Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1998:AE1979

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-1998
Datum publicatie
26-04-2002
Zaaknummer
H01.97.1420
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

No. H01.97.1420.

Datum uitspraak: 29 oktober 1998.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

burgemeester en wethouders van Wassenaar (appellanten)

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Den Haag van 30 september 1997 in het geschil tussen:

[bezwaarde] te [woonplaats]

en

appellanten.

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 1996 hebben appellanten het verzoek om vrijstelling van het bestemmingsplan "Villawijken" van [bezwaarde] voor het gebruik van het pand [adres] te [woonplaats] voor bewoning en verzorging van ouderen afgewezen. Daarbij is [bezwaarde] in verband met de brandveiligheidseisen aangeschreven het aantal te verzorgen personen met onmiddellijke ingang terug te brengen tot maximaal vier en het strijdige gebruik van het pand [adres] als verzorgingshuis voor ouderen uiterlijk 1 januari 1997 te beëindigen en beëindigd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 1.000,-- per dag met een maximum te verbeuren bedrag van ƒ 30.000,-- indien mocht blijken dat genoemd illegaal gebruik uiterlijk 1 januari 1997 niet is beëindigd.

Tegen dit besluit heeft [bezwaarde]. bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 22 april 1997 hebben appellanten de bezwaren met betrekking tot het onmiddellijk terugbrengen van het aantal verzorgden tot vier niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren tegen de lastgeving met betrekking tot het beëindigen van het gebruik als verzorgingshuis en het daarbij opleggen van een dwangsom ongegrond verklaard onder het stellen van een nieuwe termijn. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 september 1997, verzonden op die dag, heeft de president met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, ingekomen op 10 november 1997, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 9 december 1997. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 april 1998 heeft [bezwaarde]. een memorie ingediend.

De Afdeling heeft op 6 juli 1998 een onderzoek ter plaatse als bedoeld in artikel 8:50 van de Algemene wet bestuursrecht ingesteld, en de zaak aldaar in een zitting behandeld. Daarbij waren appellanten, vertegenwoordigd door mr J.J.M. van der T., ambtenaar der gemeente, en mevrouw [bezwaarde]. in persoon en bijgestaan door mr F.N. G., advocaat te Den Haag, aanwezig.

Overwegingen

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Villawijken" rust op het desbetreffende perceel de bestemming "Bos en tuin 3" met de aanduiding "" (eengezinshuis).

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor bos en tuin 3 aangewezen gronden, onverminderd het bepaalde in de artikelen 4 en 5, bestemd voor bos en tuin en voor bij de in de artikelen 4 en 5 genoemde eengezinshuizen behorende bijgebouwen (...).

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften mag waar op de kaart de aanduiding "" is geplaatst (uitsluitend voorkomend) op de bestemming bos en tuin 3 een eengezinshuis (een onder een kap) worden gebouwd.

Ingevolge artikel 1, aanhef en negentiende lid, van de planvoorschriften verstaan deze voorschriften onder eengezinshuis: een gebouw dat één woning omvat.

Ingevolge artikel 21 van de planvoorschriften is het verboden de gronden en opstallen binnen het plangebied te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met de op de kaart aangegeven bestemmingen en deze voorschriften.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het pand [adres] overeenkomstig de woonbestemming wordt gebruikt. Wat onder "wonen" en "bewoning" moet worden verstaan is in de planvoorschriften niet nader omschreven. De Afdeling is met partijen van oordeel dat hierbij naast zelfstandige bewoning door een gezin ook aan minder traditionele woonvormen moet worden gedacht.

Uit de stukken, het onderzoek ter plaatse en het verhandelde ter zitting is de Afdeling het navolgende gebleken.

In het desbetreffende pand zijn gemiddeld acht senioren duurzaam gehuisvest. De ouderen hebben ieder hun eigen zit/slaapkamer, waarvan enkele met badkamer. Op de begane grond bevindt zich een gezamenlijke eet- en huiskamer en een keuken. Ten behoeve van de huisvesting in deze vorm hebben geen bouwkundige wijzigingen aan het pand plaatsgevonden. Maaltijden worden buiten de locatie bereid en ter plaatse opgewarmd. De aanwezigheid van mevrouw [bezwaarde]. en ander personeel dient om de bewoners waar nodig de helpende hand te bieden. Mede ten behoeve daarvan is op de tweede etage van het pand een woon- en slaapkamer ingericht. De verzorging omvat de hulp bij de lichamelijke verzorging en de maaltijden, en heeft slechts een signalerende functie. Van medische verzorging/behandeling ter plaatse is geen sprake, en deze wordt ook niet geboden. Bij ontstaan van een zorgbehoefte die het verlenen van eerste hulp ontstijgt wordt de huisarts van de desbetreffende bewoner of een andere externe medische deskundige ingeschakeld.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling met de president van oordeel dat in het desbetreffende pand sprake is van een woonvorm waarin de bewoners op zelf verkozen wijze hun laatste levensjaren nagenoeg zelfstandig en in huiselijke sfeer doorbrengen.

Daarmee is sprake van bewoning van een eengezinshuis als bedoeld in de van toepassing zijnde planbepalingen. Hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd kan hieraan niet afdoen. Van ingevolge artikel 21 van de planvoorschriften verboden gebruik van de gronden en opstallen is dus geen sprake. Hieruit volgt dat vrijstelling hiervan niet is vereist en dat appellanten de bevoegdheid om tegen het desbetreffende gebruik op te treden door middel van het opleggen van een dwangsom niet toekomt.

Het hoger beroep is derhalve ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn termen aanwezig.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt burgemeester en wethouders van Wassenaar in de door [bezwaarde]. in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten tot een bedrag van ƒ 1.420,--, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het totale bedrag dient aan [bezwaarde]. te worden vergoed door de gemeente Wassenaar.

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 1998.

5