Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AA3779

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H01.99.0155
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Burgemeester en wethouders van Veere hebben appellant gelast de kampeermiddelen op het terrein aan de C-weg 1 te B te verwijderen, zulks onder verbeurte van een dwangsorn van f 25,-- per dag, per kampeermiddel, tot een maximum van f 150.000,-- voor het gehele kampeerseizoen 1997.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad

van State

H01.99.0155.

Datum uitspraak: 29 JULI 1999

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A te B, appellant.

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Middelburg van 20 januari 1999 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Veere.

1 . Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 1997 hebben burgemeester en wethouders van Veere (hierna: burgemeester en wethouders) appellant gelast de kampeermiddelen op het terrein aan de C-weg 1 te B te verwijderen, zulks onder verbeurte van een dwangsorn van f 25,-- per dag, per kampeermiddel, tot een maximum van f 150.000,-- voor het gehele kampeerseizoen 1997.

Namens de Stichting Vrije Rekreatie Broekseweg 75-77 te Meerkerk heeft appellant op 7 augustus 1997 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij brief van 12 augustus 1997 heeft appellant burgemeester en wethouders meegedeeld dat 'in het ingediende bezwaarschrift van 7 augustus 1997 abusievelijk bij vergissing de passage "namens de Stichting Vrije Rekreatie Broekseweg 75-77 te Meerkerk" is opgenomen. Ik verzoek u dit als niet opgenomen te beschouwen'.

Bij besluit van 27 januari 1998, verzonden 2 februari 1998, hebben burgemeester en wethouders de brief van appellant van 12 augustus 1997 als bezwaarschrift aangemerkt en dit bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 januari 1999, verzonden op die dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 25 januari 1999, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 februari 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 maart 1999 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 1999, waar appellant in persoon en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door J.C. Waverijn, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt het bezwaar- of beroepschrift ondertekend en bevat het ten minste de naam en het adres van de indiener. In artikel 6:6 van de Awb is bepaald dat indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, dit niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.2. De Afdeling verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat burgemeester en wethouders het bezwaar van appellant van 12 augustus 1997 terecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk hebben verklaard. De brief van appellant van 12 augustus 1997 moet worden opgevat als een door appellant zelf ingediend eerste bezwaarschrift. Het bij brief van 7 augustus 1997 door de Stichting Vrije Rekreatie Broekseweg 75-77 te Meerkerk ingediende bezwaar is door burgemeester en wethouders terecht niet aan appellant toegerekend. Het is niet mogelijk om gedurende de behandeling van een bezwaarschrift de persoon van de indiener daarvan te wijzigen. De omstandigheid dat bezwaar wordt ingesteld door een persoon van wie tijdens de bezwaartermijn niet kenbaar was dat hij als indiener moet worden aangemerkt, kan niet als een vormverzuim beschouwd worden, dat op grond van artikel 6:6 van de Awb kan worden hersteld. Hetgeen appellant in dit verband heeft betoogd, treft geen doel. De bezwaartermijn is aangevangen op 1 juli 1997 en liep tot en met 11 augustus 1997. Dientengevolge rest geen andere conclusie dan dat het bezwaarschrift van appellant is ingediend buiten de wettelijke gestelde termijn van zes waken. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W.M.G. Eekhof-deVries, Lid van de enkelvoudige kamer,

in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Eekhof-de Vries w.g. Ouwehand

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 JULI 1999

224. Verzonden:

Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,