Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1999:AA3600

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-1999
Datum publicatie
13-09-2005
Zaaknummer
H01.98.0304
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:1998:ZF3229
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 1999/216

Uitspraak

Raad van State

H01.98.0304.

Datum uitspraak: 8 juni 1999

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Maatschap A te B appellanten

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 7 januari 1998 in het geding tussen:

1. de Landelijke Vereniging tot behoud van de Waddenzee,

de Stichting Friese Milieu Federatie en de Fryske Feriening foar Fjildbiologie

2. C en 12 anderen

3. D

en

burgemeester en wethouders van Ferwerderadeel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 1996 hebben burgemeester en wethouders van Ferwerderadeel aan appellanten, met gebruikmaking van de op 20 juli 1995 afgegeven verklaring van geen bezwaar, vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van negen windturbines in de Nijkerkerpolder nabij Marrum.

Bij uitspraak van 26 juli 1996 heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden (hierna: de president) met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht het besluit van burgemeester en wethouders van 10 juni 1996, strekkende tot ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 5 maart 1996, vernietigd.

Bij uitspraak van 23 juni 1997, no. H01.96.0916, heeft de Afdeling, oordelend in hoger beroep, de uitspraak van de president bevestigd.

Bij besluit van 7 oktober 1997, verzonden op 9 oktober 1997, hebben burgemeester en wethouders het bezwaar tegen het besluit van 5 maart 1996 opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van 16 september 1997, waarnaar in dit besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 7 januari 1998, verzonden op die datum, heeft de president met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 16 februari 1998, bij de Raad van State ingekomen op 17 februari 1998, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 april 1998. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij (afzonderlijke) brieven van 20 juli 1998 en 21 juli 1998 hebben onderscheidenlijk D, de Landelijke Vereniging tot behoud van de Waddenzee de Stichting Friese Milieufederatie en de Fryske Feriening foar Fjildbiologie en C e.a. een reactie op dit hoger beroepschrift ingezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 1999, waar appellanten, vertegenwoordigd door drs. P.J. Woudstra, gemachtigde, de Landelijke Vereniging tot behoud van de Waddenzee, de Stichting Friese Milieu Federatie en de Fryske Feriening foar Fjildbiologie, vertegenwoordigd door mr. J. Veltman en M. Engelmoer, gemachtigden, C en 12 anderen, vertegenwoordigd door S. Massotty, gemachtigde, D in persoon, gedeputeerde staten van Friesland, vertegenwoordigd door S. Jansen, gedeputeerde, en de raad van de gemeente Ferwerderadeel, vertegenwoordiqd door mr. T. Knoop, advocaat te Groningen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij de aangehechte uitspraak van 23 juni 1997, inzake no. H01.96.0916, heeft de Afdeling - anders dan de president die in de uitspraak van 26 juli 1996 heeft overwogen dat de beslissing op bezwaar van burgemeester en wethouders van 10 juni 1996 in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht - geoordeeld dat deze beslissing in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat de beslissing op het bezwaarschrift dient te berusten op een deugdelijke motivering die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. De Afdeling heeft de uitspraak van de president van 26 juli 1996, zij het met verbetering van de gronden, bevestigd.

2.1.1. Bij besluit van 7 oktober 1997 hebben burgemeester en wethouders, met inachtneming van voormelde uitspraak van de Afdeling, een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en daarbij de bezwaren (wederom) ongegrond verklaard. De president heeft in de thans aangevallen uitspraak geoordeeld dat, nu de Afdeling in haar uitspraak niet expliciet heeft overwogen dat - afgezien van de overwegingen met betrekking tot de status van lopend initiatief - de (eerdere) uitspraak van de president van 26 juni 1996 onjuist is, het er voor moet worden gehouden dat die uitspraak voor het overige is bevestigd. De president heeft hieraan de conclusie verbonden dat burgemeester en wethouders bij het nemen van de nieuwe beslissing op bezwaar niet alleen de uitspraak van de Afdeling, doch ook de uitspraak van de president van 26 juni 1996 in acht hadden moeten nemen.

2.1.2. De Afdeling volgt de president hierin niet. Bij de uitspraak van 23 juni 1997 heeft de Afdeling uitsluitend het dictum van de (aangevallen) uitspraak - de door de president uitgesproken vernietiging van het besluit van burgemeester en wethouders van 10 juni 1996 - in stand gelaten Door de gronden waarop die uitspraak rust te verbeteren, heeft de Afdeling haar overwegingen in de plaats van de overwegingen van de president gesteld. Met achtneming van hetgeen de Afdeling in haar uitspraak heeft overwogen, dienden burgemeester en wethouders vervolgens opnieuw te beslissen. Het uitgangspunt van burgemeester en wethouders bij de nieuwe beslissing op bezwaar was derhalve juist.

2.2. De Afdeling deelt evenmin het oordeel van de president dat burgemeester en wethouders bij het nemen van hun besluit van 7 oktober 1997 geen gebruik konden (blijven) maken van de door gedeputeerde staten van Friesland op 20 juli 1995 afgegeven verklaring van geen bezwaar. De president heeft ten onrechte geoordeeld dat de door de Afdeling in haar uitspraak van 23 juni 1997 geconstateerde motiveringsgebreken mede betrekking hebben op de door gedeputeerde staten afgegeven verklaring van geen bezwaar. De Afdeling heeft - anders dan de president kennelijk veronderstelt - met name niet geoordeeld dat het windmolenparkproject door gedeputeerde staten ten onrechte als een lopend initiatief, als bedoeld in de streekplanuitwerking 'Windstreek' is aangemerkt. De bezwaren van appellanten tegen deze door de president gehanteerde vernietigingsgrond treffen doel.

2.3. Aangezien het hoger beroep van appellanten zich niet richt tegen het oordeel van de president met betrekking tot de welstandsaspecten, en dit onderdeel van de uitspraak - waarbij het besluit van burgemeester en wethouders van 7 oktober 1997 op dit punt door de president is vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht - derhalve niet wordt bestreden, dient de aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van de gronden, te worden bevestigd.

2.4. Burgemeester en wethouders dienen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Bij hun beslissing op bezwaar kunnen burgemeester en wethouders uitgaan van de uitspraak van de Afdeling van heden, inzake no. E01.98.0248, waarmee het bestemmingsplan 'Partiƫle herziening van het bestemmingsplan Buitengebied (Windmolenpark Nijkerkerpolder)', waarop bij de toepassing van de anticipatieprocedure is vooruitgelopen, onherroepelijk is geworden. Burgemeester en wethouders zullen evenwel acht dienen te slaan op hetgeen in de uitspraak van de president van 7 januari 1998 met betrekking tot de welstandsaspecten is overwogen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en mr. J.R. Schaafsma, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Van Roosmalen Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 1999

53. Verzonden:

Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,