Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AA4013

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-11-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H01.98.1803
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

vanState

H01.98.1803

Datum uitspraak: 2 9 november 1999

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. A en anderen, allen te B,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sepeba B.V. te Westbeemster,

3. burgemeester en wethouders van Zaanstad, appellanten,

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 17 september 1998 in het geding tussen: appellanten sub 1 en appellanten sub 3.

1 . Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 27 april 1998 hebben appellanten sub 3 (hierna: burgemeester en wethouders) aan appellante sub 2 (hierna: Sepeba) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van twee bedrijfsruimten met ieder een dienstwoning op de lokatie Kalverringdijk 43 te Zaandam.

Bij besluit van 28 augustus 1998 hebben burgemeester en wethouders het hiertegen door appellanten sub 1 (hierna: A e.a.) gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 september 1998, verzonden op dezelfde datum, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Haarlem (hierna: de president) het door A e.a. tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben A e.a. bij brief van 19 november 1998, bij de Raad van State ingekomen op 20 november 1998, Sepeba bij brief van 28 oktober 1998, bij de Raad van State ingekomen op 30 oktober 1998, en burgemeester en wethouders bij brief van 28 oktober 1998, bij de Raad van State ingekomen op 29 oktober 1998, hoger beroep ingesteld. Burgemeester en wethouders hebben de gronden van hun beroep aangevuld bij brief van 27 november 1998. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 april 1999 hebben burgemeester en wethouders van Zaanstad van antwoord gediend. Bij brief van 9 juni hebben A e.a. van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 oktober 1999, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr H.Y. Nelemans en mr J.G. Daas, beide ambtenaren der gemeente, Sepeba, vertegenwoordigd door mr J.C. Bruintjes, advocaat te Amsterdam, en R. A in persoon zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Kalverpolder' is het bouwperceel bestemd voor 'Bedrijven'. Ingevolge artikel 13, eerste lid, zijn de op de plankaart als zodanig bestemde gronden aangewezen voor bebouwing voor instellingen en bedrijven, die functies uitoefenen, vermeld in bijlage Cl en de aanleg van de daarbij behorende verkeers-, opslag- en groenvoorzieningen. Ook zijn toegelaten instellingen en bedrijven die functies uitoefenen, vermeld in bijlage C2, als het productieproces of een deel daarvan niet plaatsvindt tussen 19.00 en 07.00 uur. Uitgesloten zijn die bedrijven die voldoen aan de omschrijvingen van het Besluit categorie A- inrichtingen Wet Geluidhinder. Per instelling of bedrijf mag één dienstwoning worden gebouwd met een maximale inhoud van 400 m3'

Ingevolge artikel 13, derde lid, aanhef en onder a, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen voor de vestiging van instellingen en bedrijven die functies uitoefenen die niet zijn vermeld in bijlagen Cl en C2, maar die wat betreft hinder en planologische aanvaardbaarheid voor de omgeving gelijkwaardig zijn aan de wel vermelde.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 1, wordt in de planvoorschriften onder dienstwoning verstaan: een woning die behoort bij en waarvan de bewoning noodzakelijk is voor en verband houdt met de bedrijfsuitoefening in of beheer van het bedrijf of instelling op het perceel waarop de woning zich bevindt, zoals een woning voor een portier of conciërge.

2.2. De verleende vrijstellingen en bouwvergunningen hebben betrekking op de realisering van de vestiging van een praktijk voor acupunctuur en homeopathie (hierna ook: de praktijk) en een accountantskantoor. De daarbij op te richten dienstwoningen zijn in de bouwwerken geïntegreerd. De desbetreffende functies zijn niet vermeld in bijlagen Cl en C2 bij de bestemmingsplanvoorschriften en de bouwplannen zijn derhalve in strijd met het bestemmingsplan. Het geschil in hoger beroep betreft de vraag of burgemeester en wethouders bevoegd waren terzake vrijstelling te verlenen.

2.3. De praktijk en het accountantskantoor vallen onder onderscheidenlijk de bedrijfsfuncties "individuele praktijk in de gezondheidszorg", gecodeerd DSWONR 781, SBI 93, en "bedrijf voor zakelijke dienstverlening v.o. g.d. 150 m2 excl. 84.95197199.8", gecodeerd DSWONR 746, SBI 84, als vermeld in de in bijlage G bij het bestemmingsplan opgenomen "Standaard bedrijfsfunctielijst" (hierna: de standaardlijst). In deze lijst zijn in totaal vijf functieomschrijvingen opgenomen met de code SBI 84 en twee met de code SBI 93. In de bijlagen Cl en C2 zijn geen functies vermeld met de code SBI 93. In de bijlage Cl en C2 zijn, behoudens de functie loonpakkerijen met de code SBI 84.99.8 in bijlage Cl, evenmin functies met de code SBI 84 vermeld.

2.4. De president heeft overwogen dat, nu in de bijlagen Cl en C2 geen functies zijn vermeld met de code SBI 93, de praktijk niet planologisch gelijkwaardig is aan een der in de bijlagen Cl en C2 genoemde handels- en bedrijfsfuncties. Hierbij heeft de president in aanmerking genomen dat "maatschappelijke doeleinden", waaronder de praktijk volgens de president als bedrijfssoort ressorteert, in het bestemmingsplan op grond van artikel 10 van de planvoorschriften een eigen plaats hebben gekregen. Daarnaast heeft de president belang gehecht aan de wijze van de totstandkoming van de in bijlagen Cl en C2 opgenomen functielijsten, zoals omschreven in de Toelichting op Functielijsten voor Bedrijfsbestemmingen (hierna: de Toelichting) van de Dienst Stadsontwikkeling en Openbare Werken. De vrijstelling had derhalve niet kunnen worden verleend, aldus de president.

Nu in bijlage Cl wel een - andere - functie met de code SBI 84 is vermeld, is naar het oordeel van de president bewust de functie waartoe het accountantskantoor moet worden gerekend, niet in de bijlagen Cl en C2 vermeld. Gelet op de Toelichting wordt in dat geval de bouwvergunning geweigerd, tenzij er redenen zijn om te onderzoeken of vrijstelling kan worden verleend. De president acht door burgemeester en wethouders niet aangetoond dat het accountantskantoor wat betreft hinder en planologische aanvaardbaarheid gelijkwaardig is aan een van de wel in bijlagen Cl en C2 vermelde functies.

2.5. Voor de beoordeling van de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen, zijn de bewoordingen van het bestemmingsplan bepalend. Slechts indien de voorschriften op zichzelf noch in hun onderlinge samenhang duidelijk zijn, kan aan de toelichting op het bestemmingsplan betekenis worden gehecht. Zij vermag evenwel geen wijziging te brengen in hetgeen uit de planvoorschriften voortvloeit.

2.6. De vrijstellingsbepaling ziet op de mogelijkheid ook de vestiging van bedrijven toe te laten die andere functies uitoefenen dan de in de bijlagen Cl en C2 vermelde, mits zij wat betreft hinder en planologische aanvaardbaarheid voor de omgeving gelijkwaardig zijn aan de wel vermelde. In de bewoordingen van deze bepaling valt geen aanknopingspunt te vinden voor de opvatting dat een functie planologisch onaanvaardbaar is, reeds omdat de desbetreffende functiecategorie wel in de standaardlijst is opgenomen, maar niet in de bijlagen Cl of C2 is vermeld. Dat in de bijlagen Cl en C2 geen functies zijn vermeld met dezelfde SBI-code, dwingt dan ook niet tot de conclusie dat de praktijk reeds op die grond niet als een planologisch gelijkwaardige functie kan worden aangemerkt. Hetgeen ten aanzien van de terminologie inzake bedrijfsactiviteiten in de Toelichting is vermeld, is in dit geval niet van doorslaggevend belang. Zij maakt geen deel uit van het bestemmingsplan of van de toelichting op het bestemmingsplan. Dat de praktijk voor acupunctuur en homeopathie ook op gronden met de bestemming "sociaal-culturele voorzieningen" kan worden gerealiseerd, leidt niet tot een ander oordeel.

2.7. Er is voorts geen grond voor het oordeel dat burgemeester en wethouders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het accountantskantoor en de praktijk naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de op de lijst Cl genoemde bedrijven.

Daartoe hebben zij in aanmerking kunnen nemen dat een praktijk voor acupunctuur en homeopathie gelijkwaardig is aan de functie "persoonlijke dienstverlening", vermeld in bijlage Cl. Dit geldt ook voor een accountantskantoor in verhouding tot de in bijlage Cl vermelde functie "werkgevers- en werknemersorganisatie". Voorts hebben zij daartoe in aanmerking kunnen nemen dat de lokatie blijkens de toelichting op het bestemmingsplan in principe is bedoeld voor kleinschalige bedrijvigheid, die de natuurwetenschappelijke waarde van de Kalverpolder niet zal aantasten.

Ten aanzien van de beoordeling van gelijkwaardigheid wat betreft het aspect "hinder" hebben burgemeester en wethouders gebruik kunnen maken van de standaardlijst waarin basisinformatie is opgenomen over de milieubelasting die een bedrijfstype op verschillende aspecten veroorzaakt. Daaruit blijkt dat een praktijk voor acupunctuur en homeopathie en een accountantskantoor op de aspecten geur, stof, geluid en trilling, gevaar, lucht, water en bodem gelijkwaardig zijn aan een aantal bedrijven die zijn vermeld in bijlage Cl.

2.8. Uit het vorenstaande volgt dat, anders dan de president heeft geoordeeld, burgemeester en wethouders bevoegd waren krachtens artikel 13, derde lid, vrijstelling te verlenen voor de vestiging van de praktijk en het accountantskantoor.

2.9. De hoger beroepen van Sepeba en burgemeester en wethouders zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het hoger beroep van A e.a. is ongegrond.

2.10. Doende hetgeen de president zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidend beroep van A e.a. bij de rechtbank alsnog ongegrond verklaren. Daartoe overweegt zij dat er geen grond is om te oordelen dat burgemeester en wethouders deze vrijstellingen na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid hebben kunnen verlenen.

Hetgeen A e.a. hebben aangevoerd vormt geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Burgemeester en wethouders hebben aannemelijk gemaakt dat, gelet op de aard en de omvang van de bouwplannen, aan de bedrijfsuitoefening van A e.a. geen strengere milieu-eisen zullen worden gesteld, dan reeds uit de huidige situatie volgen.

Met betrekking tot de stelling van A e.a. dat de bouwwerken voor andere doeleinden zullen worden gebruikt, merkt de Afdeling ten overvloede nog op dat, indien mocht blijken dat de bouwwerken uitsluitend of mede zullen worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming "Bedrijven" voorziet, om handhaving van het bestemmingsplan kan worden verzocht.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen.

2.12. De Afdeling ziet aanleiding te bepalen dat het door Sebepa betaalde griffierecht door de Secretaris van de Raad van State wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I verklaart de hoger beroepen gegrond;

II vernietigt de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 17 september 1998, 98/2885 WW44 en 9815409;

III verklaart het door A e.a. bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

Iv. gelast dat de Secretaris van de Raad van State aan Sebepa het

door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (f 630,--) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr W.M.G. Eekhof-de Vries, Voorzitter, en mr R.W.L. Loeb en mr F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr E.C.R. Schut, ambtenaar van Staat.

w.g. Eekhof-de Vries w.g. Schut

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 november 1999

60-299.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,