Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1998:AB1445

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-1998
Datum publicatie
26-08-2004
Zaaknummer
H01.97.0004
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft het naturalisatieverzoek van [bezwaarde] afgewezen op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Ingevolge dit artikelonderdeel wordt een verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de bepalingen van de beide voorgaande artikelen niettemin afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, de volksgezondheid of de veiligheid van het Koninkrijk.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 1998/28 met annotatie van Mr H. Ahmad Ali
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RAAD VAN STATE

No. H01.97.0004

Datum uitspraak: 2 februari 1998.

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie (appellant)

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 6 november 1996 in het geschil tussen:

[bezwaarde] te [woonplaats]

en

appellant.

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 1996 heeft appellant afwijzend beschikt op het verzoek van [bezwaarde] (hierna: [bezwaarde]) om verlening van het Nederlanderschap.

Tegen dit besluit heeft [bezwaarde] bij schrijven van 1 april 1996 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 26 juli 1996 heeft appellant de bezwaren van [bezwaarde] ongegrond verklaard.

Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft [bezwaarde] bij schrijven van 3 september 1996 beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank).

Bij uitspraak van 6 november 1996, reg. nr. AWB 96/3404, heeft de rechtbank het beroep van [bezwaarde] gegrond verklaard, het besluit van appellant van 26 juli 1996 vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op het bezwaar van [bezwaarde] dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft appellant bij schrijven van 31 december 1996 hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij schrijven van 13 februari 1997 heeft appellant het hoger beroep gemotiveerd.

De motivering van het hoger-beroepschrift is aangehecht.

Bij schrijven van 25 augustus 1997 heeft [bezwaarde] een memorie ingediend.

Het hoger beroep is op 12 januari 1998 behandeld in een zitting van de Afdeling, waarin appellant, vertegenwoordigd door mr G.M.H. H., advocaat te Den Haag, en [bezwaarde] in persoon en bijgestaan door mr P.P.M. M., advocaat te Amersfoort, hun standpunten hebben toegelicht.

Overwegingen

Appellant heeft het naturalisatieverzoek van [bezwaarde] afgewezen op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de Rijkswet).

Ingevolge dit artikelonderdeel wordt een verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de bepalingen van de beide voorgaande artikelen niettemin afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, de volksgezondheid of de veiligheid van het Koninkrijk.

Bij de toepassing van de in dit artikelonderdeel genoemde maatstaf hanteert appellant richtlijnen die zijn neergelegd in de "Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap" van augustus 1994.

Deze richtlijnen houden in, voor zover hier van belang, dat moet worden bezien of er in de afgelopen vier jaar voorafgaande aan de indiening van het verzoek tot naturalisatie ter zake van één of meer misdrijven een strafvonnis onherroepelijk is geworden waarbij aan de verzoeker een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een werkstraf als alternatief voor hechtenis, of een geldboete van + 1.000,-- of meer is opgelegd. Is dit het geval, dan wordt het verzoek afgewezen.

Vast staat dat [bezwaarde] bij vonnis van 11 november 1992 door de politierechter te Rotterdam is veroordeeld tot een boete van + 1.000,--, alsmede ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, wegens overtreding van artikel 26, tweede lid, onder a, van de Wegenverkeerswet op 19 augustus 1991.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat bij onverkorte toepassing van de richtlijn zou moeten worden aangenomen dat [bezwaarde], gelet op deze strafrechtelijke veroordeling, binnen de termen valt dat tegen hem ernstige vermoedens bestaan voor het opleveren van een gevaar van de openbare orde. Een dergelijke richtlijn kan evenwel naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf niet doorslaggevend zijn voor het antwoord op de voorliggende vraag. Zo'n richtlijn staat ten dienste van een uniforme toepassing van het in artikel 9, eerste lid, onder a, van de Rijkswet neergelegde criterium, maar treedt niet in de plaats van deze wettelijke norm.

Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op de aard en de ernst van het door [bezwaarde] gepleegde strafbare feit en inaanmerking genomen dat dit feit heeft plaatsgevonden op 19 augustus 1991, de proeftijd is verstreken en niet is gebleken dat [bezwaarde] voordien en nadien strafbare feiten heeft gepleegd, niet kan worden gezegd dat er ten aanzien van [bezwaarde] ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, de volksgezondheid, of de veiligheid van het Koninkrijk.

Appellant kan zich met laatstgenoemde overweging niet verenigen. In hoger beroep heeft hij erop gewezen dat naar zijn mening in de door [bezwaarde] aangevoerde omstandigheden, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen feiten of omstandigheden zijn begrepen die reden kunnen vormen om van toepassing van de in de "Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap" neergelegde richtlijnen af te zien. Appellant heeft er verder op gewezen dat de termijn van vier jaar die in de richtlijnen wordt gehanteerd, is ontleend aan artikel 7 van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag. Het nemen van een dergelijk objectief uitgangspunt kan naar zijn opvatting niet als onaanvaardbaar of kennelijk onredelijk worden aangemerkt. Daarbij merkt appellant nog op dat inmiddels de instructie is uitgegaan dat voor de vaststelling van de vier jarentermijn niet meer bepalend is het moment van indiening van het verzoek tot naturalisatie maar het moment van de beslissing daarop.

[bezwaarde] heeft aangaande de door appellant gehanteerde termijn onder meer aangevoerd dat, nu die termijn aanvangt bij de datum van de onherroepelijke veroordeling en niet bij de datum van het delict, degene die een strafbaar feit heeft gepleegd in dat opzicht volstrekt afhankelijk is van de agenda van het openbaar ministerie en de rechter.

De Afdeling overweegt als volgt.

Bij uitspraak van 8 juli 1996 inzake H01.96.0441 heeft de Afdeling overwogen dat de in de "Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap" neergelegde richtlijnen in beginsel als uitgangspunt mogen dienen bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ernstige vermoedens dat de betrokkene gevaar oplevert voor de openbare orde.

Vast staat dat [bezwaarde] is vervolgd en op 11 november 1992 is veroordeeld wegens een misdrijf.

Er is derhalve sprake van een strafrechtelijke veroordeling als bedoeld in de richtlijnen, ook indien wordt uitgegaan van de nieuwe instructie waarbij niet het moment van indiening van het naturalisatieverzoek, maar de datum van de beslissing daarop

wordt gehanteerd bij de vaststelling van de vier-jarentermijn. Bij onverkorte toepassing van deze richtlijnen zou mitsdien moeten worden aangenomen dat er ernstige vermoedens bestaan dat [bezwaarde] gevaar oplevert voor de openbare orde.

Uit voornoemde uitspraak van de Afdeling volgt evenwel dat rekening dient te worden gehouden met die omstandigheden van een zich voordoend geval, op grond waarvan slechts tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen indien van de richtlijnen wordt afgeweken.

Van een dergelijke omstandigheid kan naar het oordeel van de Afdeling bijvoorbeeld worden gesproken indien de periode, die is gelegen tussen het (laatstelijk) gepleegde strafbare feit en de onherroepelijke veroordeling, als bijzonder lang moet worden aangemerkt.

Niet is gebleken dat die omstandigheid zich in het onderhavige geval heeft voorgedaan.

In zijn bezwaarschrift, alsmede zijn memorie van 25 augustus 1997, heeft [bezwaarde] naar voren gebracht dat hij zich gedurende de proeftijd niet meer heeft schuldig gemaakt aan enig strafbaar feit en dat ook in de periode daarna strafbare feiten ontbreken. [Bezwaarde] is slechts eenmaal in zijn leven met justitie in aanraking gekomen.

De Afdeling is met appellant van oordeel dat deze omstandigheden, noch de overige door de rechtbank bij zijn oordeel betrokken omstandigheden, kunnen worden aangemerkt als zodanig bijzonder dat appellant - met voorbijgaan aan de door hem gehanteerde richtlijnen - tot de conclusie had moeten komen dat hier geen sprake was van de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet bedoelde situatie.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

De Afdeling zal doen wat de rechtbank zou behoren te doen en verklaart het door [bezwaarde] bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling acht de Afdeling geen termen aanwezig.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 6 november 1996, reg. nr. AWB 96/3404;

II. verklaart het beroep van [bezwaarde] alsnog ongegrond.

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 1998.

4