Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AA3636

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
E04.98.0192/Q01
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 6:2
Wet educatie en beroepsonderwijs 6.1.3
Wet educatie en beroepsonderwijs 6.4.2
Wet educatie en beroepsonderwijs 10.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

E04.98.0192/Q01.

Datum uitspraak: 18 maart l999

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen: de Stichting Interconfessioneel (rk/pc) Agrarisch Opleidings Centrum West-Brabant te Breda, appellante en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserijverweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 1998 heeft verweerder het bestuur van het agrarisch opleidingscentrum (AOC) Helicon te Boxtel meegedeeld dat in het Centraal register beroepsopleidingen (het CREBO) voor het studiejaar 1998-1999 een aantal door hem aangemelde opleidingen is geregistreerd. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij besluit van 28 oktober 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 4 december 1998, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 1998, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 januari 1999. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 27 januari 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 1999, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A. Meeuwesen, werkzaam bij deVereniging Besturenorganisaties Katholiek Onderwijs te Den Haag, en ir. H.W. van Pol, voorzitter van het College van Bestuur,

en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.C.M. Oudshoorn en drs. J.M. van Wissen, beiden ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1.1. Ingevolge artikel 6.4.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna te noemen: de WEB) meldt het bevoegd gezag elke beroepsopleiding met de verzorging waarvan de instellingvoornemens is een aanvang te maken, voor registratie in het Centraal register aan. Ingevolge artikel 6.4.2, derde lid, van de WEB registreert de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de opleidingovereenkomstig de door het bevoegd gezag overgelegde gegevens in het Centraal register. Onverminderd de artikelen 6.1.3, 6.1.4 en 6.1.6 weigert de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij ingevolge artikel 6.4.2, vierde lid, van de WEB registratie in het Centraal registeruitsluitend in de in dit artikellid genoemde gevallen.

2.1.2. Ingevolge artikel 6.1.3, eerste lid, van de WEB, voorzover hier van belang, kan de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij ten aanzien van een beroepsopleiding die de instelling voornemens is te verzorgen, de rechten, genoemd in artikel 1.3.1, onthouden indien de verzorging van die opleiding kennelijk niet doelmatig kan worden geacht, gelet op het geheel en de spreiding van het aanbod van beroepsonderwijs. Ingevolge artikel 6.1.3, tweede lid, aanhef en onder c, van de WEB houdt een beschikking op grond van het eerste lid in dat ten aanzien van het desbetreffende onderwijs de registratie in het Centraal register wordt geweigerd.

2.1.3. Ingevolge artikel 10.1 van de WEB, voorzover hier van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van artikel 6.1.3,eerste lid, van de WEB beroep instellen bij de Afdeling.

2.2. Het besluit van 29 januari 1998, welk besluit bij de bestreden beslissing op bezwaar is gehandhaafd, strekt tot registratie van enkele door het bevoegd gezag van het AOC Helicon te Boxtel aangemelde opleidingen in Vught. Appellante, bevoegd gezag van het AOC West-Brabant te Breda, kan zich hiermee niet verenigen aangezien de bedoelde opleidingen ook aan het AOC West-Brabant worden verzorgd en zij de komst van nieuwe opleidingen te Vught ondoelmatig acht.

2.3. Het in geding zijnde besluit is gebaseerd op artikel 6.4.2 van de WEB. Nu artikel 10.1 van de WEB geen beroep bij de Afdeling in eerste en enige aanleg openstelt tegen besluiten gebaseerd op artikel6.4.2 van de WEB, concludeert de Afdeling dat zij niet bevoegd is van het beroep kennis te nemen. Het beroepschrift zal dan ook met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wetbestuursrecht worden doorgezonden aan de arrondissementsrechtbank te Breda.

2.4. De Afdeling overweegt ten overvloede dat, voorzover appellante heeft bedoeld op te komen tegen het niet nemen van een besluit als bedoeld in artikel 6.1.3, eerste lid, van de WEB, het uitblijven vaneen dergelijk besluit niet kan worden beschouwd als een publiekrechtelijke rechtshandeling. Van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is derhalve geen sprake. Van een schriftelijke weigering een besluit te nemen is evenmin sprake, zodat artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht in dat geval toepassing mist. Tegen het - niet -ambtshalve nemen van een besluit tot onthouding staat dan ook geen beroep open op de bestuursrechter.

2.5. In aanmerking genomen dat verweerder in het bestreden besluit heeft aangegeven dat rechtstreeks beroep bij de Afdeling kon worden ingesteld en hij in zoverre onjuiste informatie heeft verstrekt, acht de Afdeling termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder tevens te gelasten het door appellante betaalde griffierecht te vergoeden.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart zich onbevoegd van het beroep kennis te nemen;

II. bepaalt dat het beroepschrift moet worden doorgezonden aan de arrondissementsrechtbank te Breda;

III. veroordeelt de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 1.420,--, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derdeberoepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) te worden betaald aan appellante;

IV. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) aan appellante het doorhaar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht(f 420,--) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr F.H. van der Burg en mr. J.J.H. Suyver, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek

Voorzitter

w.g. Visser

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 1999.

110-148.

Verzonden: 19 maart 1999.

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,