Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AA4110

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-1999
Datum publicatie
03-12-1999
Zaaknummer
H01.99.0535
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2000, 153 met annotatie van A. van Hall
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

H01.99.0535.

Datum uitspraak: 3 DEC. 1999

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A te B, appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 26 februari 1999 in het geding tussen:

appellant

en

dijkgraaf en heemraden van het waterschap Me Waterlanden" te Middenbeemster.

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 1998 hebben dijkgraaf en heemraden van het waterschap Me Waterlanden" te Middenbeemster (hierna: dijkgraaf en heemraden) geweigerd de door appellant gevraagde ontheffing te verlenen van het in artikel 10 van de keur van het waterschap Me Waterlanden" opgenomen verbod, voor de plaatsing van een stroomkastje aan de voet van de [...]dijk tegenover [...]dijk no.1 te B ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening van zijn woonschip, en het door appellant gemaakte bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 februari 1999, verzonden op 2 maart 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 12 april 1999, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij ongedateerde brief hebben dijkgraaf en heemraden een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 oktober 1999, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr H.A.M. Lamers, en dijkgraaf en heemraden, vertegenwoordigd door mr 1. Middelburg, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord burgemeester en wethouders van B, vertegenwoordigd door L.J.P. Rog, ambtenaar der gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 10, aanhef en eerste lid, onder a, en tweede lid, onder b, van de keur van het waterschap Me Waterlanden" (hierna: de keur) is het ~ voorzover hier van belang - verboden om binnen kernzones te spitten, te graven of op enigerlei wijze grondroeringen te verrichten en om werken te maken of te hebben.

Ingevolge artikel 20 van de keur kan het bestuur van de in deze keur gestelde gebods- en verbodsbepalingen bij beschikking ontheffing verlenen.

2.2. De [...]dijk ligt in een zogenaamde kernzone en fungeert primair als belangrijke waterkering langs het boezemwater de [...]ringvaart. De verboden binnen kernzones zijn, naar blijkt uit artikel 10 van de keur, het meest vergaand, omdat daar de waterkering in het geding is. Volgens de toelichting bij de keur zal hier een streng restrictief ontheffingenbeleid moeten gelden.

Het beleid van dijkgraaf en heemraden is er daarom op gericht om ontwikkelingen tegen te gaan waardoor de primaire functie van de dijk als waterkering en het beheer daarvan in het gedrang kunnen komen, althans niet langer in voldoende mate zijn veilig gesteld. Een van de ontwikkelingen die zij beogen tegen te gaan, is het aanbrengen van permanente (nuts)voorzieningen aan, in of op de dijk - zeker als dit bijdraagt tot het de facto ontstaan van permanente woonschepenlocaties -, omdat daardoor de waterkerende functie wordt aangetast en het onderhoud wordt bemoeilijkt. Wel wordt een uitzondering gemaakt voor voorzieningen ten behoeve van ligplaatsen waarvoor van gemeentewege vergunning is verleend.

2.3. Niet valt in te zien dat, zoals appellant heeft betoogd, dijkgraaf en heemraden laatstgemelde ontwikkelingen bij de toepassing van artikel 10 in samenhang met artikel 20 van de keur niet mogen trachten tegen te gaan, reeds omdat deze ontwikkelingen de waterkeringszorg raken. Het oordeel van de rechtbank dat dit beleid niet kennelijk onredelijk is, is dan ook juist. Eveneens faalt daarom het betoog van appellant dat dijkgraaf en heemraden hun bevoegdheid aldus voor een ander doel gebruiken dan waarvoor deze is verleend.

2.4. Het betoog van appellant dat het door dijkgraaf en heemraden geformuleerde ontheffingenbeleid niet mocht worden toegepast, omdat dit beleid niet in enig formeel stuk is neergelegd, faalt, reeds omdat dit niet is vereist.

2.5. De stelling van appellant dat het enkele door hem gewenste stroomkastje op zichzelf de functie van de dijk niet in gevaar kan brengen, doet - wat hier ook van zij - niet af aan het feit dat van ontheffingverlening ongewenste precedentwerking kan uitgaan. Voorts beschikt appellant niet over een legale ligplaats. Aan het beleid kon dus geen aanspraak op ontheffing worden ontleend.

2.6. De omstandigheid dat zich, naar appellant heeft gesteld, op of in de [...]dijk reeds stroomkabels, telefoonkabels en een hoogspanningsleiding bevinden, betekent, anders dan appellant heeft betoogd, niet dat dijkgraaf en heemraden hun beleid niet strikt plegen toe te passen, noch dat het plaatsen van het onderhavige stroomkastje dient te worden toegestaan. Ook de omstandigheid dat in de door appellant in zijn hoger beroepschrift genoemde gevallen elders in de gemeente B voorzieningen zijn aangebracht, dwingt daartoe niet, reeds omdat het in die gevallen gaat hetzij om uitzonderingen die plegen te worden toegestaan ten behoeve van legaal aanwezige woonschepen - waarvan in het onderhavige geval geen sprake is -, hetzij om illegale situaties waarvoor door dijkgraaf en heemraden geen ontheffing is verleend. Voorzover appellant heeft beoogd een beroep op het gelijkheidsbeginsel te doen, slaagt dit dan ook niet.

2.7. Een bijzondere omstandigheid op grond waarvan een afwijking van het beleid overwogen had kunnen worden, is niet aanwezig.

2.8. Appellant heeft tenslotte nog betoogd dat de uitspraak van de rechtbank is gegrond op onvoldoende onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden, omdat de rechtbank ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de haar op grond van de artikelen 8:45, 8:47 en 8:50 van de Algemene wet bestuursrecht toekomende bevoegdheden.

Dit betoog treft geen doel, reeds omdat het hier discretionaire bevoegdheden van de rechtbank betreft en appellant de rechtbank niet heeft verzocht om toepassing daarvan.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr B. van Wagtendonk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr M. Groverman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Groverman

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 DEC 1999

110-298. Verzonden:

Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,