Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AA3626

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-1999
Datum publicatie
21-09-2005
Zaaknummer
E03.98.0770
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerders hebben krachtens de Wet milieubeheer aan appellant sub 2 een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een varkensmesterij.

Ook in bedenkingenprocedure dient mogelijkheid te worden geboden voor herstel

van bevoegdheids- en machtigingsgebreken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 1999/168

Uitspraak

Raad van State

E03.98.0770.

Datum uitspraak: 04 juni 1999

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. A te B

2. C te D,

3. E te B, en anderen

appellanten;

burgemeester en wethouders van Tholen, verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 april 1998, kenmerk 1053/IIIvmb/38, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan appellant sub 2 een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een varkensmesterij op het perceel K-weg 1 1 te D. Dit aangehechte besluit is op 29 april 1998 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 28 mei 1998, bij de Raad van State ingekomen op 29 mei 1998, appellant sub 2 bij brief van 8 juni 1998, bij de Raad van State ingekomen op 9 juni 1998, en appellanten sub 3 bij brief van 3 juni 1998, bij de Raad van State ingekomen op 8 juni 1998, beroep ingesteld.

Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 7 juli 1998.

Appellanten sub 3 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 26 juni 1998. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 september 1998 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellanten sub 3. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 1999,

waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door mr. ir. J.L. Mieras, gemachtigde,

appellant sub 2, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis,

appellanten sub 3,vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, gemachtigde,

en verweerders, vertegenwoordigd door J.B.J.M. Merkx en ing. C.T.M. van Dijk, werkzaam bij de Regionale Milieudienst van het Streekgewest Westelijk NoordBrabant te Roosendaal, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord gedeputeerde staten van Zeeland namens provinciale staten van Zeeland, vertegenwoordigd door mr. C. Gebuis en dr. ir. T.S. Blauw, ambtenaren van de provincie.

Verder is op verzoek van appellant sub 1 en appellanten sub 3 als deskundige gehoord dr ir L.J. van der Eerden, fytotoxicoloog aan het Instituut voor Agrobiologisch en Bodemvruchtbaarheidsonderzoek van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek (AB-DLO).

2. Overwegingen

2.I. op grond van de bij het bestreden besluit verleende vergunning mogen 6.720 vleesvarkens worden gehouden. Deze vleesvarkens worden gehuisvest in een door de Stichting Groen Label erkend staltype BB93.06.010. Verder mogen op grond van de vergunning 3.696 gespeende biggen tot 25 kg worden gehouden in een door de Stichting Groen Labelerkend staltype BB 94.06.021V1. 2.2. Appellant sub 1 heeft zijn beroep, behoudens de beroepsgrond met betrekking tot de directe ammoniakschade, ter zitting ingetrokken, zodat het beroep in zoverre buiten behandeling wordt gelaten. 2.3. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheerkan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheidadvies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

2.3.1. De Afdeling heeft eerder overwogen (uitspraak van 9 mei 1995,no. E03.94.0976, AB 1995, 529) dat uit artikel 20.6, tweede lid van de Wet milieubeheer moet worden afgeleid dat in de gevallen, bedoeld onder a en c, tegen het besluit slechts beroepsgronden kunnen worden voorgedragen die hun grondslag vinden in de door de desbetreffende rechtzoekende tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen, dan wel betrekking hebben op wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht. Gebleken is dat appellant sub 1 de beroepsgrond inzake directe ammoniakschade, en appellanten sub 3 de beroepsgronden dat het bepaalde in voorschrift 1.7 reeds geregeld is bij wet, zodat dit voorschrift overbodig is alsmede dat ten onrechte niet is voorgeschreven dat de haspels van de brandslangen moeten voldoen aan NENEN 671-1, eerst in beroep naar voren hebben gebracht. Deze beroepsgronden hebben voorts geen betrekking op wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht. Verder is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellant sub 1 en appellanten sub 3 redelijkerwijs niet zou kunnen worden tegengeworpen op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellant sub 1 geheel en het beroep van appellanten sub 3, wat betreft de hiervoor genoemde beroepsgronden, nietontvankelijk is.

2.4. Appellanten sub 3 stellen dat verweerders de bedenkingen van één van hen, te weten het "Actie Comité Varkens Nee", tegen het ontwerpbesluit ten onrechte niet-ontvankelijk hebben verklaard. Zij wijzen er op dat het comité als rechtspersoon moet worden aangemerkt.

2.4.1. Blijkens de overwegingen van het bestreden besluit zijn de bedenkingen van het "Actie Comité! Varkens Nee" niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet overleggen van statuten. In het verweerschrift hebben verweerders aangegeven dat het "Actie Comité Varkens Nee" herhaaldelijk om statuten is gevraagd, doch dat deze niet zijn overgelegd.

2.4.2. Bij brief van 1 juli 1997 heeft het "Actie Comité Varkens Nee" bedenkingen ingebracht tegen het ontwerpbesluit. Uit de stukken blijkt dat het "Actie Comité Varkens Nee" hierbij geen statuten heeft gevoegd. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt, voorzover hier van belang, dat indien niet is voldaan aan artikel 6:5of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, dit nietontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Zoals de Afdeling ten aanzien van een machtigingsgebrek bij een bedenkingenschrift heeft overwogen in haar uitspraak van 17 april 1998, no. E03.96.0126 (JB 1998, 144), overweegt zij met betrekking tot het hiervoor gesignaleerde verzuim dat de aard van de bedenkingenprocedure geen mogelijkheid tot herstel vergt, die afwijkt van die geregeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht. Derhalve moet bij de beoordeling van dit verzuim worden aangesloten bij hetgeen ingevolge dit artikel geldt voor de mogelijkheid ombevoegdheidsen machtigingsgebreken bij de indiening van bezwaarschriften te herstellen. Dit betekent dat verweerders de bedenkingen van het "Actie Comité Varkens Nee" met een beroep op het gebrek niet buiten behandeling konden laten, dan nadat gelegenheid tot herstel was geboden. Verweerders hebben weliswaar gesteld dat gelegenheid tot herstel is geboden, maar zij hebben geen stukken overgelegd waaruit zulks blijkt. De Afdeling moet er dan ook van uitgaan dat deze gelegenheid niet is geboden. Onder die omstandigheden hadden verweerders het bedenkingenschrift niet niet-ontvankelijk mogen verklaren vanwege het ontbreken van statuten.

Voorts overweegt de Afdeling dat anders dan appellanten sub 3 kennelijk veronderstellen in het bestreden besluit door verweerders wel is ingegaan op de bedenkingen in het bedenkingenschrift van het "Actie Comité Varkens Nee". Verweerders hebben deze bedenkingen beoordeeld als zijnde de bedenkingen van A. Pot. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het "Actie Comité Varkens Nee" door de handelwijze van verweerders niet in zijn belangen is geschaad. De Afdeling ziet dan ook aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren. Het beroep van appellanten sub 3 is in zoverre ongegrond.

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt, dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieukan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wetmilieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel moeten aan een vergunning de voorschriften worden verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, moeten aan de vergunning de voorschriften worden verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Uit dit samenstel van bepalingen volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt. Bij de toepassing van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wetmilieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten voortvloeit.

2.6. Appellanten sub 3 betogen dat verweerders, bij de berekening van de stankernissie van de in de inrichting aanwezige gespeende biggen, de omrekeningsfactor voor mestvarkens (1,4) hadden moeten hanteren, aangezien in de varkensmesterij geen fokzeugen worden gehouden. Zij hebben in dit verband verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 8 december 1994, no. GOS.93.2257 en 25 augustus 1997, no. E03.95.1704. Het vergunde veebestand komt volgens hun overeen met(6.720:1,4 + 3.696:1,4=) 7440 mestvarkeneenheden.

2.6.1. Verweerders hebben de berekening van de stankemissie van de inde inrichting aanwezige dieren uitgevoerd aan de hand van de in bijlage 1 van de Richtlijn Veehouderij en stankhinder 1996 van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 oktober 1996, kenmerk DWL\96057153 (verder te noemen: de Richtlijn) opgenomen omrekeningsfactoren. De Afdeling heeft in haaruitspraak van 21 april 1998, no. E03.97.0115 (AB 1998, 199) geoordeeld dat de in bijlage 1 van deze richtlijn opgenomen omrekeningsfactoren kunnen worden aanvaard als de meest recente milieutechnische inzichten. Verweerders hebben de stankemissie van de inrichting dan ook terecht bepaald met behulp van de in deze bijlage van de Richtlijn opgenomen omrekeningsfactoren. Verweerders hebben berekend dat het veebestand dat op grond van de onderhavige oprichtingsvergunning mag worden gehouden, overeenkomt met een stankemissie van (6.720:1,4 + 3.696:22=) 4.968 mestvarkeneenheden. Deze berekening is juist.

De omstandigheid dat in de varkensmesterij geen fokzeugen worden gehouden, kan de Afdeling niet tot een ander oordeel leiden.

De door appellanten sub 3 genoemde uitspraken hebben betrekking op een onder de werking van de brochure Veehouderij en Hinderwet (verder te noemen: de brochure) geldende verhouding voor de berekening van het aantal mestvarkeneenheden. Nu verweerders het aantal mestvarkeneenheden hebben berekend met behulp van de in bijlage 1 van de Richtlijn opgenomen omrekeningsfactoren, zijn deze uitspraken in dit verband niet relevant. Dit beroepsonderdeel is ongegrond.

2.7. Appellanten sub 3 voeren aan dat verweerders hebben verzuimd te beoordelen of bij de voorbereiding van het bestreden besluit een milieueffectrapport had moeten worden gemaakt.

2.7.1. Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2, tweede lid, van het Besluit milieueffectrapportage 1994, en de Bijlage, onder D, ten tweede, van dit Besluit, voor zover hier van belang is het oprichten van een varkensmesterij met een capaciteit van 5.000 mestvarken eenheden of meer aangewezen als activiteit waarop de procedure van de artikelen 7.8a tot en met 7.8d van toepassing is. Zoals hiervoor is overwogen komt het veebestand waarvoor vergunning is verleend, overeen met 4.968 mestvarkeneenheden. Hieruit volgt dat verweerders zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat in dit geval geen sprake is van een activiteit waarvoor het volgen van de procedure van de artikelen 7.8a tot en met 7.8d van de Wetmilieubeheer is vereist. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.8. Appellanten sub 3 hebben verder gesteld dat verweerders zich zonder een voldoende milieuhygiënische onderbouwing hebben gebaseerd op de in de Richtlijn opgenomen indeling in omgevingscategorieën. Voorzover verweerders zich hebben gebaseerd op de brochure hebben zij deze onjuist toegepast, aldus appellanten sub 3. In het bijzonder hebben zij in hun nadere memorie en ter zitting aangevoerd dat de omgeving van de inrichting aangemerkt moet worden als een categorie II-omgeving als bedoeld in de brochure.

2.8.1. Verweerders hebben voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder allereerst de in de Richtlijn opgenomen indeling in omgevingscategorieën tot uitgangspunt genomen. Vergunningverlening op basis van de Richtlijn is naar hun mening mogelijk. Daarnaast hebben zij bezien of vergunningverlening op grond van de brochure eveneens mogelijk is. Ook wanneer de brochure wordt gehanteerd kan naar hun mening vergunning worden verleend.

2.8.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar hiervoor genoemde uitspraak van 21 april 1998, no. E03.97.0115 (AB 1998, 199), zijn de in de Richtlijn neergelegde inzichten met betrekking tot de aanvaardbaarheid van door intensieve veehouderijen veroorzaakte stankhinder, voor zover het de in de Richtlijn opgenomen indeling in omgevingscategorieën betreft, onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd en kan het bevoegd gezag zich bij de toepassing van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer niet zonder een voldoende milieuhygiënische onderbouwing baseren op de in de Richtlijn opgenomen indeling in omgevingscategorieën. De Afdeling stelt vast dat zodanige onderbouwing evenmin aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd.

2.8.3. Voor zover verweerders zich hebben gebaseerd op de brochure hebben zij overwogen dat de omgeving van de onderhavige inrichtingmoet worden ingedeeld in categorie IV. Deze categorie wordt in bijlage 6 van de brochure als volgt omschreven: 'in de directe omgeving van het bedrijf is/zijn gelegen: andere agrarische bedrijven'. Verweerders hebben hierbij zwaar laten meewegen dat op het gebied waarin de inrichting is gelegen een agrarische bestemming rust. De Afdeling overweegt dat voor de vaststelling van de categorie-indeling in het kader van de brochure niet doorslaggevend is de planologische bestemming welke rust op nabijgelegen woningen van derden, doch dat daarvoor bepalend is het feitelijk gebruik dat daarvan wordt gemaakt. Verweerders hebben dan ook een onjuiste toepassing gegeven aan de brochure.

2.8.4. Gelet op het vorenstaande kan het bestreden besluit, wat betreft de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de stankhinder veroorzaakt door de onderhavige veehouderij, in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Dit onderdeel van het beroep is gegrond.

2.9. Appellanten sub 3 betogen dat sprake zal zijn van onaanvaardbare cumulatie van stankhinder.

2.9.1. Verweerders hebben voor de beoordeling van de cumulatie van stankhinder paragraaf 4 van de Richtlijn tot uitgangspunt genomen.

2.9.2. De in de Richtlijn opgenomen beoordelingsmethode voor cumulatieve stankhinder is afgeleid van het rapport "Beoordeling cumulatieve stankhinder door intensieve veehouderijen" (Publicatiereeks Lucht, nr. 46). Zoals de Afdeling in de uitspraak van 17 juli 1998, no. E03.97.0892 (JM 19981112), heeft overwogen is de in de Richtlijn gegeven motivering voor het wijzigen van de beoordelingsmethode onvoldoende draagkrachtig. In het bestreden besluit is evenmin een voldoende draagkrachtige motivering gegeven. Ter zitting hebben verweerders weliswaar gesteld dat wordt voldaan aan de normen die zijn opgenomen in bovengenoemd rapport, doch deze stelling is naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende onderbouwd. De conclusie moet zijn dat het bestreden besluit, wat betreft de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de door de onderhavige veehouderij veroorzaakte bijdrage aan de cumulatie van stankhinder, in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Het beroep is in zoverre gegrond.

2.10. De bezwaren van appellanten sub 3 hebben tevens betrekking op stankoverlast vanwege de brijvoederinstallatie. Zij achten de voorschriften 6.10 tot en met 6.16 ontoereikend. Appellant sub 2 betoogt dat voorschrift 6.16 onnodig bezwarendis. Hij stelt in dit verband dat het in voorkomende gevallen mogelijk moet zijn dat brijvoer ook ten behoeve van collega-varkenshouders opgeslagen kan worden.

2.10.1. Ter voorkoming dan wel beperking van mogelijke stankoverlast vanwege de brijvoederinstallatie, hebben verweerders de voorschriften 6.10 tot en met 6.16 aan de vergunning verbonden. In deze voorschriften is onder meer bepaald dat de verwerking van produkten in de brijvoederinstallatie zodanig moet plaatsvinden dat geen geurhinder in de omgeving ontstaat alsmede dat geen bloed, ingewanden en kippenslik in de brijvoederinstallatie mogen worden bewaard of verwerkt. Ingevolge voorschrift 6.16 mag het voeder uit de brijvoederinstallatie uitsluitend worden benut voor binnen deinrichting aanwezige varkens.

2.10.2. De Afdeling overweegt dat in de vergunningaanvraag niet is verzocht om brijvoederproducten voor collega-eehouders op te slaan, zodat deze activiteit niet is en ook niet kan worden vergund. Dat verweerders een verbod ter zake als beperking aan de vergunde activiteiten wegens de daarvan te verwachten gevolgen voor het milieu uitdrukkelijk hebben opgenomen acht de Afdeling niet onrechtmatig. Verder is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat, gelet op de hoeveelheid brijvoeder die volgens de aanvraag in de inrichting wordt opgeslagen, de voorschriften 6.10 tot en met 6.16 toereikend zijn ommogelijke stankoverlast van de brijvoederinstallatie te voorkomen danwel tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Het beroep van appellant sub 2 en het beroep van appellantensub 3 is op dit punt ongegrond.

2.11. Appellant sub 2 kan zich niet verenigen met de voorschriften2.6 en 2.8.

2.11.1. De Afdeling stelt vast dat aan de vergunning geen voorschriften 2.6 en 2.8 zijn verbonden. Het bezwaar van appellant sub 2 mist derhalve feitelijke grondslag en is derhalve ongegrond.

2.12. Appellanten sub 3 hebben een aantal bezwaren aangevoerd die verband houden met de te verwachten geluidniveaus op de in de voorschriften 3.1 en 3.2 genoemde referentiepunten.

2.12.1. Verweerders hebben bij de beoordeling van de vergunningaanvraag voor de onderhavige inrichting wat betreft de geluidaspecten de circulaire Industrielawaai tot uitgangspunt genomen, hetgeen naar het oordeel van de Afdeling niet in strijd met het recht is te achten.

2.12.2. Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder hebben verweerders onder meer de voorschriften 3.1 en 3.2 aan de vergunningverbonden. Ingevolge voorschrift 3.1 mag het equivalente geluidniveau (Lheq) geproduceerd door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, op de bij dit voorschrift behorende kaart met nummer Straathof Nr. 1 aangegeven immissiepunten niet meerbedragen dan: 45 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur;40 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur;35 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur. Ingevolge voorschrift 3.2 mag het maximale geluidniveau (Linax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, gemeten in de meterstand "fast", op de immissiepunten niet meer bedragen dan:65 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur;60 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur;55 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur.

2.12.3. De Afdeling stelt voorop dat de in de voorschriften 3.1 en 3.2 opgenomen geluidgrenswaarden niet door appellanten sub 3 zijn bestreden. De in de voorschriften 3.1 en 3.2 genoemde referentiepunten zijn op 50 en 70 meter van de inrichting gelegen. Uit de stukken enhet verhandelde ter zitting blijkt dat zich ter plaatse van deze referentiepunten geen woningen van derden of andere te beschermen geluidgevoelige bestemmingen bevinden. Verweerders hebben niet gemotiveerd waarom zij van de genoemde referentiepunten zijn uitgegaan en, gegeven het door hen gekozen uitgangspunt, voor het meten van de geluidgrenswaarden niet als referentiepunt de dichtstbijzijnde woning van een derde hebben voorgeschreven. Gezien het vorenstaande is het beroep van appellanten sub 3 inzake geluidhinder gegrond en komt het bestreden besluit wat betreft de voorschriften 3.1 en 3.2 in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. 2.13. Appellant sub 2 voert verder aan dat het aan het bestreden besluit verbonden voorschrift 3.5 overbodig is. 2.13.1. Verweerders stellen zich in het bestreden besluit op het standpunt dat voorschrift 3.5 is opgenomen om te garanderen dat de geluidgrenswaarden op de in de vergunningvoorschriften 3.1 en 3.2 aangegeven referentiepunten niet zullen worden overschreden.

2.13.2. Voorschrift 3.5 bepaalt dat deuren en ramen in de buitengevel van de varkensstal gesloten moeten worden gehouden; deuren mogen dan slechts worden geopend voor het onmiddellijk doorlaten van personen, dieren en/of goederen.

2.13.3. Naar het oordeel van de Afdeling schiet de in het bestreden besluit gegeven onderbouwing van voorschrift 3.5 te kort. Te dezen aanzien verwijst de Afdeling naar hetgeen zij in overweging 2.12.3heeft overwogen met betrekking tot de voorschriften 3.1 en 3.2. De in het verweerschrift opgeworpen stelling dat voorschrift 3.5 ook noodzakelijk is om stankoverlast tegen te gaan acht de Afdeling evenmin voldoende onderbouwd. Zo hebben verweerders niet aangegeven of in dit verband aandacht is besteed aan de situering van de inrichting ten opzichte van woningen van derden en aan deconstructie van de stal. Verder merkt de Afdeling op dat het desbetreffende voorschrift is opgenomen in de aan het bestreden besluit verbonden geluidparagraaf. Het beroep van appellant sub 2 is dan ook op dit punt gegrond en het bestreden besluit komt voor zover het voorschrift 3.5 betreft voor vernietiging wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wetbestuursrecht in aanmerking.

2.14. Appellanten sub 3 voeren verder aan dat de komst van de inrichting leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het landschap. Zij wijzen in dit verband op een aantal toekomstige planologische ontwikkelingen waardoor in principe uitsluitend plaats is voor de vestiging en uitbreiding van intensieve veehouderijen op bestaande bouwblokken tot een maximumoppervlakte van 1.000 m2.

2.14.1. De Afdeling is van oordeel dat verweerders zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt hebben gesteld dat de beoordeling van bezwaren inzake aantasting van het landschap, gelet op de aard daarvan, primair moet plaatsvinden in het kader van de besluitvorming krachtens de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Woningwet. Deze regelingen bieden het daartoe geschikte toetsingskader. De betrokken bezwaren betreffen, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet milieubeheer, echter wel een onderwerp waarop deze wet betrekking heeft. De ontwikkelingen waarnaar appellanten sub 3 in hun beroepschrift ter motivering van hun bezwaar hebben verwezen betreffen uitsluitend planologische aspecten en hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer. Overigens zijn bij de behandeling van het geschil geen argumenten naar voren gekomen die grond opleveren voor het oordeel dat verweerders de vergunning hadden moeten weigeren, dan wel daaraan voorschriften hadden moeten verbinden, wegens de nadelige gevolgen voor het milieu die uit landschappelijk oogpunt door de inrichting kunnen worden veroorzaakt. Dit beroepsonderdeel is ongegrond.

2.15. Appellanten sub 3 zijn beducht voor ammoniakschade aan de gewassen in de omgeving van de inrichting. Zij hebben verder naar voren gebracht dat verweerders de directe effecten van ammoniak hadden moeten toetsen aan het rapport Effecten van ammoniak op planten in de directe omgeving van stallen; update van een risicoschatting uit 1996, opgesteld door het Instituut voor Agrobiologisch en Bodemvruchtbaarheidsonderzoek van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek(AB-DLO) van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

2.15.1. Verweerders hebben in hun verweerschrift en ter zitting gesteld dat appellanten sub 3 deze beroepsgrond eerst in beroep naar voren hebben gebracht, zodat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

2.15.2. Uit het verslag van de hoorzitting die op 23 juni 1997 naar aanleiding van het ontwerpbesluit is gehouden, blijkt dat F één van de appellanten sub 3, als mondelinge bedenking heeft ingebracht dat het kweken van producten in de omgeving van een intensieve veehouderij een belemmering kan vormen voor boeren. De beroepsgrond inzake de directe ammoniakschade vindt naar het oordeel van de Afdeling voldoende grondslag in deze bedenking. De Afdeling ziet dan ook geen reden om het beroep van appellanten sub 3 in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

2.15.3. Verweerders hebben bij de beoordeling van de effecten van de ammoniakemissie uit de stallen van de inrichting op gewassen in de omgeving het rapport Stallucht en Planten uit juli 1981, opgesteld door het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek (IPO) tot uitgangspunt genomen. Uit een door de Regionale Milieudienst van het Streekgewest Westelijk Noord-Brabant te Roosendaal uitgevoerd veldonderzoek is gebleken dat, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, in de directe omgeving van het bedrijf alleen akkerbouwpercelen voor het verbouwen van graansoorten, bieten, uien, aardappelen en dergelijke waren gelegen, aldus verweerders. Verweerders hebben overwogen dat in evengenoemd rapport voor akkerbouwgewassen geen minimaal aan te houden afstand tot varkensstallen wordt aanbevolen.

2.15.4. Het hanteren van het rapport Stallucht en Planten ter invulling van de beoordelingsvrijheid op dit punt was ten tijde van het nemen van het besluit niet in strijd met het recht te achten. De Afdeling merkt in dit verband op dat eerst in november 1998 middels een mailing aan de Nederlandse gemeenten algemene bekendheid is gegeven aan het rapport "Effecten van ammoniak op planten in de directe omgeving van stallen" uit 1996.

Uit het rapport Stallucht en Planten uit juli 1981 blijkt dat directe schade door de uitstoot van ammoniak zich in de praktijk kan voordoen bij intensieve kippenen varkenshouderijen. Ter voorkoming van dergelijke schade wordt een afstand van minimaal 50 meter tussenstallen en meer gevoelige planten en bomen, zoals coniferen, en een afstand van minimaal 25 meter tot minder gevoelige planten en bomen aanbevolen. Voor akkerbouwgewassen en graslanden wordt in het rapport geen minimale afstand aanbevolen. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting werden ten tijde van het nemen van het bestreden besluit binnen de genoemde afstanden geen meer of minder gevoelige gewassen gekweekt of geteeld. Dit beroepsonderdeel is ongegrond.

2.16. Het beroep van appellant sub 1 is geheel en het beroep van appellanten sub 3 is gedeeltelijk nietontvankelijk. Het beroep van appellant sub'2 is wat betreft voorschrift 3.5 gegrond. Het beroep van appellanten sub 3 is voorzover het betreft de beroepsgronden die verband houden met de in de Richtlijn en brochure opgenomen indeling in omgevingscategorieën, cumulatie van stankhinder en de te verwachten geluidniveaus op een aantal referentiepunten gegrond. Nu de door de nrichting te veroorzaken stank en geluidhinder van doorslaggevend belang is of de aangevraagde vergunning kon worden verleend, moet het besluit in zijn geheel worden vernietigd.

2.17. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten van appellanten sub 2 en 3 te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van appellant sub 1 zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellant sub 1 en het beroep van appellanten sub 3 voor zover het betreft de beroepsgrond dat het bepaalde in voorschrift 1.7 reeds geregeld is bij wet, zodat dit voorschrift overbodig is en de beroepsgrond dat ten onrechte niet is voorgeschreven dat de haspels van de brandslangen moeten voldoen aan NEN-EN 671-1 nietontvankelijk;

II.verklaart het beroep van appellant sub 2 en het beroep van appellanten sub 3 voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Tholen van 16 april 1998, kenmerk 1053/IIIvmb/38;

IV.veroordeelt burgemeester en wethouders van Tholen in de door appellanten sub 2 en sub 3 in verband met de behandeling van hun beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 1.516,40 aan appellant sub 2, waarvan een gedeelte groot f 1.420,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en een bedrag van f 2.273,80 aan appellanten sub 3, waarvan een gedeelte groot f 1.420,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de totale bedragen dienen door de gemeente Tholen te worden betaald aan appellanten sub 2 en sub 3;

V. gelast dat de gemeente Tholen aan appellanten sub 2 en sub 3 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (appellant sub 2: f 210,00 en appellanten sub 3: f 210,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.M.S. Leyten-de Wijkerslooth, Voorzitter, en mr. J.P.H. Donner en mr. V.N.M. Korte-van Hemel, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. R.F. de Knoop, ambtenaar van Staat.

w.g. Leyten-de Wijkerslooth w.g. de Knoop

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 04 juni 1999

189-303.

Verzonden: 04 juni 1999

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,