Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AA4024

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H01.98.0308
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2000, p. 766 met annotatie van P.C.E. van Wijmen
Module Ruimtelijke ordening 1999/3770
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad vanState

H01.98.0308

Datum uitspraak: 6 dec 1999

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A te B, appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 9 januari 1998 in het geding tussen: appellant en de raad van de gemeente Weert.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 1996 heeft de raad van de gemeente Weert (hierna: de raad) aan appellant een schadevergoeding, als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, toegekend ten bedrage van f 79.000,--, te verhogen met de wettelijke rente van f 6.503,-

Bij besluit van 30 januari 1997 heeft de raad het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het mede daaraan ten grondslag liggende nadere advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken van 11 december 1996 zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 9 januari 1998, verzonden op dezelfde dag heeft de arrondissementsrechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 17 februari 1998, bij de Raad van State ingekomen op 18 februari 1998, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 april 1998. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 juli 1998 heeft de raad een memorie van antwoord ingediend.

Bij brief van 2 oktober 1998 heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, op verzoek van de Afdeling, advies uitgebracht. Dit advies is aangehecht.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben de raad bij brief van 16 november 1998 en appellant bij ongedateerde brief, ingekomen bij de Raad van State op 17 december 1998, hierop gereageerd.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 1999, waar appellant in persoon en de raad, vertegenwoordigd door H.L.M.G. Creemers, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant exploiteerde ten tijde van het nemen van de beslissing ophet bezwaarschrift onder meer bakkerij […] en de winkel […] aan de[…]markt 15 te B. Ten behoeve van de oprichting van een bank en eenappartementencomplex op het aangrenzende perceel - welk perceelkrachtens het ter plaatse van kracht zijnde bestemmingsplan "Stadskern1971 " grotendeels de bestemming "Parkeerterrein" en gedeeltelijk debestemming "WH 1 " (welke aanduiding staat voor winkels en horeca in één bouwlaag) had - is bij besluit van 30 juni 1994, onherroepelijk geworden op 14 maart 1995, vrijstelling verleend, als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: WRO), van dit bestemmingsplan. De raad heeft aan appellant in verband hiermee een planschadevergoeding toegekend van f 79.000,-- exclusief rente gebaseerd op de waardvermindering van de woning en het bedrijfspand van appellant, alsmede op een omzetdaling van f 7000,-- per jaar. Bij de berekening van de inkomstenderving is hierbij een renteverrekening uit vrijkomend kapitaal toegepast. De raad heeft zich hierbij gebaseerd op de adviezen van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) van 22 augustus 1996, 9 september 1996 en 11 december 1996.

2.2 Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - samengevat weergeven - overwogen dat de schatting van het aan de planologische maatregel toe te rekenen omzetverlies op een bedrag van f 7000,-- niet onaanvaardbaar is en dat de raad op basis van de jaarstukken over de jaren 1987 tot en met 1995 redelijkerwijze heeft kunnen concluderen dat niet de gehele omzetderving van de bedrijven van appellant aan de planologische maatregel is te wijten. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien om de toegepaste renteverrekening te vernietigen.

2.3. Appellant betwist dit oordeel en stelt zich op het standpunt dat de inkomensschade ten gevolge van de planologische maatregel veel groter is dan door de SAOZ berekend en voorts dat de aftrek van de rente van het uitgekeerde bedrag aan vermogensschade niet terecht is omdat dit is gebaseerd op de Onteigeningswet, terwijl het hier gaat om de WRO. Bovendien is het vrijgekomen kapitaal in zijn bedrijf geinvesteerd.

2.4. Uit het door de SAOZ gemaakte overzicht, waarin de diverse omzetten met de daarbij behaalde brutowinst tegen elkaar zijn afgezet, blijkt dat de totale omzet van beide winkels vanaf 1987 tot en met 1995 is afgenomen. Tevens blijkt uit die cijfers dat de gestelde omzetderving niet alleen aan het verlies van de vrijwel direct aangrenzende en in het zicht liggende parkeerplaats en aan de winkels gelegen aan de Kasteellaan is te wijten. De SAOZ heeft het ten gevolge van de verleende vrijstelling toe te rekenen omzetverlies bepaald op een bedrag van f 7000,-- per jaar. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (verder: de StAB), door de Afdeling als deskundige benoemd, heeft desgevraagd op 2 oktober 1998 advies uitgebracht, waarbij is ingegaan op de hoogte van de vergoeding wegens omzetschade en de verrekening van de te ontvangen rente op schadevergoeding. Tevens is ingegaan op het advies van de SAOZ en de door appellant bij zijn hoger-beroepschrift overgelegde gegevens. De StAB heeft in haar advies geconcludeerd dat voortzetting van de exploitatie van de bakkerij in de huidige vorm op termijn appellant geen enkel perspectief meer zou hebben geboden, ook al was de verandering van het planologisch regime achterwege gebleven. Reeds vanaf 1988 is sprake van een omzetdaling, derhalve voordat het parkeerterrein medio november 1994 is gesloten en de bouwwerkzaamheden waren aangevangen. Voorts heeft deze verandering op zijn hoogst bijgedragen tot een bespoediging van de onvermijdelijk lijkende bedrijfsbeëindiging. Verder heeft de StAB geconcludeerd dat op basis van de bedrijfsgegevens waarover de SAOZ beschikte niet eenduidig een nadelig effect van de planologische maatregel op de omzet van de bakkerij kan worden geconstateerd. Uit de recente bedrijfsgegevens van appellant valt wel enig effect van de verandering van het planologisch regime te constateren. Met betrekking tot het Bakhoes, dat onder het oude regime direct aan het - thans bebouwde - parkeerterrein grensde en uitsluitend vanaf dit parkeerterrein zichtbaar en toegankelijk was, acht de StAB wel aannemelijk dat de omzetdaling geheel is toe te schrijven aan het effect van de verandering van het planologisch regime. De StAB is tenslotte tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding is om de raming van de omzetschade door de SAOZ als onjuist aan te merken.

2.5. De Afdeling ziet, gezien de stukken, geen grond om aan de juistheid van de zienswijze van de StAB te twijfelen en is gelet hierop van oordeel dat de raad de vermogensschade op een juist bedrag heeft vastgesteld. De omzetcijfers van 1997 en 1998 die appellant bij schrijven van 12 februari 1999 nog heeft overgelegd, doen hieraan niet af, nu hieruit weliswaar blijkt dat de omzetderving voor die jaren nog hoger ligt dan de schatting die de SAOZ heeft gemaakt voor de jaren 1987 tot en met 1995, maar uit deze gegevens niet kan worden afgeleid in hoeverre de daling van de omzet is te herleiden tot het vrijstellingsbesluit.

2.6. Met betrekking tot de verrekening van de te ontvangen rente op de schadevergoeding wegens waardevermindering van de bedrijfspanden met de schadevergoeding ter zake van inkomstenderving overweegt de Afdeling dat niet in alle gevallen aanleiding behoort te bestaan deze toe te passen. De raad heeft, onder verwijzing naar het schrijven van de SAOZ van' 23 oktober 1998 betoogd, dat verrekening dient plaats te vinden omdat er sprake is van gedeeltelijke liquidatie. Die stelling kan de Afdeling niet volgen, nu hier ook sprake is van gedeeltelijke voortzetting van het bedrijf.

Het antwoord op de vraag of bij voortzetting van een bedrijf verrekening dient plaats te vinden, is mede afhankelijk van de omstandigheid of betrokkene heeft geinvesteerd ten behoeve van omzet-vervangende activiteiten en voorts of met het daarbij behaalde resultaat rekening is gehouden bij de berekening van de inkomstenderving. Gelet hierop had het op de weg van de raad gelegen evenbedoelde renteverrekening nader te motiveren. Ten onrechte heeft de rechtbank hier geen oog voor gehad

.

2.7. Het hoger beroep is mitsdien gegrond en de aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van de raad van 30 januari 1997 in zoverre vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.8. De Afdeling acht termen aanwezig voor na te melden proceskostenveroordeling in beroep en hoger beroep.

3 Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 9 januari 1998, nr. 97 1331 WET Kl, voor zover betrekking hebbende op de renteverrekening;

III. verklaart het door appellant bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van 30 januari 1997, voor zo ver daarbij de bezwaren van appellant met betrekking tot de renteverrekening ongegrond zijn verklaard;

V. bepaalt dat de raad in zo verre opnieuw een beslissing neemt op het bezwaarschrift van appellant;

VI. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;

VII. veroordeelt de raad der gemeente Weert in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 1934,30, waarvan een bedrag van f 1420,-- is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Weert te worden betaald aan appellant;

VIII. gelast dat door de gemeente Weert het door appellant aan hem in beroep en hoger beroep gestorte recht (f 515,--) wordt vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr J.J.R. Bakker, Voorzitter, en mr A. Kosto en mr B. van Wagtendonk, Leden, in tegenwoordigheid van mr A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Bakker w.g. Kallan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 DEC.1999

45-15.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,