Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AA4633

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H01.98.1668
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

H01.98.1668.

Datum uitspraak: 30 DEC 1999

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Commissie overige geschillen van Noord-Holland,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 5 augustus 1998 in het geding tussen:

1. A e.a., allen wonende te B, gemeente C,

2. D, wonende te E

en

appellante.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 21 november 1996 heeft de gemeenteraad van Uithoorn (hierna: de gemeenteraad) aan F Beheer Amstelveen B.V. te Amstelveen (hierna: F) onder voorschriften vergunning verleend krachtens de Wet op de Lijkbezorging voor het vestigen van een bijzonder crematorium op het perceel Noorddammerweg 40 te De Kwakel.

Bij besluiten van 26 november 1997 heeft appellante een drietal nadere voorschriften aan de vergunning verbonden en de door. A e.a. en C ingestelde beroepen gedeeltelijk niet ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 5 augustus 1998, verzonden op 6 augustus 1998, heeft de arrondissementsrechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) de tegen dit besluit ingestelde beroepen gegrond verklaard en de bestreden beslissingen op beroep vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 16 september 1998, bij de Raad van State ingekomen op 17 september 1998, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 januari 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brieven van 23 onderscheidenlijk 24 maart 1999 hebben A e.a. en C een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 oktober 1999, waar appellante, vertegenwoordigd door mevrouw mr N.U.N. van den Heuvel-Kien, advocaat te Amsterdam, is verschenen. Verder zijn als partij gehoord: - A e.a., vertegenwoordigd door mr drs E.D.M. Knegt, advocaat te Amsterdam; - C, vertegenwoordigd door mr B.K.M. Fritz, advocaat te Haarlem; - F, vertegenwoordigd door drs J.C.E.M. F, gemachtigde; - de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr M.T.H. de Gaay Fortman, advocaat te Amsterdam, en ing. J.J.P. Wester, ambtenaar der gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 53 van de Wet op de lijkbezorging (hierna: de Wet) behoeft het vestigen, uitbreiden of wijzigen van een bijzonder crematorium een vergunning van de gemeenteraad.

Ingevolge artikel 55, eerste lid, van de Wet staat van een besluit, genomen ingevolge artikel 53, voor belanghebbenden beroep bij gedeputeerde staten open.

2.2. Ingevolge het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 5 september 1995, no. 95-110367, is appellante bevoegd de beslissing op onder meer de ingevolge artikel 55, eerste lid, van de Wet ingestelde beroepen te nemen.

2.3. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak - kort weergegeven -tot het oordeel gekomen dat omtrent de definitieve inrichting van het crematorium ten tijde van de beslissingen op de (administratieve) beroepen van C en A e.a. op belangrijke punten nog zoveel onduidelijkheid bestond, dat dit besluit, dat strekt tot handhaving van de vergunningverlening onder nadere voorschriften, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft daarbij gewezen op milieu- en parkeeraspecten en verder op het naast de voorziene locatie gelegen sportcentrum van C, dat - volgens de rechtbank -bijzondere maatregelen vereist om de wederzijdse beïnvloeding te beperken.

2.4. Appellante komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank.

2.4.1. In aanmerking genomen het doet en de strekking van de Wet, dient - in eerste instantie - de gemeenteraad zich een oordeel te vormen of het openbaar belang, dat in een gepaste lijkbezorging wordt voorzien, zich verzet tegen de vergunningverlening voor een crematorium op de betrokken locatie. Bij het oordeel over de passendheid komt de gemeenteraad een grote mate van beleidsvrijheid toe, die met zich brengt dat de rechterlijke toetsing van dit oordeel slechts een beperkte kan zijn.

2.4.2. De belangen van C en A e.a. heeft appellante, beslissende op de administratieve beroepen, bij haar afweging of ter plaatse op een gepaste wijze in lijkbezorging kan worden voorzien terecht buiten beschouwing gelaten. Deze belangen betreffen planologische- en milieuaspecten, die in de procedures over de voor de realisering van de inrichting van het crematorium vereiste bouw- en milieuvergunningen aan de orde dienen te worden gesteld. Anders dan uit het oordeel van de rechtbank spreekt, brengt de enkele omstandigheid dat nog onduidelijkheid bestond over de inhoud van die vergunningen, en daarmee over de definitieve inrichting van het crematorium, niet te weeg dat appellante in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht heeft beslist.

2.4.3. Het resultaat van de afweging van appellante of ter plaatse kan worden voorzien in een passende wijze van lijkbezorging is dat op de betrokken locatie, waar reeds de gemeentelijke begraafplaats en het uitvaartcentrum van F zijn gevestigd, een kleinschalig crematorium acceptabel wordt geacht. Om de kleinschaligheid te verzekeren heeft zij de door de gemeenteraad dienaangaande reeds gestelde beperkingen, die er onder meer inhouden dat niet tegelijkertijd een begrafenis- en een crematieplechtigheid kunnen plaatsvinden, aangescherpt. Aan de vergunning is een nader voorschrift verbonden dat geen crematieplechtigheid mag plaatsvinden met meer dan 150 bezoekers.

2.4.4. Niet is gebleken dat appellante bij haar afweging niet alle van belang zijnde factoren heeft betrokken. Zij heeft aandacht gegeven aan de geringe parkeercapaciteit op het betrokken terrein en aan de ligging naast het sportcentrum van C. Met het oog daarop heeft zij nadere voorschriften aan de vergunning verbonden, die strekken tot uitbreiding van de parkeervoorziening tot 75 parkeerplaatsen, onderscheidenlijk tot het aanbrengen van een groene scheidingswand tussen het terrein van het crematorium en het sportcentrum.

2.4.5. In aanmerking genomen de aan de vergunning verbonden voorschriften, kan niet staande worden gehouden dat appellante niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat ter plaatse in een passende wijze van lijkbezorging kan worden voorzien. De stukken en het verhandelde ter zitting bieden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het aantal van 75 parkeerplaatsen zo ernstig ontoereikend zal zijn dat van een passende wijze van lijkbezorging geen sprake kan zijn. Ook de door C op zijn sportcentrum ontwikkelde activiteiten nopen niet tot die conclusie. Daarbij kan er niet aan voorbij worden gezien dat de begraafplaats en het uitvaartcentrum reeds voor de vestiging van het sportcentrum aanwezig waren en dat die vestiging geen belemmering heeft gevormd voor het passende verloop van begrafenisplechtigheden.

2.5. Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep gegrond en moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd.

2.6. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van A en C bij de rechtbank alsnog ongegrond verklaren. De Afdeling overweegt daartoe nog dat de rechtbank met juistheid in de aangevallen uitspraak heeft overwogen dat de procedure voorafgaand aan de beslissing in primo van de gemeenteraad niet onzorgvuldig is geweest en dat niets zich ertegen verzet dat de aanvraag van F om een bouwvergunning en/of milieuvergunning door de gemeenteraad mede is opgevat als een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 53 van de Wet.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep gegrond;

vernietig de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 5 augustus 1998, AWB 981238 en AWB 981707;

verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr W.M.G. EekC-de Vries, Voorzitter, en mr J.H.B. van der Meer en mr J.H. Grosheide, Leden, in tegenwoordigheid van mr D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. EekC-de Vries w.g. Haan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 0 DEC. 1999

27.

1

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,