Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AA4536

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H01.99.0425/Y01
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

H01.99.0425/Y01

Datum uitspraak: 30 december 1999

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzet van:

1 . A, handelend onder de naam "Boomkwekerij A" te B en

2. C te D

opposanten.

1 . Procesverloop

Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juli 1999, verzonden op 15 juli 1999, gedaan met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is het door opposant sub 2 beweerdelijk namens opposant sub 1 ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 9 februari 1999, reg.no. AWB 9815816 WW44, niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de uitspraak van de Afdeling hebben opposanten bij brief van 16 augustus 1999, blijkens het poststempel op de enveloppe verzonden op 18 augustus 1999, verzet op grond van artikel 8:55, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht gedaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Afschrift van het verzetschrift is aangehecht.

Opposanten zijn ingevolge hun verzoek op 17 december 1999 gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Gelijk in de uitspraak, waarvan verzet, is overwogen, dient, wanneer degene, die het hoger-beroepschrift heeft ondertekend, waarmee het geding aanhangig is gemaakt, het oogmerk bezit niet voor zichzelf, maar voor een ander natuurlijk persoon of rechtspersoon in beroep te komen, van de bevoegdheid tot het indienen van een zodanig beroep te doen blijken. Het behoort immers tot de eisen van een behoorlijke procesvoering, dat buiten twijfel is wie als de aanlegger van het geding moet worden aangemerkt. Om die bevoegdheid vast te stellen kan op grond van artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de ondertekenaar van het beroepschrift worden verlangd dat deze zijn bevoegdheid aantoont. Het niet gevolg geven aan een daartoe strekkend verzoek of het niet bijbrengen van het gevraagde bewijs heeft tot gevolg dat de bevoegdheid van de ondertekenaar om namens een ander in beroep te komen niet vaststaat.

2.2. De Afdeling stelt vast dat opposant sub 2 bij aangetekende brief van 25 maart 1999 uitdrukkelijk is verzocht onder meer zijn bevoegdheid tot het instellen van beroep aan te tonen en in de gelegenheid is gesteld dit verzuim tot en met 22 april 1999 te herstellen. Tevens is opposant sub 2 bij dit schrijven het gevolg van het niet tijdig herstel van het verzuim medegedeeld. Van deze gelegenheid tot herstel is binnen de gestelde termijn geen gebruik gemaakt.

2.3. In hun verzetschrift en ter zitting hebben opposanten aangevoerd dat een postbode eind maart 1999 bij opposant sub 2 aan de deur geweest is om het aangetekende schrijven aan hem te overhandigen. Toen de postbode de echtgenote van opposant sub 2 aantrof, nam deze het aangetekende schrijven mee terug en heeft dat naar de Raad van State teruggezonden. Vervolgens is opposant sub 1 gebeld door een medewerkster van de Raad van State. Omdat opposant sub 1 op dat moment niet thuis was, heeft hij zelf teruggebeld. Toen hij de situatie had uitgelegd, kreeg hij te horen dat duidelijk was dat opposant sub 2 zijn vertegenwoordiger was en dat hij daarom niet meer schriftelijk hoefde te reageren. Wel moest hij zorgen dat hij de verschuldigde leges tijdig overmaakte, hetgeen hij toen gedaan heeft.

2.4. De Afdeling overweegt met betrekking tot het vorenstaande het volgende. De aangetekende brief van 25 maart 1999 is, nadat deze op 30 maart 1999 bij de Raad van State retour was ontvangen, overeenkomstig artikel 8:38, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op diezelfde datum per gewone post verzonden. In bovengenoemde brief van 25 maart 1999 is onmiskenbaar gewezen op de gevolgen van het niet overleggen van de machtiging. Door ondanks het gestelde in evenbedoelde brief de termijn ongebruikt te laten verstrijken is een procesrisico genomen waarvan de gevolgen geheel voor rekening van opposanten dienen te worden gelaten. De Afdeling merkt hierbij op dat uit de telefoonnotitie in het dossier van een mededeling als door opposant aangehaald niet is gebleken.

2.5. Ten slotte treft de stelling dat opposant sub 2 ook de belangen van opposant sub 1 heeft behartigd tijdens beroepsprocedure bij de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch geen doel. immers, dit betekent niet dat opposant sub 2 vervolgens gemachtigd is het onderhavige hoger beroep in te stellen.

2.6. Gelet op het vorenoverwogene is de Afdeling van oordeel dat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. De omstandigheid dat opposant sub 1 groot belang heeft bij de onderhavige zaak kan aan het vorenstaande niet afdoen.

2.7 Het verzet is mitsdien ongegrond.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het verzet ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr J.J.R. Bakker, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van A.M.Th. Schuller, ambtenaar van Staat.

w.g. Bakker w.g. Schuller

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 december 1999

H01.99.0425/Y01

Verzonden: 30 december 1999

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,