Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AA4455

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H01.98.1524
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 1999, 343

Uitspraak

Raad van State

H01.98.1524.

Datum uitspraak: 8 juni 1999

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A te B, appellant,

tegen

de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's- Hertogenbosch van 24 juni 1998 in het geding tussen:

appellant

en

Raad voor Rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 1997 heeft het Bureau rechtsbijstandvoorziening van de Raad voor Rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch een verzoek van appellant om toevoeging, als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand(hierna: de Wet), afgewezen.

Bij besluit van 1 oktober 1997 heeft de Raad voor Rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch (hierna: de Raad) het daartegen ingestelde beroepongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van Commissie voor bezwaar en beroep van de Raad, waarnaar in dit besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 24 juni 1998, verzonden op 2 juli 1998, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 1998, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 september 1998 heeft de Raad van antwoord gediend, bij brief van 23 oktober 1998 appellant van repliek.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 1999.

Partijen zijn daar niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant heeft schadevergoeding gevorderd van een leverancier, door wie hij stelt bij het starten van een kaaswinkel te zijn misleid, als gevolg waarvan hij tenslotte failliet is gegaan. Het verzoek om toevoeging betreft rechtsbijstand in deze procedure. Appellant beoogt thans als assurantie tussenpersoon bedrijfsmatige activiteiten te ontplooien.

2.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het rechtsbelang, waarvoor de toevoeging is aangevraagd, samenhangt met de bedrijfsmatige activiteiten die appellant als zelfstandige heeft uitgeoefend. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat de Raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat artikel 12,tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet, aan verlening van de door appellant verzochte toevoeging in de weg staat. Zij heeft voorts evenzeer terecht overwogen dat dat ook zo is, als het desbetreffende bedrijf niet meer wordt uitgeoefend. De bepaling kent - voor zover van belang - slechts een uitzondering voor het geval voortzetting van het bedrijf afhankelijk is van het resultaat van de verzochte bijstand. Op goede gronden heeft de rechtbank overwogen dat daarvan geen sprake is, nu appellant zijn activiteiten als kaaswinkelier heeft beƫindigd en geen grond bestaat om aan te nemen dat hij voornemens is die te hervatten.

2.3. De Raad pleegt aan voormelde uitzondering ook toepassing te geven, indien het weliswaar een rechtsbelang betreft dat uit een voormalig beroep of bedrijf voortvloeit, doch voldaan is aan een aantal vereisten. Appellant voldoet volgens hem evenwel niet aan deze vereisten, zodat hij ook aan deze praktijk geen aanspraak kan ontlenen op de verlening van de verzochte toevoegingen.

2.3.1. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat dit beleid de rechterlijke toets kan doorstaan. Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet, biedt geen ruimte voor het voeren ervan. Reeds om die reden kan appellant daaraan geen aanspraak op verlening van een toevoeging ontlenen. Aan de vraag of de Raad al dan niet terecht heeft geoordeeld dat appellant op grond van het beleid niet voor een toevoeging in aanmerking kwam, komt de Afdeling niet toe.

2.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient, zij het met enige verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer,

in tegenwoordigheid van mr Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Wolff

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 1999

89-238.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,