Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AA4082

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-1999
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
H01.99.0017
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitwerking van streekplan geen besluit als bedoeld in art. 1:3 Awb.

Beroep richt zich tegen vastgestelde „Uitwerkingsplan N22“ van het Streekplan Amsterdam-Noordzeekanaalgebied.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 4a
Wet op de Ruimtelijke Ordening 23
Wet op de Ruimtelijke Ordening 24
Wet op de Ruimtelijke Ordening 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2000/11
BR 2000, p. 118 met annotatie van A.A.J. de Gier
Module Ruimtelijke ordening 1999/4293
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

H01.99.0017.

Datum uitspraak: 25 NOV. 1999

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A en anderen te B, appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 16 november 1998 in het geding tussen:

appellanten

en

gedeputeerde staten van Noord-Holland.

1 . Procesverloop

Bij beslissing van 24 september 1996 hebben gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: gedeputeerde staten) vastgesteld het "Uitwerkingsplan N22" van het "Streekplan Amsterdam-Noordzeekanaalgebied, onderdeel Haarlemmermeer/Schiphol (hierna: het Streekplan).

Bij besluit van 14 januari 1998 hebben gedeputeerde staten het hiertegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Hoor- en Adviescommissie van 18 december 1997, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 16 november 1998, verzonden op 19 november 1998, heeft de arrondissementsrechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 29 december 1998, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 1998, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 maart 1999 hebben gedeputeerde staten een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juli 1999, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr C.M.E. Verhaegh, advocaat te Leiden, en gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr F. Arents en drs C.P. de Vries, ambtenaren der provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geschil doet zich de ambtshalve te beantwoorden vraag voor of de bestreden beslissing van gedeputeerde staten van 24 september 1996, die naar vaststaat een uitwerking inhoudt van een in het Streekplan neergelegde indicatieve aanduiding van het tracé van de N22, een besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld.

De rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord.

De Afdeling beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

2.1.1. Een streekplan bevat provinciaal planologisch beleid en heeft in beginsel slechts een indicatief karakter.

In artikel 4a, zevende lid, gelezen in samenhang met het zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) is evenwel bepaald dat, voorzover een of meer onderdelen van een besluit tot vaststelling, herziening of intrekking van een streekplan zijn aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, een ieder daartegen beroep kan instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 4a, achtste lid, van de WRO wordt bij een streekplan bepaald in hoeverre gedeputeerde staten volgens bij het plan aan te geven regelen het plan moeten uitwerken en binnen bij het plan te bepalen grenzen met handhaving van de daarin neergelegde van wezenlijk belang zijnde beslissingen van het plan mogen afwijken.

2.1.2. Uit deze bepalingen in onderlinge samenhang beschouwd, volgt dat de wet gedeputeerde staten geen bevoegdheid geeft een in een streekplan neergelegde indicatieve uitspraak van provinciale staten bij de uitwerking daarvan om te zetten in een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. In overeenstemming daarmee kunnen dan ook tegen onderdelen van (een ontwerp van) een bestemmingsplan die hun grondslag vinden in een zodanige uitwerking - anders dan, zoals is bepaald in artikel 24 van de WRO, tegen onderdelen van (een ontwerp van) een bestemmingsplan die hun grondslag vinden in onderdelen van een streekplan als bedoeld in artikel 4a, zevende lid, van de WRO - op de voet van artikel 23, tweede lid, tweede volzin, en artikel 27, eerste en tweede lid, van de WRO zienswijzen worden kenbaar gemaakt bij de gemeenteraad, onderscheidenlijk bedenkingen worden ingebracht bij gedeputeerde staten.

2.2. Het vorenstaande brengt met zich dat gedeputeerde staten het tegen hun beslissing van 24 september 1996 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk hadden behoren te verklaren.

Nu de rechtbank dit heeft miskend, is het hoger beroep gegrond en moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd.

2.3. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep bij de rechtbank alsnog gegrond worden verklaard en zal het besluit van gedeputeerde staten van 14 januari 1998 worden vernietigd. Voorts zal, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, het door appellanten tegen de beslissing van 24 september 1996 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard en worden bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.4. Er zijn termen voor een proceskostenveroordeling in beroep en in hoger beroep.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

1. verklaart het hoger beroep gegrond;

2. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 16 november 1998, kenmerk AWB 9811765 en AWB 9811771;

3. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

4. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 14 januari 1998, kenmerk 98-900002-3;

5. verklaart het door appellanten tegen de beslissing van 24 september 1996 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk;

6. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

7. veroordeelt gedeputeerde staten van Noord-Holland in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 2.840,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord-Holland te worden betaald aan appellanten;

8. gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (f 540,00) vergoedt.

9.

Aldus vastgesteld door mr C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr J.H. Grosheide en mr J.J.H. Suyver, Leden, in tegenwoordigheid van mr M. Groverman, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Groverman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 NOV. 1999

110-298.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,