Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AA3616

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H01.98.0336
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:72, geldigheid: 1999-06-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 1999/196 met annotatie van R.J.G.H. S

Uitspraak

Raad van State

H01.98.0336.

Datum uitspraak: 28 juni 1999

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging "De Groene Ring" te 's-Hertogenbosch appellante

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 29 december 1997 in het geding tussen:

appellante

en

burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 1996 hebben burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch aan PTT Vastgoed te Den Haag vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 5 van de voorschriften van het bestemmingsplan "De Brand" alsook met gebruikmaking van de daartoe door gedeputeerde staten van Noord-Brabant verleende verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een sorteercentrum briefpost op het perceel aan de Steenbok op de Brand te 's-Hertogenbosch.

Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 8 oktober 1996 hebben burgemeester en wethouders het bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften van 11 september 1996, waarnaar in dit besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 29 december 1997, verzonden op 9 januari 1998, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 19 februari 1998, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 maart 1998. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 oktober 1998 heeft PTT Post B.V. een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 1999, waar appellante, vertegenwoordigd door A. van Abeelen, gemachtigde, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. P.W.G.M. Christophe, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord PTT Post B.V., vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag.

2. Overwegingen

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat burgemeester en wethouders niet aannemelijk hebben gemaakt dat appellante in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord alvorens op het bezwaar te beslissen. De rechtbank heeft om die reden de bestreden beslissing op bezwaar van 8 oktober 1996 vernietigd op de grond dat deze is genomen in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Vervolgens is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, omdat appellante in haar bezwaarschrift en bij de behandeling van haar verzoek om een voorlopige voorziening in het kader van de bezwaarschriftprocedure in de gelegenheid is geweest haar bezwaren kenbaar te maken en van iedere gelegenheid gebruik heeft gemaakt.

2.2. Appellante voert in hoger beroep aan dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten.

2.2.1.Voor het in stand laten van de rechtsgevolgen is in beginsel slechts plaats, indien komt vast te staan dat bij het opnieuw voorzien rechtens eenzelfde besluit zou moeten worden genomen. Of van zo een situatie in dit geval sprake is, diende door de rechtbank te worden vastgesteld. Deze heeft evenwel uitsluitend overwogen dat appellante door het niet horen in de bezwaarschriftprocedure niet in haar belangen is geschaad. Zij heeft nagelaten een oordeel te geven over de inhoud van dat besluit. De overweging dat burgemeester en wethouders zich gelet op het bepaalde in artikel 4:19 van de Algemene wet bestuursrecht terecht op het standpunt hebben gesteld dat ter motivering van het besluit kon worden verwezen naar het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften, houdt geen zodanig oordeel in.

Dit klemt te meer nu in de uitspraak van de president van 16 augustus 1996, waarbij het verzoek van appellante om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht is afgewezen, noch in de beslissing op bezwaar, waarvan de motivering berust op deze uitspraak, blijk is gegeven van een beoordeling van de bij de president ter zitting op 15 augustus 1996 ingebrachte kritiek van appellante op het door de president aangevraagde rapport van de Adviseur ten behoeve van de Raad van State van 6 augustus 1996. Deze kritiek betreft de toets aan het mobiliteitsprofiel van bedrijven, welke is neergelegd in het inmiddels van kracht geworden artikel 7 van het bestemmingsplan "De Brand le herziening" en mede van betekenis is voor de ten behoeve van de vestiging van het postsorteerbedrijf vereiste vrijstelling als bedoeld in artikel 8, eerste lid, sub A, van de planvoorschriften.

2.3. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden beslissing in stand zijn gelaten.

2.4. Burgemeester en wethouders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 29 december 1997, AWB 96/10523 BESLU, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten;

III. bepaalt dat burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit nemen;

IV. veroordeelt burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 120,80; het bedrag dient door de gemeente 's-Hertogenbosch te worden betaald aan appellante;

V. gelast dat de gemeente 's-Hertogenbosch aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (f 630,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.M.G. Eekhof-de Vries, Voorzitter, en mr. J.H. Grosheide en mr. J.J.H. Suyver, Leden, in tegenwoordigheid van

mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Eekhof-de Vries w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 1999

60-47. Verzonden: 28 JUNI 1999

Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze