen voorziet een tunnel in de oplossing van de visuele barrière in het landschappelijk en recreatief aantrekkelijk gebied en veroorzaakt het tunnelalternatief minder nadelige milieueffecten dan de brugvariant. Voorts is de Afdeling uit de stukken gebleken dat een tunnel minder geluidhinder tot gevolg zal hebben. Met betrekking tot de voorkeur van een aantal appellanten voor een brug overweegt de Afdeling dat haar uit de stukken noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat bij keuze voor de brugvariant "De Bilderhof" in zijn geheel zal worden verplaatst. Nu de milieueffecten van een tunnel minder nadelig zijn, is de Afdeling van oordeel dat verweerder sub 1 op goede gronden voor een tunnel heeft gekozen. Uit de Nota van Toelichting blijkt dat verweerder sub 1 niet heeft onderzocht of de tunnel onder de Giessen eventueel zou kunnen worden geboord. Gezien de geringe lengte van de tunnel acht verweerder sub 1 de kans klein dat een geboorde tunnel voor dit tracédeel even duur zou kunnen zijn als een afgezonken tunnel. Dit standpunt komt de Afdeling niet onaannemelijk voor. Het vorenstaande in aanmerking genomen is de Afdeling van oordeel dat verweerder sub 1 op goede gronden tot aanpassing van de verticale bandbreedte tussen km 17,3 - km 19,1 heeft kunnen komen.

2.4.5. In zoverre zijn de beroepen van de Vereniging Landelijk Overleg Betuweroute, de Vereniging Schelluinen Spoorloos, [appellant 6] en de Bewonersvereniging "Bilderhof" ongegrond.

2.5. In het hiernavolgende zal de Afdeling bezwaren van appellanten op tracéniveau behandelen.

2.6. Het voorliggende tracébesluit heeft betrekking op drie tracégedeelten van de Betuweroute. Twee tracégedeelten bestaan uit de ontbrekende delen van het tracé, te weten de passage van het Vaanplein en de kruising met de Giessen. Voor één tracédeel, het Sophiatracé, is het tracébesluit een herziening van het op 26 november 1996 vastgestelde tracébesluit Betuweroute.

2.7. De Vereniging Landelijk Overleg Betuweroute, de Vereniging Schelluinen Spoorloos, [appellant 6] en de Bewonersvereniging "Bilderhof" hebben verwezen naar alle reeds eerder aangevoerde argumenten in het kader van de Betuweroute. De Afdeling verwijst met betrekking tot deze argumenten naar haar eerdergenoemde uitspraken van 31 januari 1997 en 28 mei 1998 in het kader van de beroepen tegen de PKB Betuweroute en het tracébesluit Betuweroute. De Afdeling ziet geen aanleiding in het kader van de thans voorliggende beroepen tot een ander oordeel te komen.

2.7.1. Voorts hebben deze appellanten erop gewezen dat de geluidberekeningen die ten behoeve van de Betuweroute zijn gemaakt onjuist zijn. Zij hebben daarbij verwezen naar het rapport van Ingenieursbureau Ulehake. De Afdeling overweegt met betrekking tot dit bezwaar allereerst het volgende. Uit de stukken blijkt dat ten behoeve van de kruising Vaanplein, de Sophiatunnel en de kruising met de Giessen afzonderlijk akoestische onderzoeken zijn ingesteld die zijn neergelegd in drie rapporten. Op 3 maart 1997 is in werking getreden de Regeling wijziging van het Reken- en Meetvoorschrift Railverkeerslawaai van 1 februari 1997. Ten tijde van de in inwerkingtreding van de partiële herziening van de planologische kernbeslissing Betuweroute en het nemen van het hier aan de orde zijnde tracébesluit was derhalve het gewijzigde Reken- en Meetvoorschrift Railverkeerslawaai (hierna te noemen: Reken- en Meetvoorschrift Railverkeerslawaai 1996) van toepassing. De Afdeling constateert dat bij de akoestische onderzoeken voor de Sophiatunnel en de kruising met de Giessen het Reken- en Meetvoorschrift Railverkeerslawaai 1987 is toegepast. Ingevolge artikel 111 van de Regeling wijziging van het Reken- en Meetvoorschrift Railverkeerslawaai kan, voor zover hier van belang, het oude Reken- en Meetvoorschrift van toepassing blijven op de bepaling van de geluidbelasting van een spoorweg indien het verschil tussen het emissiegetal dat gebruikt is bij het opstellen van het akoestisch onderzoek en het emissiegetal bepaald aan de hand van de prognosegegevens zoals vastgelegd in het emissieregister, bedoeld in het voorschrift zoals dat luidt na inwerkingtreding van deze regeling, kleiner is dan 3 dB(A) en een trajectnota als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Tracéwet ter inzage is gelegd. In de hiervoor genoemde uitspraken van 31 januari 1997 en 28 mei 1998 heeft de Afdeling reeds geaccepteerd dat het verschil tussen de in het Reken- en Meetvoorschrift Railverkeerslawaai 1987 en 1996 gehanteerde rekenmethoden + 3 dB(A) bedraagt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in een brief aan de Tweede Kamer van 11 juni 1996 een emissieplafond heeft vastgesteld in die zin dat de in het tracébesluit Betuweroute vastgestelde geluidbelasting en met name de daarin vastgelegde hogere waarden niet mogen worden overschreden. In de uitspraak van 28 mei 1998 heeft de Afdeling het hanteren van een emissieplafond reeds aanvaardbaar geacht.

Naar uit het verhandelde ter zitting is gebleken heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het emissieplafond ook voor het thans aan de orde zijn de tracébesluit van toepassing geacht. Voorts is ter zitting verklaard dat genoemde Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer te allen tijde aan het emissieplafond kan worden gehouden. Uit de stukken blijkt dat in ieder geval door het gebruik van de betonnen dwarsliggers, de zogenoemde monoblocks, in plaats van houten dwarsliggers de geluidbelasting met 2 dB(A) zal afnemen. Voorts is het mogelijk de snelheid te verlagen, hetgeen bij een snelheid van 85 km/uur leidt tot een afname van 1 dB(A). De combinatie van deze maatregelen leidt tot het opheffen van de verschillen bij de toepassing van het oude en nieuwe Reken- en Meetvoorschrift Railverkeerslawaai. De Afdeling is van oordeel dat, hoewel verweerder sub 2 bij de akoestische onderzoeken voor het Sophiatracé en de kruising de Giessen het Reken- en Meetvoorschrift Railverkeerslawaai 1996 had moeten toepassen, dit niet tot vernietiging van het tracébesluit hoeft te leiden, nu de verschillen door het hanteren van een emissieplafond en de in dat kader te nemen maatregelen teniet zullen worden gedaan. In zoverre worden appellanten niet in hun belangen geschaad. Ten aanzien van het rapport van Ingenieursbureau Ulehake overweegt de Afdeling allereerst dat er 2 versies van dit rapport bestaan, nl. één van 6 november 1997 in opdracht van de Exploitatiemaatschappij De Zeiving en de Stichting Duurzame Mobiliteit en één van 24 februari 1998 in opdracht van DCMR Milieudienst Rijnmond en milieudienst Zuid-Holland Zuid. De conclusies van deze rapporten komen overeen. In de rapporten staat dat de gehanteerde wettelijke rekenmethode voor de Betuweroute uit 1987 een onderschatting geeft van de geluidbelasting van 6 dB(A) en een onderschatting van 3 dB(A) bij de nieuwe rekenmethode uit 1996. Verweerder sub 2 heeft deze rapporten van Ingenieursbureau Ulehake voorgelegd aan TNO Technische Physische Dienst TIJ Delft (TNO-TPD). In een rapport van 7 april 1999 kwam TNO-TPD onder meer tot de volgende conclusies. De geluidmetingen van Ingenieursbureau Ulehake aan goederentreinen lijken zodanig uitgevoerd dat de resultaten bruikbaar zijn voor het bepalen van de geluidemissie in dB(A), met uitzondering van een meting op één locatie; de meetserie van Ingenieursbureau Ulehake is niet wezenlijk betrouwbaarder of onbetrouwbaarder te achten dan de meetserie van NS-TO; een berekening op grond van de meetgegevens uit beide meetseries leidt bij een snelheid van 70 km/uur of hoger tot een 1 dB(A) hogere geluidemissie dan op basis van het Rekenen Meetvoorschrift Railverkeerslawaai 1996. Daargelaten de vraag in hoeverre de conclusies van Ingenieursbureau Ulehake en de Technische Physische Dienst TU Delft juist zijn, wijst de Afdeling erop, dat zoals hiervoor reeds is overwogen, een emissieplafond is vastgesteld waaraan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kan worden gehouden. Indien het emissieplafond wordt overschreden zullen operationele maatregelen worden genomen. Verweerder sub 2 heeft overigens ter zitting aangegeven dat het de vraag is of het emissieplafond zal worden overschreden. Immers door verbeteringen aan het materieel en de spoorbaan, zoals het regelmatig slijpen van rails, zal de geluidbelasting kunnen worden teruggedrongen.

Voorts is ter zitting door verweerder sub 2 toegezegd dat na het in gebruik nemen van de Betuweroute regelmatig zal worden getoetst in hoeverre het geluid van de Betuweroute onder het gegarandeerde emissieplafond blijft. Hiertoe worden controlemethodieken ontwikkeld. Het vorenstaande in aanmerking genomen is de Afdeling van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de geluidbelasting niet hoger zal uitkomen dan in de akoestische rapporten, die aan het tracébesluit ten grondslag liggen, is vermeld, zodat in deze bezwaren van appellanten geen reden kan zijn gelegen het tracébesluit te vernietigen. De beroepen van de Vereniging Landelijk Overleg Betuweroute, de Vereniging Schelluinen Spoorloos, [appellant 6] en de Bewonersvereniging "Bilderhof" zijn dan ook wat dit punt betreft ongegrond.

2.8. Sophiatracé Dit tracé heeft betrekking op het gedeelte tussen km 324,9 - km 8,0. Van Kijfhoek tot na de kruising met de N3/N214 ten noorden van Papendrecht (km 7,3) bestaat het tracébesluit uit een groot kunstwerk. Van km 7,3 -km 8,0 is sprake van maaiveldligging. Vanaf km 7,42 zijn wachtsporen aanwezig die tot voorbij km 8,0 lopen. Het kunstwerk bestaat globaal uit vier delen, een open bak in de toerit op Kijfhoek en een tunnel onder de sporen Dordrecht - Rotterdam, een tunnel direct onder maaiveld (de westelijke verdiepte ligging), een geboord tunneldeel met aan beide zijden een schachtgebouw en een dieper gelegen tunneldeel (de diepe toeritten) en een open tunnelbak als oostelijke toerit.

2.8.1. Samenwerkende Bedrijven ARBEZ b.v. exploiteert aan de Veersedijk 269, op de westelijke oever van de Rietbaan, een aantal reparatie- en sloopbedrijven. Zij kan zich niet verenigen met het tracébesluit, omdat daaruit onvoldoende blijkt dat een onbelemmerde doorgang met voldoende diepgang van de Rietbaan zal worden gegarandeerd. Een afsluiting van de Rietbaan acht appellante echter onaanvaardbaar gelet op haar bedrijfsactiviteiten op de oever van de Rietbaan. Uit de stukken blijkt dat de bedrijven van appellante ten zuiden van het tracé liggen ter hoogte van km 2,9 aan de westelijke oever van de Rietbaan. De bedrijven van appellante houden zich vooral bezig met het repareren en slopen van vaartuigen. De Afdeling constateert dat appellante ten aanzien van de afsluiting van de Rietbaan kennelijk uitgaat van het tracé zoals dat in het tracébesluit Betuweroute van 26 november 1996 is vastgesteld. Hierbij ging het om een ingegraven en deels afgezonken tunnel. In het tracé zoals in het voorliggende tracébesluit is voorzien, wordt echter uitgegaan van een geboorde tunnel. Blijkens het bij het tracébesluit behorende kaartblad 2 zal de bovenkant van het geboorde tunnelgedeelte circa 13 m onder de bodem van de Rietbaan komen te liggen. Voorts blijkt uit de bij het tracébesluit behorende toelichting dat de kruisende infrastructuur, waaronder de Veersedijk en de Rietbaan, door de Betuweroute ongemoeid zal worden gelaten. De Afdeling is dan ook van oordeel dat zowel tijdens de aanleg als tijdens de exploitatie van de Betuweroute de diepgang van de Rietbaan en de doorgang voor de schepen onbelemmerd zal blijven. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding om tot vernietiging van het tracébesluit over te gaan, zodat het beroep van Samenwerkende Bedrijven ARBEZ b.v. ongegrond is.

2.8.2. [appellant] Recycling Centrale B.V. kan zich niet verenigen met het tracébesluit, vanwege de ernstige belemmering voor de ontwikkeling van een bedrijventerrein op haar gronden. Uit de stukken blijkt dat appellante eigenaar/erfpachter is van de direct ten oosten van de rivier de Noord, ongeveer ter hoogte van km 3,8 - km 4,3 van het tracé gelegen polder Het Nieuwland. Deze polder heeft een oppervlakte van circa 60 ha. Appellante wenst ter plaatse een bedrijventerrein met onder meer een puinbreekinstallatie te realiseren. De Betuweroute is ter plaatse ondergronds voorzien en zal als boortunnel worden aangelegd. Blijkens het bij het tracébesluit behorende kaartblad 11 is aan de gronden van appellante over een strook van circa 55 m breed en 400 m lang de aanduiding "Spoorzone met aslijnen" gegeven. Aan weerszijden van deze strook is over een breedte variërend van 40 m tot 50 m een "Bouwzone" opgenomen met de nadere aanduiding "zone met bovengrondse gebruiksbeperking voor polder Nieuwland". De stroken betreffen respectievelijk circa 2 ha en 3,5 ha. Uit de stukken blijkt dat deze gronden ten behoeve van de "Spoorzone met aslijnen" zullen worden verworven. Hierbij zal een horizontale eigendomssplitsing plaatsvinden met daaraan gekoppeld een gebruiksbeperking met erfdienstbaarheden en kwalitatieve verplichtingen. Dit houdt in dat deze strook na aanleg van de Betuweroute niet mag worden bebouwd, maar dat er eventueel een weg dan wel een parkeerterrein mag worden aangelegd. De gronden die zijn aangewezen als "Bouwzone" zullen niet worden verworven. Uit de stukken blijkt dat hier tijdens de aanleg beperkingen zullen gelden, maar dat hierop na de aanleg van de tunnel met enige beperkingen gebouwen kunnen worden gebouwd. Overigens wijst de Afdeling erop dat de op het hiervoor genoemde kaartblad 11 opgenomen nadere aanduiding "zone met bovengrondse gebruiksbeperking voor polder Nieuwland" niet in de bepalingen van het tracébesluit is opgenomen. De Afdeling constateert dat appellante als gevolg van de aanleg van de Betuweroute wel in enige mate beperkingen zal ondervinden bij het gebruik van de gronden. Zij stelt verder vast dat het slechts om een beperkt gedeelte van de polder Het Nieuwland gaat en dat niet is gebleken dat appellante reeds duidelijk omlijnde plannen heeft voor deze gronden, zodat de gronden van het bedrijventerrein nog op zodanige wijze kunnen worden ingericht dat appellante geen onaanvaardbare beperkingen bij de exploitatie van het terrein zal ondervinden. Voorzover appellante als gevolg van de aanleg van de Betuweroute schade zal lijden, overweegt de Afdeling dat artikel 21 van de bij het tracébesluit behorende bepalingen ziet op financiële schadecompensatie. Deze bepaling komt overeen met de bepaling betreffende de financiële schadecompensatie zoals opgenomen in het tracébesluit Betuweroute. Ten aanzien van eventuele schade heeft de Afdeling in voornoemde uitspraak van 28 mei 1998 overwogen dat in afdoende schaderegelingen is voorzien in welk kader schade kan worden vergoed. De Afdeling ziet geen aanleiding thans tot een ander oordeel te komen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding om tot vernietiging van het tracébesluit over te gaan, zodat het beroep van [appellant] Recycling Centrale B.V. ongegrond is.

2.8.3 Burgemeester en wethouders van Papendrecht kunnen zich niet met het tracébesluit verenigen, omdat zij onder meer twijfelen aan de juistheid van de akoestische onderzoeken. Zij verwijzen daarbij naar het rapport van Ingenieursbureau Ulehake van februari 1998. De bezwaren richten zich verder tegen de wachtsporen. Zij vragen zich af of de veiligheid voldoende is gewaarborgd en of de wachtsporen niet vallen onder het Inrichtingen- en Vergunningenbesluit Milieubeheer. Voorzover appellanten wensen dat in het kader van de tegemoetkoming planschadekosten ook de proceskosten worden vergoed hebben zij ter zitting gesteld dat dit bezwaar geen aandacht meer behoeft. Derhalve kan dit bezwaar buiten bespreking blijven. Met betrekking tot de bezwaren tegen de akoestische rapporten verwijst de Afdeling naar hetgeen hierover bij de behandeling van het beroep van de Vereniging Landelijk Overleg Betuweroute is overwogen. Met betrekking tot de wachtsporen overweegt de Afdeling het volgende. In het tracébesluit, zoals het hier voorligt, zijn tussen km 7,4 - km 8,0 wachtsporen opgenomen. Uit de stukken blijkt dat de functie van wachtsporen in beginsel vergelijkbaar is met die van vluchtstroken langs snelwegen. In de baan is een systeem (hot-box detectiesysteem) opgenomen waardoor warmlopende assen kunnen worden gedetecteerd. Volgens verweerder sub 2 is het van belang een trein met dergelijke assen van het doorgaande spoor te kunnen halen om ongelukken te voorkomen. Het gebruik van wachtsporen is in beginsel hiertoe beperkt en derhalve incidenteel van aard. Op de wachtsporen zullen geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Blijkens het verweerschrift is vergunningverlening derhalve niet aan de orde. De Afdeling acht dit standpunt juist. Voorts is de Afdeling voldoende aannemelijk geworden dat de veiligheid als gevolg van de aanwezigheid van wachtsporen niet in het gedrang komt. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding om tot vernietiging van het tracébesluit over te gaan, zodat het beroep van burgemeester en wethouders van Papendrecht ongegrond is.

2.9. De Giessen

Ten westen van de Giessen loopt het tracé door de polder Binnentiendsweg. Hier ligt de spoorbaan circa 2 m boven maaiveld op een aardenbaan. Ongeveer bij km 17,5 begint de spoorbaan te dalen in een open bak. Ongeveer vanaf km 18,0 ligt de Betuweroute in een gesloten tunnel die met grond wordt afgedekt. De tunnel gaat onder de westelijke Giessendijk met de Binnendamseweg, de westelijke uiterwaarden, de Giessen, de oostelijke uiterwaarden met het bungalowpark "De Bilderhof" en de oostelijke dijk met de Neerpolderseweg door. Na de kruising met de Neerpolderseweg ligt de tunnel weer zo hoog dat er een verhoging in het landschap zichtbaar is. De betonnen constructie wordt afgedekt met grond en er worden grastaluds tegen de wanden aangebracht zodat de toerit van een afstand enigszins op een dijk lijkt. Bij km 18,5 eindigt de tunnel en gaat de spoorbaan in een open bak omhoog. In de polder Giessen-Nieuwkerk komt het tracé bij km 18,9 weer bovengronds. In het vervolgtraject ligt de Betuweroute op een aardenbaan op circa 2 m boven maaiveld.

2.9.1. [appellanten 1] kunnen zich niet met het tracébesluit verenigen, omdat zij een perceel van 1025 m' moeten afstaan voor een tijdelijk parkeerterrein ten behoeve van de bewoners van "De Bilderhof". Zij vrezen dat een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat zal ontstaan. Over dat parkeerterrein is nooit met hen overleg gevoerd, terwijl zij het absurd vinden om gronden te moeten afstaan voor niet ingezetenen van de gemeente. Zij stellen dat het parkeerterrein beter kan worden aangelegd naast […]weg 112. Blijkens de stukken wonen appellanten op de […]weg 81 te [woonplaats]. Het perceel van appellanten is 3365 m' groot. Ten behoeve van de aanleg van de Betuweroute zijn twee delen van het perceel van appellanten nodig. Allereerst het meest zuidelijke deel van het perceel, waaraan de aanduiding "Spoorzone met aslijnen" en "Bouwzone" is gegeven. Dit stuk bedraagt 229 m' '. Daarnaast is een stuk grond van 796 m2 , en niet zoals appellanten stellen van 1025 m', aangewezen als "Bouwzone". Dit gedeelte is door appellanten in gebruik als schapenweitje. De bezwaren van appellanten richten zich tegen het voorziene gebruik van laatstbedoelde stuk grond. Nu de bestaande parkeerplaats van "De Bilderhof " tijdens de aanleg van de tunnel zal moeten wijken, zal hier een tijdelijke parkeerplaats worden aangelegd voor de bewoners ten noorden van het tracé en hun bezoekers. De parkeerplaats is op zeer korte afstand van de woning van appellanten voorzien, aan de zijde waar zich de slaapkamers bevinden. Uit de stukken is gebleken dat zich ten noorden van het tracé op "De Bilderhof" 23 recreatiewoningen bevinden. Voorts is ter zitting door appellanten onweersproken gesteld dat gelet op de omvang van het stuk grond slechts plaats is voor circa 20 auto's. Mede in aanmerking genomen dat de werkzaamheden voor de aanleg van de Betuweroute reeds in de nabijheid van de woning van appellanten zullen plaatsvinden, is de Afdeling van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat aanleg en gebruik van een tijdelijk parkeerterrein op het perceel van appellanten tot aanzienlijke aantasting van hun woongenot zal leiden. De Afdeling wijst er daarbij op dat het niet ondenkbaar is dat de capaciteit van het tijdelijke parkeerterrein te klein is, hetgeen tot een toename van de overlast zal kunnen leiden. De Afdeling is van oordeel dat verweerder sub 2 bij het voorbereiden van het tracébesluit onvoldoende heeft onderzocht of er oplossingen mogelijk waren die de overlast voor appellanten zouden beperken. Naar het oordeel van de Afdeling is het beroep van [appellanten 1] gegrond, in verband waarmee zij aanleiding ziet het tracébesluit te vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht, voor zover dat betrekking heeft op de gronden die gereserveerd waren voor de tijdelijke parkeerplaats.

2.9.2. De Vereniging Schelluinen Spoorloos, [appellant 6] en de Bewonersvereniging "Bilderhof" hebben een groot aantal bezwaren tegen dit tracédeel naar voren gebracht.

2.9.2. l. Voorzover appellanten een garantie wensen dat geen verontreinigd slib wordt opgeslagen, merkt de Afdeling op dat blijkens de stukken verweerder sub 2 nog niet kan aangeven dat verontreinigde grond zal worden opgeslagen. Indien wel sprake is van opslag van verontreinigde grond zal gehandeld worden overeenkomstig de geldende wetgeving. De Afdeling ziet geen aanleiding deze stelling in twijfel te trekken. Appellanten wensen dat het brandweerpad ten oosten van de Giessen op de bij het tracébesluit behorende kaartbladen wordt ingetekend. Verweerders stellen zich blijkens de stukken op het standpunt dat dit brandweerpad geen openbare functie heeft en derhalve niet op de kaartbladen hoeft te worden ingetekend. De Afdeling acht dit standpunt niet onjuist. Zij wijst er verder op dat brandweerpaden zijn aan te merken als infrastructurele maatregelen als bedoeld in artikel 11 van de bepalingen van het tracébesluit en derhalve worden gerealiseerd binnen de voorziene "Spoorzone met aslijnen" of "Maatregelvlak infrastructuur". De vrees van appellanten dat ten oosten van de Giessen niet in een brandweerpad wordt voorzien is dan ook ongegrond.

Appellanten wensen verder een integrale besluitvorming met betrekking tot de Betuweroute en de reconstructie van de A15. Uit het verweerschrift blijkt dat de projecten eik een eigen besluitvormings- en ontwikkelingstraject hebben, die niet overeenkomen. De reconstructie van de A15 bevindt zich nog in de fase van een eerste verkenning, terwijl de besluitvorming ten aanzien van de Betuweroute zich reeds in een eindfase bevindt. Het is de Afdeling niet gebleken dat dit onjuist is. Derhalve is niet gebleken dat de besluitvorming omtrent bedoelde projecten reeds in een zodanig stadium is dat een integrale beoordeling mogelijk is.

2.9.2.2. De bezwaren betreffen verder het bungalowpark "De Bilderhof". Dit recreatieterrein is aan beide zijden van het tracé tussen km 18,2 - km 18,5 gelegen, ten oosten van de rivier De Giessen. Uit de stukken blijkt dat de Betuweroute ter hoogte van het bungalowpark als tunnel zal worden uitgevoerd en dat een deel van de gronden van het bungalowpark de aanduidingen "Spoorzone met aslijnen" en "Bouwzone" heeft gekregen. Uit de toelichting bij het tracébesluit blijkt dat in verband hiermede zeven recreatiewoningen moeten worden gesloopt. Voorzover appellanten vrezen dat het verblijfsklimaat na aanleg van de Betuweroute zal afnemen overweegt de Afdeling het volgende. Uit het Akoestisch Onderzoek de Giessen is gebleken dat geluidbelasting op de gevel van de woningen op het bungalowpark de voorkeursgrenswaarde van 57 dB(A) niet zal overschrijden. De Afdeling is op grond hiervan van oordeel dat de geluidbelasting niet op onaanvaardbare wijze zal toenemen. In verband hiermede is er ook geen reden aan te nemen dat het binnenklimaat in de recreatiewoningen op onaanvaardbare wijze zal worden aangetast. Met betrekking tot de zeven woningen die moeten worden geamoveerd, is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat deze woningen zullen worden herbouwd. Tussen bestuursleden van de Bewonersvereniging "Bilderhof" en vertegenwoordigers van de NS Railinfrabeheer B.V. is inmiddels overleg geweest. Hierbij is een inrichtingsschets overgelegd waarop de plaatsen zijn aangegeven waar, wat NS Railinfrabeheer B.V. betreft, na aanleg van de tunnel zeven recreatiewoningen zouden kunnen worden gebouwd. In beginsel heeft de Bewonersvereniging "Bilderhof" met zes van de zeven locaties kunnen instemmen. Voor de andere locatie wordt een alternatief gezocht. Voorts zal als gevolg van de aanleg van de tunnel een strook van het bungalowpark onbebouwd moeten blijven. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de Bewonersvereniging "Bilderhof" bij de inrichting van dit terrein zullen worden betrokken. De Afdeling is van oordeel dat in zoverre aan de belangen van de bewoners van "De Bilderhof" tegemoet zal worden gekomen. Tevens verwachten appellanten trillingen te ondervinden. Uit de Planbeschrijving en Aanvulling op het MER Betuweroute kruising Giessen (PAMER, kruising Giessen) is gebleken dat de mate waarin trillingseffecten optreden van zeer veel parameters (bodemopbouw, constructie en belasting) afhankelijk is en moeilijk is te voorspellen. Op basis van uitgevoerd onderzoek in de spoortunnel Rotterdam is geanalyseerd tot op welke afstand van een spoorlijn door een op palen gefundeerde tunnelconstructie , zoals die is voorzien in het ontwerp van de Giessentunnel, hinder kan worden veroorzaakt. Deze afstand is circa 12 m buiten de zijkant van de tunnel voor de zogenoemde voelbare trillingen en circa 20 m buiten de zijkant voor contactgeluid. Binnen deze afstand van 20 m bevinden zich na afronding van de werken in het studiegebied geen woningen. Appellanten betwijfelen of de situatie vergelijkbaar is met die bij de Giessen. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de NS ter nadere motivering naar voren heeft gebracht dat beide tunnelconstructies uit op betonpalen gefundeerde, kokervormige constructies bestaan. Het tunneldeel in Rotterdam waaraan gemeten is, ligt op vergelijkbare hoogte onder het maaiveld als de tunnel onder de Giessen. De tunnelkokers liggen beide in het holocene (=slappe) pakket. De palen zijn gefundeerd in het pleistocene (zand)pakket. De Afdeling is dan ook van oordeel dat verweerder sub 2 van deze onderzoeksresultaten heeft kunnen uitgaan. Voorts stelt de Afdeling vast dat met het oog op mogelijke schade aan woningen door trillingen het zogenaamde monitoringsprogramma is ontworpen. Na ingebruikneming van de spoorbaan zal in alle woningen gelegen binnen 50 m van de baan worden gemeten ('actieve monitoring') en voor woningen gelegen tussen de 50 m en 100 m van de baan na klachten ('passieve monitoring'). Zoals uit de uitspraak van 28 mei 1998 blijkt acht de Afdeling dit monitoringsprogramma aanvaardbaar. Niet is gebleken dat dit monitoringsprogramma voor de woningen ter hoogte van de kruising van de spoorbaan met de Giessen niet toereikend zou zijn. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de bewoners van "De Bilderhof" onaanvaardbare trillinghinder zullen ondervinden.

2.9.2.3 Verder stellen [appellant 6] en de Bewonersvereniging "Bilderhof" dat zij als gevolg van de aanleg van de tunnel hinder zullen ondervinden. Zij voeren hiertoe aan dat het terrein in tweeën zal worden verdeeld, waardoor een sociaal isolement zal optreden, dat geluidhinder zal ontstaan, en dat het niet meer mogelijk is om te zwemmen in de Giessen. Uit het verweerschrift is gebleken dat het zwemmen tijdens de aanleg in enige mate kan worden beperkt, omdat het niet raadzaam is langs de damwanden van de tunnel te zwemmen. Verder kan enige vertroebeling in het water ontstaan, maar dit levert geen gevaar voor de volksgezondheid op. Naar het oordeel van de Afdeling hoeft aan dit standpunt van verweerder sub 2 niet te worden getwijfeld. Wat betreft de verdere hinder tijdens de aanleg overweegt de Afdeling dat in beginsel in de weekeinden niet gewerkt zal worden. Voorts heeft verweerder sub 2 erop gewezen dat gewerkt zal worden conform de normen die zijn vastgelegd in de Circulaire van 23 juni 1991 van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (Circulaire bouwlawaai 1991). In eventuele bijzondere omstandigheden zullen aanvullende en op de situatie toegesneden maatregelen worden getroffen. Het vorenstaande in aanmerking genomen, is de Afdeling van oordeel dat de bewoners van "De Bilderhof" als gevolg van de aanleg van de Betuweroute ter plaatse overlast zullen ondervinden, maar dat die niet onaanvaardbaar is. Appellanten zijn verder van mening dat uit oogpunt van rechtsgelijkheid verweerder sub 2 de bewoners van "De Bilderhof" had moeten aanbieden hun recreatiewoningen te verkopen. Naar de Afdeling aanneemt trekken appellanten hier een vergelijking met de bewoners van acht woningen aan de kop van de Kerkweg te Giessenburg die op basis van een speciale regeling hun woning op vrijwillige basis aan NS Railinfrabeheer B.V. konden verkopen.

De Afdeling wijst erop dat in het onderhavige geval sprake is van recreatiewoningen en dat reeds hierom niet kan worden gesproken van gelijke gevallen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan derhalve niet slagen. De bezwaren van [appellant 6] en de Bewonervereniging "Bilderhof" richten zich ook tegen de tijdelijke parkeerplaatsen. Blijkens de stukken is zowel aan de noordals de zuidzijde van het tracé in tijdelijke parkeerterreinen voor de bewoners van "De Bilderhof" en hun bezoekers voorzien. Voorzover een verkeersgevaarlijke situatie zou kunnen ontstaan om deze parkeerterreinen te bereiken is gebleken dat verkeersmaatregelen kunnen worden getroffen.

De Afdeling heeft evenwel in het beroep van [appellanten 1] voldoende grond gezien het tracébesluit te vernietigen voor zover dat betrekking heeft op het perceel waarop de tijdelijke parkeerplaats voor de bewoners aan de noordzijde van het tracé is voorzien. In verband hiermede ziet de Afdeling aanleiding ook het beroep van de Bewonersvereniging "Bilderhof" en [appellant 6] in zoverre gegrond te verklaren.

2.9.2.4. [appellant 6] heeft gewezen op het feit dat er sprake is van waardevermindering van haar recreatiewoning. Verder brengt zij naar voren dat er geen duidelijkheid is over de onteigening van de algemene delen waarvan zij voor 1144 eigenaar is. Met betrekking tot dit laatste punt merkt de Afdeling op dat dit in het kader van de onteigeningsprocedure aan de orde dient te komen. Met betrekking tot de eventuele schade merkt de Afdeling op dat, zoals hiervoor ten aanzien van het beroep van [appellant] Recycling Centrale B.V. reeds is overwogen, in afdoende schaderegelingen is voorzien in welk kader schadevergoeding kan worden verkregen. [appellant 6] is van mening dat artikel 8 en artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna te noemen: EVRM) zijn geschonden. Ingevolge het eerste lid van artikel 8 EVRM heeft een ieder recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht, dan voorzover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

De Afdeling is van oordeel dat het tracébesluit en de daaruit voortvloeiende maatregelen kunnen worden aangemerkt als maatregelen die nodig en passend zijn in het belang van het economisch welzijn van het land. De Afdeling is dan ook van oordeel dat, voorzover de in geding zijnde maatregelen een beperking betekenen van het recht van appellante op eerbiediging van haar huis en privé-leven, deze beperking gezien artikel 8, tweede lid, EVRM toelaatbaar kan worden geacht.

In artikel 1 van het bedoelde Eerste Protocol is het volgende bepaald: "Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en. in de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren." Uit de stukken blijkt dat algemene gronden van "De Bilderhof", waarvan appellante voor 1144 eigenaar is, de aanduiding "Spoorzone met aslijnen" en "Bouwzone" hebben gekregen. Echter voor zover al zou kunnen worden gesteld dat door het opnemen van deze gronden in het tracébesluit de eigendom ervan wordt ontnomen, moet worden opgemerkt dat dit blijkens het voorgaande in ieder geval het algemeen belang dient waarvan in het bovengenoemde artikel 1 sprake is. Aangezien voorts niet is gebleken dat het tracébesluit op zichzelf onevenredig zware lasten voor appellante met zich brengt en de Afdeling evenmin is gebleken dat de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht, waarvan dit artikel van het protocol spreekt, niet in acht zijn genomen, faalt het beroep van appellante op dit artikel en op artikel 8 EVRM.

2.9.2.5. In hetgeen appellanten in beroep aanvoeren ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder sub 2 wat dit tracédeel betreft niet in redelijkheid tot het tracébesluit heeft kunnen komen. De beroepen van De Vereniging Schelluinen Spoorloos, [appellant 6] en de Bewonersvereniging "Bilderhof" zijn wat dit onderdeel betreft ongegrond.

2.10. Ten aanzien van [appellanten 1] en [appellant 6] dienen verweerders op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van de Bewonersvereniging "Bilderhof " dienen verweerders in beginsel in de proceskosten te worden veroordeeld, doch niet is gebleken van kosten die daarvoor in aanmerking komen. Ten aanzien van de overige appellanten zijn voor een proceskostenveroordeling geen termen aanwezig is.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen voor zover gericht tegen de partiële herziening PKB Betuweroute ongegrond:

II. verklaart het beroep van [appellanten 1] geheel en de beroepen van [appellant 6] en de Bewonersvereniging "Bilderhof", voor zover gericht tegen het tracébesluit Betuweroute, tracédelen Kruising Vaanplein, Sophiatracé en Kruising Giessen, deels gegrond;

III. vernietig het besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 26 september 1997 het Tracébesluit Betuweroute, tracédelen Kruising Vaanplein, Sophiatracé en Kruising Giessen voor zover het betreft de gronden met de aanduiding "Bouwzone" tussen km 18,4 - km 18,5 van het tracé, zoals nader aangegeven op de bij de uitspraak behorende gewaarmerkte kaart;

IV. verklaart de beroepen, voor zover gericht tegen het tracébesluit Betuweroute, tracédelen Kruising Vaanplein, Sophiatracé en Kruising Giessen, van [appellanten 1] beroepen van [appellant 6] en de Bewonersvereniging "Bilderhof "voor het overige en de beroepen van de overige appellanten ongegrond;

V. veroordeelt de Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de door de hierna vermelde appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen gemaakte kosten tot een bedrag van totaal f 1622,15; dit bedrag dient door de Staat der Nederlanden als volgt te worden vergoed

aan:

- [appellanten 1] tot een bedrag van f 1420,-- welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant 6] tot een bedrag van f 242,15;

VI gelast dat de Staat der Nederlanden aan [appellanten 1], [appellant 6] en de Bewonersvereniging "Bilderhof" het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (f 210,-- voor [appellanten 1] en [appellant 6] en f 420,-- voor de Bewonersvereniging Bilderhof) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr J. de Vries, Voorzitter, en mr R. Cleton en mr A. Kosto,Leden,

in tegenwoordigheid van mr M.G.L. de Vette, ambtenaar van Staat.

w.g. De Vries w.g. De Vette

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 november 1999.

196.

Voor eensluidend afschrift;

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,