Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1997:AE3617

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-09-1997
Datum publicatie
05-06-2002
Zaaknummer
H01.96.0899
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 1997, 462 met annotatie van F.C.M.A. Michiels
JV 1997/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

No. H01.96.0899.

Datum uitspraak: 22 september 1997.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

burgemeester en wethouders van Medemblik (appellanten)

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 18 juli 1996 in het geschil tussen:

[vreemdeling]

en

appellanten.

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 1995 hebben appellanten [vreemdeling] (hierna: [vreemdeling]) medegedeeld dat de verstrekkingen aan hem op grond van de Regeling Opvang Asielzoekers (hierna: de ROA) met ingang van 1 mei 1995 zullen worden beëindigd.

Tegen dit besluit heeft [vreemdeling] bij brief van 8 juni 1995 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 19 juli 1995 hebben appellanten de bezwaren ongegrond verklaard. Dit besluit is aan deze uitspraak gehecht.

Tegen dit besluit heeft [vreemdeling] bij brief van 7 augustus 1995 beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te Alkmaar, hierna: de rechtbank.

Bij de aangevallen uitspraak van 18 juli 1996, reg.nr. BESLU 95/1401, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het besluit van 19 juli 1995 vernietigd. De uitspraak van de rechtbank is aan deze uitspraak gehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 30 augustus 1996, gemotiveerd bij brief van 1 november 1996, hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze stukken zijn aan deze uitspraak gehecht.

Bij brief van 12 december 1996 heeft [vreemdeling] een memorie ingediend.

Het hoger beroep is op 26 juni 1997 behandeld in een zitting van de Afdeling, waarin appellanten, vertegenwoordigd door mr R.J.M. van den T., advocaat te Den Haag, en mevrouw P. G., ambtenaar der gemeente, en [vreemdeling], vertegenwoordigd door mevrouw mr M.A.M. A., advocaat te Zaandam, hun standpunten hebben toegelicht.

Overwegingen

Volgens artikel 15, derde lid, aanhef en onder c, van de ROA eindigt de opvang van een asielzoeker in elk geval, indien het een asielzoeker betreft, voor wie een last tot uitzetting is gegeven en die ingevolge een daartoe strekkende mededeling van de plaatselijke politie Nederland moet verlaten: op de dag waarop hij Nederland ingevolge die mededeling dient te verlaten.

Appellanten voeren in navolging van de Staatssecretaris van Justitie het beleid dat de voorzieningen, nadat een last tot uitzetting is gegeven, niet worden beëindigd, indien de reispapieren van de betrokken asielzoeker op het door de plaatselijke politie vastgestelde tijdstip, waarop Nederland moet zijn verlaten, (nog) niet beschikbaar zijn, terwijl betrokkene wel medewerking verleent om die reisdocumenten te verkrijgen.

Appellanten hebben aan hun gehandhaafde besluit tot beëindiging van de ROA-opvang ten grondslag gelegd dat [vreemdeling] geen medewerking verleent aan de procedure ter verkrijging van vervangende uitreispapieren en dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om de ROA-voorzieningen te blijven verstrekken. Zij hebben uiteen gezet dat de Staatssecretaris van Justitie in een circulaire van 24 oktober 1994 het stappenplan heeft geïntroduceerd, ter uitvoering van het besluit van de toenmalige Minister van Welzijn, Volkshuisvesting en Cultuur om de verstrekkingen te beëindigen aan documentloze asielzoekers van wie rechtens is vastgesteld dat zij Nederland dienen te verlaten en die weigeren mee te werken aan de verkrijging van vervangende reis- en identiteitsdocumenten. Zodra de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in enige fase van het stappenplan constateert dat de vreemdeling weigert mee te werken aan zijn verwijdering, wordt deze aangezegd Nederland binnen een bepaalde termijn te verlaten en wordt de gemeente ingelicht, opdat de nodige maatregelen ter beëindiging van de opvang kunnen worden getroffen.

In het onderhavige geval is op 17 maart 1994 een procedure opgestart ter verkrijging van een laissez-passer voor [vreemdeling], waartoe voormelde een zogenoemd D41-formulier heeft ingevuld. De Chinese ambassade heeft evenwel geweigerd een laissez-passer te verstrekken, omdat [vreemdeling] in China niet bekend zou zijn onder de door hem verstrekte personalia. Vervolgens is [vreemdeling] door de Vreemdelingendienst opnieuw verzocht het D41-formulier in te vullen, hetgeen hij op identieke wijze als de eerste keer heeft gedaan.

Nadat [vreemdeling] er op was gewezen dat dit aangemerkt zou worden als een weigering om medewerking te verlenen en dat dit consequenties zou hebben voor de ROA-voorzieningen, doch [vreemdeling] de ingevulde gegevens niet wenste te wijzigen, is hem op 25 april 1995 aangezegd Nederland vóór 1 mei 1995 ter verlaten.

De rechtbank heeft geoordeeld dat niet in voldoende mate is gebleken dat de Chinese autoriteiten zodanig coöperatief zijn geweest aangaande het verzoek tot het verstrekken van uitreisdocumenten aan [vreemdeling], dat op grond daarvan in redelijkheid gezegd kan worden dat het aan [vreemdeling] is te wijten dat hij niet over die documenten kan beschikken. Mitsdien was er voor appellanten onvoldoende aanleiding om zonder meer aan te nemen dat de weigering een laissez-passer te verstrekken geheel voor rekening en risico van [vreemdeling] dient te komen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het standpunt van de Chinese ambassade dat [vreemdeling] onder de opgegeven personalia in China niet bekend is door appellanten als een feit is gepresenteerd, zonder dat zij zich hebben vergewist van de feitelijke juistheid en dat niet is gebleken dat het tweede door [vreemdeling] ingevulde D41-formulier aan de Chinese ambassade is voorgelegd, terwijl niet valt uit te sluiten dat op dit tweede formulier een andere reactie zou zijn gevolgd. Voorts heeft de rechtbank er op gewezen dat uit navraag van appellanten bij de IND is gebleken dat tachtig procent van de in 1995 door tussenkomst van de Minister van Justitie bij de Chinese ambassade ingediende aanvragen om laissez-passers in juni 1996 nog niet was afgehandeld en dat van de overige aanvragen 26 hebben geresulteerd in verstrekking van een laissez-passer en 44 in een weigering. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank tot de slotsom gekomen dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd.

Appellanten kunnen zich met dit oordeel van de rechtbank niet verenigen. Volgens appellanten miskent de rechtbank de betekenis en achtergronden van het op de ROA gebaseerde stappenplan, met name de nadruk die wordt gelegd op de eigen verantwoordelijkheid van de uitgeprocedeerde asielzoeker, en heeft zij hun een onmogelijke, althans een te ruime onderzoeksplicht opgelegd. Naar de mening van appellanten kan van hen hooguit worden verlangd dat zij, alvorens zij een besluit als hier in geding nemen, zich op marginale wijze ervan gewissen dat daadwerkelijk, conform het stappenplan, is geconstateerd dat de vreemdeling weigert mee te werken aan zijn verwijdering.

Voorts hebben appellanten gemotiveerd aangevoerd dat de Nederlandse autoriteiten vertrouwen kunnen en mogen stellen in het door de Chinese autoriteiten ingestelde identiteitsonderzoek. Naar de mening van appellanten mag dan ook worden vastgehouden aan het uitgangspunt van het stappenplan, dat wanneer de vreemdeling door de betreffende ambassade niet in het bezit wordt gesteld van een laissez-passer, omdat betrokkene op basis van de door hem opgegeven informatie niet kon worden getraceerd, hieruit mag worden afgeleid dat betrokkene onjuiste personalia heeft opgegeven en niet meewerkt aan de verwijdering.

Naar het oordeel van de Afdeling hebben appellanten terecht aangevoerd dat zij de mededeling van de IND, dat betrokkene geen medewerking verleent aan het verkrijgen van de benodigde reisdocumenten, slechts marginaal hoeven te toetsen. Indien conform het stappenplan een reisdocument is aangevraagd en de betrokken ambassade weigert die te verstrekken, omdat betrokkene niet op basis van de door hem opgegeven informatie kon worden getraceerd, kunnen appellanten dit gegeven dan ook in beginsel als een indicatie zien dat betrokkene medewerking weigert. Dit geldt niet indien, bijvoorbeeld op grond van door betrokkene overgelegde gegevens of anderszins gebleken feiten en omstandigheden, er aanleiding is tot twijfel omtrent de juistheid van de mededeling van de IND. In dat geval kunnen appellanten zich niet zonder meer op de mededeling van de IND baseren.

Anders dan de rechtbank, is de Afdeling evenwel van oordeel dat de vorenbedoelde situatie zich in het onderhavige geval niet voordoet.

Zij overweegt daartoe dat het stappenplan op juiste wijze is uitgevoerd en dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [vreemdeling], na de mededeling van de Chinese ambassade dat hij in China niet bekend is onder de door opgegeven personalia, op geen enkele wijze aan appellanten melding heeft gemaakt dat hij stappen heeft ondernomen om alsnog gegevens te kunnen verschaffen ter opheldering van zijn identiteit, terwijl in het licht van de reactie van de Chinese ambassade van hem een actieve houding mocht worden verwacht. In hetgeen is gebleken omtrent de houding van de Chinese autoriteiten ten tijde van het bestreden besluit inzake de afgifte van reisdocumenten ziet de Afdeling op zichzelf onvoldoende grond om te oordelen dat niet kon worden afgegaan op de mededeling dat [vreemdeling] onder de door hem opgegeven personalia niet kon worden getraceerd.

De Afdeling ziet dan ook geen grond om te oordelen dat burgemeester en wethouders zich niet op goede gronden op het standpunt hebben kunnen stellen dat [vreemdeling] weigert medewerking te verlenen aan het verkrijgen van de benodigde reisdocumenten. Derhalve dienden de ROA-verstrekkingen volgens het ter zake gevoerde beleid, dat niet als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt, te worden beëindigd met ingang van 1 mei 1995.

Niet is gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden, dat voor burgemeester en wethouders aanleiding had moeten bestaan om in dit geval van het gevoerde beleid af te wijken.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het beroep van [vreemdeling] dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

De Afdeling acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 18 juli 1996, reg.nr. BESLU 95/1401.

II. verklaart het beroep van [vreemdeling] tegen het besluit van 19 juli 1995 alsnog ongegrond.

Uitgesproken in het openbaar op 22 september 1997.

6