Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AA4458

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H01.98.1808
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 1999, 292
VR 2000, 4

Uitspraak

Raad van State

H01.98.1808.

Datum uitspraak: 3 JUNI 1999

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Verkeer en Waterstaat, appellant

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 16 september 1998 in het geding tussen:

A te B

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 1998 heeft appellant (hierna: de Minister) vastgesteld dat A niet geschikt wordt geacht om motorrijtuigen van de categorie(ën) B/C/D/E te besturen en daarbij tevens diens rijbewijs met ingang van 10 maart1998 ongeldig verklaard.

Tegen dit besluit heeft A bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 24 juli 1998, verzonden op dezelfde datum, heeft de Minister het bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 16 september 1998, verzonden op 21 september 1998,heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem (hierna: de president) met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wetbestuursrecht het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht. .

Tegen deze uitspraak heeft de Minister bij brief van 29 oktober 1998,bij de Raad van State ingekomen op 30 oktober 1998, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 november 1998.Laatstgenoemde brief is aangehecht.

Bij brief van 14 december 1998 heeft A een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 1999, waarde Minister, vertegenwoordigd door drs M.M. van Dongen, werkzaam bij de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), en door drs A.W.P. Heera, arts bij het CBR, en A in persoon en bijgestaan door mr E.M.T. Ludding, advocaat te Culemborg, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wet), in samenhang met artikel 130, eerste lid, voorzover hier van belang, besluit de Minister van Verkeer en Waterstaat (de Minister) dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid, indien naar zijn oordeel de schriftelijke mededeling van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen daartoe aanleiding geeft. Ingevolge artikel 134, eerste lid, van de Wet, voor zover hiervan belang, stelt de Minister zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast. Van deze uitslag doet de Minister mededeling aan betrokkene. Ingevolge artikel 134, tweede lid, van de Wet, voor zover hiervan belang, deelt de Minister, indien hij van oordeel is dat de doorhem vastgestelde uitslag van het onderzoek grond oplevert voor ongeldig verklaring van het rijbewijs, dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen. Ingevolge artikel 134, derde lid, van de Wet, voor zover hiervan belang, wordt, indien de Minister besluit dat het rijbewijs van de houder ongeldig wordt verklaard, daarbij bepaald op welk deel van de geldigheidsduur alsmede op welke categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven, de ongeldigverklaring betrekking heeft. Ingevolge artikel 134, zesde lid, van de Wet, voor zover hiervan belang, worden bij ministeriële regeling nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het tweede en derde lid.

2.1.1. Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regelingmaatregelen rijvaardigheid en geschiktheid van 17 april 1996 (Stcrt. 1996, 183) besluit de Minister tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de Wet, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk het tweede onderzoek, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

2.1.2. Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid van 12 juni 1996 (Stert. 1996,1 117; hierna: de Regeling) worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage. Punt B.B. van die bijlage luidt:

"Chronisch misbruik van alcohol of drugs.

Voor personen met een voorgeschiedenis van 'probleemgedrag' als gevolg van inname van alcohol of drugs is voor alle rijbewijzen een specialistisch rapport vereist. Zij zijn zonder meer ongeschikt zolang niet aannemelijk of aantoonbaar is (bij voorkeur blijkend uit een behandelingsverslag dat met schriftelijke toestemming van de betrokkene is verkregen) dat zij met misbruik van het middel zijn gestopt. Is dat laatste het geval dan dient een recidiefvrije periode ervan minstens één jaar te zijn gepasseerd voordat herkeuring, op basis van een specialistisch rapport, zinvol is. Het al dan niet bestaan van defecttoestanden is dan een belangrijk punt van overweging. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die gebruik van alcohol en drugs opleveren voor de verkeersveiligheid. Ook de verkeerswetgeving stelt op dit puntduidelijke grenzen (zie artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994)."

2.2. Een door de Minister verzocht onderzoek naar de rijgeschiktheid pleegt door een psychiater te worden uitgevoerd aan de hand van een classificatiesysteem van psychiatrische afwijkingen, de zogenoemde DSM-IV criteria, zoals omschreven in een uitgave van de American Psychiatric Association, Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, fourth edition. Tevens wordt een laboratoriumonderzoek uitgevoerd. Op basis van het psychiatrisch, lichamelijk en laboratoriumonderzoek stelt de psychiater, als medisch specialist, vast of sprake is van alcohol misbruik.

2.3. Nadat A op 28 januari 1995 is aangehouden met een ademalcoholgehalte van 905 mg/1 en op 10 maart 1997 met een ademalcoholgehalte van 930 mg/1 heeft de Minister bij besluit van 1 april 1997 een onderzoek naar de rijgeschiktheid van Van Jaarsveld gevorderd. Dit onderzoek is op 14 juli 1997 verricht door dr M.J.A.J.M. Hoes, psychiater te Tiel (hierna: Hoes). Blijkens zijn rapportage van 31 juli 1997 beantwoordt Hoes de vraag of er sprake is van afhankelijkheid van alcohol ontkennend. Evenmin is volgens Hoes sprake van misbruik van alcohol. Wel wordt bij lichamelijk onderzoek van A een wat hoge bloeddruk waargenomen, een duidelijk vergrote lever en een hypaesthesie aan de onderbenen, alsmede veneëctasieën in het gelaat. Bij laboratorium onderzoek is een duidelijk verhoogde V-GT (gamma Glutamyl-Transpeptidase)- waarde (waarde van 191) en urinezuur en CDT (Carbohydrate- Deficient-Transferrin)-waarde (waarde van 29) vastgesteld. Dit alles is duidelijk indicatiefvoor een langdurig overmatig alcohol gebruik, aldus Hoes. 2.4. Bij brief van 9 september 1997 heeft de Minister A meegedeeld dat hij op grond van de uitslag van het onderzoek voornemens is zijn rijbewijs ongeldig te verklaren en hem gewezen opzijn bevoegdheid om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen.

2.5. Op verzoek van A heeft een tweede onderzoek plaatsgevonden. Dit is op 26 november 1997 verricht door mevrouw B.A. von Bargen, psychiater te Rotterdam (hierna: Von Bargen). Zij beantwoordt in haar rapport van 23 december 1997 de vragen naar afhankelijkheid en misbruik van alcohol eveneens ontkennend. Wel werd een verhoogde y-GT-waarde van 102 vastgesteld, maar dat kan volgens Von Bargen samenhangen met door A in verband met astma gebruikte medicijnen.

2.6. Het bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde besluit tot ongeldig verklaring van het rijbewijs is gebaseerd op de vaststelling dat de bevindingen van het eerste onderzoek buiten twijfel stellen dat bij A sprake was van overmatig alcoholgebruik met onder andere leverfunctiestoornissen tot gevolg. Op grond van de resultaten van het tweede onderzoek is aannemelijk dat A na het eerste onderzoek met alcoholmisbruik is gestopt. Ten tijde van dat laatste onderzoek was evenwel nog geen recidiefvrije periode van een jaar verstreken. Gezien de resultaten van beide onderzoeken is appellant van oordeel dat sprake is van alcoholmisbruik als bedoeld in punt 8.8. van de bijlage bij de Regeling.

2.7. De president heeft de beslissing op bezwaar vernietigd. Hij heeft daartoe - samengevat - overwogen dat beide psychiaters hebben aangegeven dat geen sprake is van alcoholafhankelijkheid of -misbruik. De resultaten van het lichamelijk en van het laboratoriumonderzoek vormen naar het oordeel van de president onvoldoende grondslag af te wijken van de conclusie van genoemde psychiaters.

2.8. De Minister heeft uiteengezet dat de DSM-IV- classificatie een hulpmiddel is voor diagnostiek door psychiaters, welke in die beroepskring algemeen wordt gebruikt. Oogmerk van de door hem toe te passen norm 8.8. is, aldus de Minister, echter niet het stellen van een classificatie, maar het beschermen van de verkeersveiligheid door het weren van waarschijnlijk gevaarzettende automobilisten. Het oordeel omtrent de verkeersveiligheid aan de hand van de resultaten van het onderzoek blijft zijn verantwoordelijkheid. Hierbij wordt DSM-IV als hulpmiddel gebruikt. Indien er een DSM-IV- classificatie is gesteld, is per definitie ook sprake van schending van de norm 8.8; omgekeerd echter niet, aldus de Minister. De verkeersveiligheid kan ook (opnieuw) in gevaar gebracht worden door een rijbewijshouder zonder dat op de betrokkene een DSM-IV-classificatie van toepassing is geacht. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het geval dat enkele criteria voor een classificatie op zich zelf wel van toepassing zijn, maar niet of net niet binnen het tijdsbestek van 12 maanden dat wordt gehanteerd in de DSM-IV-classificatie.

2.9. Desgevraagd heeft A ter zitting aangegeven, dat hij pas na het eerste onderzoek medicijnen is gaan gebruiken in verband met astma. De resultaten van het eerste onderzoek zijn derhalve niet door dat medicijngebruik beïnvloed.

2.10. In een artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van 19 april 1997 doet dr J. van Pelt (hierna: Van Pelt) verslag van een onderzoek waaruit naar voren is gekomen dat bij mannen een verhoogde CDT-waarde (hoger dan 20) in combinatie met een verhoogdeV-GT-waarde (hoger dan 48) duidt op recent overmatig alcoholgebruik, met een voorspellende waarde van 100%. Gezien het verslag van Van Pelt, de resultaten van het eerste lichamelijk en laboratoriumonderzoek en het oordeel van Hoes dat die resultaten duidelijk indicatief zijn voor een langdurig overmatig alcoholgebruik kan niet worden geoordeeld dat de Minister, mede gelet op de overige hier in aanmerking te nemen feiten en omstandigheden, zoals onder meer het feit dat A na zijn aanhouding in 1995 de zogeheten Alcohol Verkeer Cursus heeft gevolgd en desondanks nadien, in 1997, opnieuw is aangehouden wegens rijden onder invloed van alcohol, zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van chronisch misbruik als bedoeld in punt 8.8. van de bij de Regeling behorende bijlage. Daaraan doet niet af dat de resultaten van het tweedeonderzoek er op wijzen dat A na het eerste onderzoek het gebruik van alcohol heeft beperkt.

2.11. Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep gegrond en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. De Afdeling zal doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen en het inleidende beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 16 september 1998, Awb9811444;

II. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr J.A.E. van der Does, Voorzitter,

en mr J.J. van der Weel en mr B. van Wagtendonk, Leden,

in tegenwoordigheid van mr M.G. Tuinhout, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Tuinhout

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 1999

77-55.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,