Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AA3746

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-08-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
199900871 /P50
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Goedkeuringsbesluit bestemmingsplan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Raad

van State

199900871 /P50.

Datum uitspraak: 23 augustus 1999

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek van

A te B, verzoeker,

vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis,

om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:

verzoeker

en

gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerders.

1 Procesverloop

Burgemeester en wethouders van Uden hebben bij besluit van 16 maart 1999 het bestemmingsplan "Buitengebied, 1e partiƫ le herziening" met toepassing van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gewijzigd, overeenkomstig de bij dit besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte tekening (vergroting bebouwingsvak aan de L-weg 4 ten behoeve van het uitbreiden van varkensbedrijf Maatschap A).

Verweerders hebben bij besluit van 25 mei 1999, Dienst Ruimte, Economie en Welzijn, Afdeling BG, no. 605583, beslist over de goedkeuring van deze wijziging.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 29 juni 1999, nader aangevuld bij brief van 28 juli 1999, beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarnaast heeft verzoeker zich bij brief van 28 juli 1999 tot de Voorzitter gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht is het mogelijk om, indien tegen een besluit beroep is ingesteld dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening te treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat het geding in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de Voorzitter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure. Ingevolge artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de Voorzitter, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, uitspraak doen zonder oproeping en verhoor van partijen.

2.2. Bij besluit van 25 mei 1999 hebben verweerders goedkeuring onthouden aan de onderwerpelijke wijziging van het bestemmingsplan "Buitengebied, le partiƫle herziening".

2.3. Verzoeker kan zich met deze onthouding van goedkeuring niet verenigen en vraagt de Voorzitter het besluit van gedeputeerde staten te schorsen, opdat verzoeker zijn bedrijf met een stal voor 1.080 gespeende biggen kan uitbreiden.

2.4. De Voorzitter stelt vast dat een schorsing van de onthouding van goedkeuring er niet toe leidt dat verzoeker zijn bedrijf met de door hem gewenste stal kan uitbreiden, aangezien een dergelijke voorlopige voorziening niet tot gevolg heeft dat het wijzigingsplan wordt geacht te zijn goedgekeurd. Voor zover verzoeker met zijn verzoek beoogt dat een voorlopige voorziening wordt getroffen, ertoe strekkende dat het plan moet worden geacht te zijn goedgekeurd, overweegt de Voorzitter dat het treffen van een dergelijke voorlopige voorziening, gelet op het karakter van een beslissing tot onthouding van goedkeuring, in het algemeen te verstrekkend is. Hiertoe zal slechts in uitzonderlijke omstandigheden kunnen worden overgegaan, bijvoorbeeld indien het bestreden besluit evidente gebreken vertoont en bovendien zodanig urgente belangen van verzoeker in het geding zijn dat de bodemprocedure in redelijkheid niet kan worden afgewacht. Naar het oordeel van de Voorzitter doen zich in dit geval niet zodanig uitzonderlijke omstandigheden voor dat het treffen van een zo verstrekkende voorlopige voorziening gerechtvaardigd is.

2.5. Het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht dient derhalve, als kennelijk ongegrond, te worden afgewezen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak;

wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Aldus vastgesteld door mr. J. de Vries, Voorzitter, in tegenwoordigheid van A.M.Th. Schuller, ambtenaar van Staat.

w.g. De Vries w.g. Schuller

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 1999

199900871 /P50.

VERZONDEN 24 augustus 1999

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,