Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AA4520

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H01.99.0539
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

H01.99.0539.

Datum uitspraak: 17 december. 1999

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Kwekerij A. te B, appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 5 maart 1999 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 1998 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de minister) een aanvraag van appellante om een bijdrage als bedoeld in de Regeling structuurverbetering glastuinbouw (Stcrt. 1997, no. 187) afgewezen.

Bij besluit van 10 augustus 1998 heeft de minister het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 5 maart 1999, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 13 april 1999, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 mei 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 13 juli 1999 heeft de minister een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 oktober 1999, waar appellante vertegenwoordigd door F.L.M. Bouts, gemachtigde, en de minister, vertegenwoordigd door mr M.F. Kornman, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen. Voorts is zijdens appellante verschenen A

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, van de Regeling structuurverbetering glastuinbouw (hierna: de regeling) kan de minister ter verbetering van de bedrijfsstructuur van de sector glastuinbouw op aanvraag subsidie verstrekken voor investeringen ten behoeve van de reconstructie van individuele glastuinbouwbedrijven, gericht op:

1. bescherming en verbetering van het milieu;

2. besparing van energie;

3. verlaging van de productiekosten;

4. verbetering van de kwaliteit van de productie en

5. verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden.

Ingevolge artikel 4 van de regeling stelt de minister met inachtneming van de bepalingen van de regeling een lijst met subsidiabele investeringen vast.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de regeling kan de subsidie voor investeringen als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, worden verstrekt in de kosten, exclusief voorbereidingskosten, financieringskosten en omzetbelasting, van de investeringen die zijn opgenomen in de artikel 4 bedoelde lijst.

2.1.2. In Bijlage 1 van de in artikel 4 bedoelde lijst met subsidiabele investeringen staan onder C: de investeringen om de productiekosten te verlagen en energie te besparen en de daarbij behorende normbedragen. Onder code 2.1 wordt "Nieuwbouw glasopstanden " vermeld. Deze investering moet bestaan uit nieuwbouw van compleet ingerichte glasopstanden (onroerend goed gedeelte) inclusief verwarmingsinstallatie.

2.2. Het geding betreft de uitleg van de onder code 2.1 genoemde omschrijving van het begrip "nieuwbouw". De minister verstaat nieuwbouw aldus dat een investering moet bestaan uit de volledige nieuwbouw van compleet ingerichte glasopstanden.

In het voorliggende geval heeft de minister appellante dan ook geen bijdrage verleend voor de nieuwbouw van glasopstanden, omdat haar aanvraag een investering betrof waarbij sprake was van verplaatsingen van de bestaande kop- en zijgevel(s) van een kas, waarmee naar het oordeel van de minister niet werd voldaan aan de onder code 2.1 van de eerste bijlage gegeven omschrijving van het begrip nieuwbouw. Er was geen sprake van volledige nieuwbouw van glasopstanden, maar van gedeeltelijke nieuwbouw.

2.3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de strikte uitleg van de minister van het begrip nieuwbouw, ten einde te voorkomen dat bij elke aanvraag discussie ontstaat of de aanvraag al dan niet subsidiabel is, niet onredelijk geacht.

2.4. Appellante kan zich hiermee niet verenigen en heeft in hoger beroep onder meer betoogd dat een strikte uitleg van het begrip nieuwbouw als onredelijk moet worden beschouwd. Appellante heeft zich in dit verband beroepen op de "Openstelling Regeling structuurverbetering glastuinbouw, onder afbraak" (Stcrt. 1999, no. 14). In deze regeling wordt het begrip "Nieuwbouw glasopstanden" nader (dat wil zeggen: minder strikt) omschreven. Volgens appellante valt haar aanvraag wel onder de huidige definitie van het begrip nieuwbouw.

2.5. De Afdeling is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de minister een te stringente uitleg heeft gegeven aan het begrip nieuwbouw. De omschrijving onder code 2.1 sluit niet uit dat, zoals bijvoorbeeld in het voorliggende geval, investeringskosten terzake van de uitbreiding van een kas, waarvoor materialen van een bestaande kop- en zijgevel worden hergebruikt, subsidiabel zijn. Uit de regeling kan immers niet worden afgeleid dat het bij nieuwbouw van een glasopstand om volledige nieuwbouw moet gaan, in die zin dat daarbij slechts nieuwe materialen mogen worden gebruikt. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat het binnen de glastuinbouw niet ongebruikelijk is dat materialen, onder meer glas en aluminium profielen, worden hergebruikt voor een nieuw op te richten glasopstand.

Blijkens de omschrijving onder code 2.1 dient weliswaar sprake te zijn van compleet ingerichte glasopstanden, maar uit de omschrijving kan niet worden afgeleid dat hergebruik van materialen wordt uitgesloten. Het vereiste van "compleet" ingerichte glasopstanden ziet op de mate waarin en de wijze waarop de glasopstanden dienen te worden ingericht en niet op de mate waarin nieuw materiaal bij de bouw gebruikt moet worden.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van appellante alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar alsnog vernietigen.

2.7. Er zijn termen voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 5 maart 1999, 98/871 WET;

III. verklaart het door appellante bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van 10 augustus 1998; draagt de minister op binnen 12 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen;

V. veroordeelt de minister in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 2.840,--, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) te worden betaald aan appellante;

VI. gelast dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (f 1.095 (f 420,00 + f 675,00)) vergoedt;

Aldus vastgesteld door dr J.C.K.W. Bartel, Voorzitter,

mr A. Kosto en mr P.J.J. van Buuren, Leden,

in tegenwoordigheid van mr M.G. Tuinhout, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Tuinhout

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 1999

77-293.

Verzonden: 17 december 1999

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,