Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AA3748

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H01.99.0070
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 1999, 428
Module Ruimtelijke ordening 1999/1651

Uitspraak

Raad van State

H01.99.0070.

Datum uitspraak: 6 augustus 1999

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

A te B, appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 26 november 1998 in het geding tussen: appellant en burgemeester en wethouders van Anna Paulowna.

1 Procesverloop

Bij uitspraak van 23 mei 1996, inzake WRO 94/2116, heeft de arrondissementsrechtbank te Alkmaar (hierna: de rechtbank) het besluit van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna van 14 oktober 1994, strekkende tot ongegrondverklaring van het bezwaar van appellant tegen hun weigering om met toepassing van de anticipatie procedure vergunningen te verlenen voor de bouw van een woning en een fazantenstal op het perceel kadastraal bekend gemeente Anna Paulowna,[ ], vernietigd.

Bij besluit van 29 april 1997 hebben burgemeester en wethouders het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en hun weigering om de gevraagde vergunningen te verlenen gehandhaafd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 november 1998, verzonden op 1 december 1998, heeft de rechtbank het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 30 maart 1999 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juli 1999, waar appellant, vertegenwoordigd door R. Kruijff en bijgestaan door mr. A.Th. Meijer, advocaat te Amsterdam, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. van Schie, advocaat te Purmerend, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is dat de bouw van de woning en de fazantenstal in strijd is met zowel het ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar voor het perceel geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied 1970", als met de in het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1992"dat, gelijk de rechtbank heeft overwogen, destijds nog in procedure was aan het perceel toegekende bestemming "agrarische doeleinden A, onbebouwd".

2.2. Het geschil spitst zich toe op de weigering van burgemeester en wethouders om met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) te anticiperen op de hun in artikel 4, zesde lid, van de voorschriften van laatstgenoemd bestemmingsplan toegekende bevoegdheid tot wijziging van dat plan. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen grond is voor het oordeel dat burgemeester en wethouders niet in redelijkheid hebben kunnen weigeren te anticiperen op deze wijzigingsbevoegdheid.

2.3. Ingevolge artikel 4, zesde lid, voormeld, kunnen burgemeester en wethouders, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de WRO, de op de kaart aangegeven indeling van de bestemming wijzigen ten behoeve van de aanwijzing van bebouwingsvakken voor de vestiging van nieuwe volwaardige bedrijven met inachtneming van een aantal nader genoemde regels.

2.4. Uit artikel 8:5 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met onderdeel C, onder 2, van de bij die wet behorende Bijlage (de zogenoemde "negatieve lijst"), vloeit voort dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit tot wijziging van het bestemmingsplan krachtens artikel 4, zesde lid, dan wel tegen de weigering om zodanig besluit te nemen. Zodanige besluiten kunnen derhalve niet door bestuursrechter worden beoordeeld.

2.5. Het vorenstaande brengt met zich dat de weigering van burgemeester en wethouders om gebruik te maken van de hun in artikel 4, zesde lid, toegekende bevoegdheid tot wijziging van het bestemmingsplan, in de onderhavige procedure als een gegeven dient te worden beschouwd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.6. Geconcludeerd moet dan ook worden dat anticipatie niet mogelijk was. Burgemeester en wethouders hebben de gevraagde vergunningen derhalve terecht geweigerd.

2.7. De beslissing van de rechtbank is derhalve juist, zij het niet geheel op juiste gronden genomen. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van gronden te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.H. Grosheide en mr. J.J.H. Suyver, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Groverman, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek Voorzitter

w.g. Groverman ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 1999

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,