Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AA4027

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H01.98.1789
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2000, 37 met annotatie van M. Schreuder-Vlasblom
M en R 2000, 29K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

vanState

H01.98.1789.

Datum uitspraak: 6 DEC. 1999

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A te B, appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 18 september 1998 in het geding tussen: appellant en de Minister van Verkeer en Waterstaat.

1 Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 1997 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) geweigerd appellant vergunning te verlenen voor het maken van een ophoging, als bedoeld in artikel 5, paragraaf 1, aanhef en onder b, van de Rivierenwet, op het terrein, aangeduid als het […] te B.

Bij besluit van 16 januari 1998, voor zover hier van belang, heeft de Minister het hiertegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 september 1998, verzonden op dezelfde datum, heeft, voor zover hier van belang, de arrondissementsrechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 oktober 1998, bij de Raad van State ingekomen op 27 oktober 1998, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 22 januari 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 27 april 1999 heeft de Minister een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 augustus 1999, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr J.L. Stoop, advocaat te Geleen, en ir. P.G.M. Mekenkamp, en de Minister, vertegenwoordigd door mr C.M. Bitter, advocaat te Den Haag en P. Beenen, M.T. Pubben en ing. J.H. Gerretsen, allen ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, paragraaf 1 van de Rivierenwet (hierna: de Wet) wordt onder een zomerbed verstaan: de oppervlakte, die bij gewoon hoog zomerwater of bij gewone vloed door de rivier of de stroom wordt ingenomen. Ingevolge paragraaf 2 van dit artikel wordt, voor zover hier van belang, onder winterbed verstaan de oppervlakte tussen het zomerbed en de buitenkruinlijn van de hoogwater kerende dijk en, waar deze niet bestaat, tussen het zomerbed en de hoge gronden, die het water bij de hoogste stand keren. Ingevolge artikel 5, paragraaf 1 aanhef en onder b, van de Wet, voor zover hier van belang, is het, tenzij met vergunning verleend door de Minister, verboden in het winterbed van een rivier of een stroom een ophoging te maken. Ingevolge artikel 6, voor zover hier van belang, worden bij algemene maatregel van bestuur aangewezen de gedeelten van het winterbed van rivieren en stromen of van de oppervlakten, waar op grond van een ruim winterbed of van andere omstandigheden artikel 5 geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft. Op de kaarten bij het Koninklijk Besluit van 24 februari 1916, Stb. 84, zoals gewijzigd onder meer bij Koninklijk Besluit van 23 juni 1948, Stb 1 251, zijn deze terreinen aangegeven. Ingevolge artikel 8, paragraaf 2, kan een vergunning worden geweigerd ter bescherming van het openbaar rivier- en stroombelang. Het weigeren en opzeggen kan, voor zover daarin niet is voorzien door bij of krachtens een andere wet gestelden bepalingen, mede strekken ter bescherming van aan de rivier of stroom verbonden belangen van andere dan waterstaatkundige aard.

2.2. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, overwogen dat het terrein van appellant binnen het vergunningplichtige deel van het winterbed, zoals aangegeven op de bij het besluit van 3 oktober 1997 behorende tekening is gelegen, dat de Minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het terrein van appellant niet binnen de strakke contouren van stedelijk […] valt en dat de Minister in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat de door appellant aangevoerde belangen onvoldoende zwaarwegend zijn om inbreuken op het rivierbelang te rechtvaardigen.

2.3. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank aldus heeft miskend dat de Minister een verkeerde uitleg heeft gegeven aan de term hoogste stand in artikel 3, paragraaf 2 van de Wet, dat de Beleidslijn "Ruimte voor de rivier" (hierna: de Beleidslijn) strijdig is met de Wet en dat de grens van het zogeheten beperkt winterbed op onjuiste wijze is vastgesteld.

2.4. Niet in geschil is dat het winterbed ter plaatse, nu er geen hoogwater kerende dijk aanwezig is, wordt gevormd door de oppervlakte tussen het zomerbed en de hoge gronden die het water bij de hoogste stand keren. De Minister heeft voor de interpretatie van de term hoogste stand aansluiting gezocht bij het beschermingsniveau dat in de Wet op de waterkeringen is bepaald voor de primaire waterkeringen. De afmetingen van de hoogwaterkerende dijken zijn afgestemd op de verwachte hoogste stand van het water. Eenzelfde maatstaf is aangelegd voor de hoge gronden. Voor het rivierengebied is dat beschermingsniveau vastgelegd op 1: 1250. De rechtbank heeft met recht overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de Minister dit beschermingsniveau niet heeft kunnen hanteren ter bepaling van de hoogste stand, en derhalve ter bepaling van de omvang van het winterbed. De jurisprudentie waarnaar appellant in zijn hoger-beroepschrift heeft verwezen, levert die aanknopingspunten niet op.

2.5. Voor zover appellant heeft betoogd dat de Beleidslijn, waarin dat beschermingsniveau is opgenomen en die een invulling geeft aan de bevoegdheid van de Minister op basis van de artikelen 4, 5 en 8 van de Wet, strijdig is met de Wet. is het volgende van belang. De Wet heeft primair tot doel de bescherming van het openbaar rivier- en stroombelang. In de nota naar aanleiding van het verslag met betrekking tot de wijziging van de Wet van 28 februari 1891 tot vaststelling van de Rivierenwet (TK 1990-1991, 21721, nr 6) is vermeld dat de rivieren met name een functie voor afvoer van water vervullen en dat dit laatste ook in relatie tot het waterkerend vermogen van rivierdijken die het achterliggende gebied moeten beschermen tegen overstroming zeer essentieel is. Het plaatsen van bouwwerken of caravans op het winterbed, laten staan van begroeiing en zelfs prikkeldraad tussen palen, kunnen de bergingscapaciteit beperken of obstakels veroorzaken, waardoor de afstroming wordt belemmerd. In het licht van het vorenstaande kan niet geoordeeld worden dat de in de Beleidslijn opgenomen doelstelling inhoudende beperking van schade door voor nieuwe activiteiten die in het winterbed kunnen worden toegestaan en die bij hoge waterstanden tot schade kunnen leiden, een minimaal beschermingsniveau van 1: 1250 per jaar aan te houden, zich niet met de Wet verdraagt.

2.6. Uitgaande van de beschermingsnorm van 1: 1250 ligt het perceel van appellant in het winterbed van de Maas.

De kaarten behorende bij de eerder vermelde Koninklijke Besluiten, op welke kaarten de Minister zich bij het nemen van zijn besluit moest baseren, geven binnen het winterbed aan een gedeelte waar de vergunningplicht altijd geldt, een gebied waar de vergunningplicht beperkt geldt en een gebied waar geen vergunningplicht geldt. Om te bepalen dat het perceel van appellant in het beperkte vergunningplichtige deel van het winterbed is gelegen, is de bij het Besluit van 1948 behorende kaart, met een schaal van 1:50.000, op twee manieren vergroot naar de voor Rijkswaterstaat gebruikelijke schaal van 1: 10.000. De kaart is zowel door middel van kopiëren en computerscanning vergroot, waarbij beide vergrotingen gelijk zijn gebleven. Hieruit is gebleken dat een deel van het perceel in het beperkt winterbed is gelegen, zoals dat beperkte winterbed is aangegeven op de kaart bij het Besluit van 1948. Voorts zijn de grenzen van het beperkt wintergebied ter plaatse tevens aan de hand van de coördinaten van de winterbedpalen, zoals die voor de uiterste grens van het winterbed in het KB van 1948 zijn bepaald, vastgesteld. Ook deze methode heeft tot de conclusie geleid dat het perceel van A gedeeltelijk in het beperkte winterbed is gelegen. Uit deze verschillende grensbepalingen volgt dat de grens tussen het vergunningplichtige en niet-vergunningplichtige deel van het winterbed - zelfs in het voor appellant gunstigste geval - door het perceel van appellant loopt. Weliswaar kan niet precies worden vastgesteld waar de grens van het winterbed is gelegen, maar door appellant is niet aannemelijk gemaakt aan de hand van de kaarten waarop de Minister zich diende te baseren, dat het perceel van appellant op geen enkel punt binnen het vergunningplichtige deel van het winterbed valt. De Minister heeft zich dan ook op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat - een gedeelte van - het perceel in het vergunningplichtige deel van het winterbed is gelegen.

2.8. Appellant heeft geen argumenten aangevoerd op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de Minister de vergunning heeft kunnen weigeren.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr P. van Dijk, Voorzitter, en mr R.W.L. Loeb en mr H. Bekker, Leden, in tegenwoordigheid van mr A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Kallan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 december 1999

15.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,