Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:1996:ZF1980

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-01-1996
Datum publicatie
17-06-2003
Zaaknummer
H01.95.0193
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanzegging bestuursdwang per aangetekende post. 2e aanschrijving start geen nieuwe bezwaartermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 1996-7044, 5 met annotatie van C.P.J. Goorden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

No. H01.95.0193.

Datum uitspraak: 11 januari 1996.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] te [woonplaats].

(appellant)

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 23 maart 1995 in het geschil tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

Procesverloop.

Bij besluit van 22 juli 1994 hebben burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna te noemen: burgemeester en wethouders) appellant onder aanzegging van bestuursdwang gelast het met de bestemming strijdige gebruik van het perceel [adres] te [woonplaats] te staken en het aldaar aangebrachte puin en de terreinverharding te verwijderen.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 12 september 1994 een bezwaarschrift bij burgemeester en wethouders ingediend.

Bij het bestreden besluit van 8 november 1994, no. 2205-BJZ, hebben burgemeester en wethouders de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

Dit besluit is aan deze uitspraak gehecht.

Tegen het bestreden besluit heeft appellant bij brief van 6 december 1994 beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te Haarlem. Tevens heeft hij een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de president van die rechtbank.

Bij de aangevallen uitspraak van 23 maart 1995, nos. AWB 94/6590 en AWB 94/6592, voor zover hier van belang, heeft de president met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak) het beroep ongegrond verklaard.

De uitspraak van de president is aan deze uitspraak gehecht.

Tegen de uitspraak van de president heeft appellant bij brief van 28 april 1995 hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij brief van 26 mei 1995 heeft hij het hoger beroep nader gemotiveerd. Deze stukken zijn aan deze uitspraak gehecht. Bij brief van 16 augustus 1995 hebben burgemeester en wethouders een memorie ingediend.

Het hoger beroep is op 18 december 1995 behandeld in een openbare vergadering van een Meervoudige Kamer van de Afdeling, waarin appellant vertegenwoordigd door mr J. S., advocaat te R., en burgemeester en wethouders vertegenwoordigd door C.G. H., ambtenaar der gemeente, hun standpunten hebben toegelicht.

Overwegingen

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

In artikel 6:8, eerste lid, is bepaald dat de termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Ingevolge artikel 3:41 van genoemde wet, voor zover hier van belang, geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen.

Het primaire besluit van 22 juli 1994 is op 25 juli 1994 per aangetekende post aan appellant toegezonden.

Gelet hierop liep de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift van 26 juli 1994 tot en met (maandag) 5 september 1994.

Vast staat dat appellant zijn bezwaarschrift eerst op 12 september 1994 heeft verzonden. Bij het indienen van dat bezwaarschrift heeft hij dus de wettelijke termijn overschreden. Hieraan doet niet af dat het besluit - nadat dit door de PTT als "niet afgehaald" aan de gemeente was teruggezonden - op 1 september 1994 van gemeentewege opnieuw aan appellant is verzonden. Deze verzending is op verzoek van appellant geschied, kennelijk naar aanleiding van het door de PTT bij hem achtergelaten bericht van aankomst van de oorspronkelijke zending.

Hernieuwde verzending om deze van de Algemene wet bestuursrecht. Zij doet dan ook geen nieuwe bezwaartermijn ontstaan.

Ingevolge artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Appellant heeft ter verontschuldiging van de termijnoverschrijding aangevoerd dat hij ten tijde van de verzending van het primaire besluit met vakantie was en dat hij na terugkeer, in de laatste week van augustus 1994, direct contact met de gemeente heeft opgenomen. Die omstandigheden kunnen echter niet tot de conclusie leiden dat redelijkerwijs van een verzuim geen sprake is geweest. Dat appellant - blijkbaar - heeft nagelaten voorzieningen te treffen voor het in ontvangst nemen en behandelen van voor hem bestemde post gedurende zijn afwezigheid, komt voor zijn rekening.

Voorts heeft de gemeente met voldoende voortvarendheid op zijn verzoek om hernieuwde verzending van het besluit gereageerd. Appellant had na de verzending op 1 september 1994 nog gelegenheid om binnen de door de wet gestelde termijn een bezwaarschrift in te dienen. De grief van appellant dat hem bij de tweede verzending duidelijk gemaakt had moeten worden dat van een nieuwe bezwaartermijn van zes weken geen sprake was, treft geen doel. De verplichting voor het bestuursorgaan, op grond van artikel 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht, om te vermelden binnen welke termijn tegen een besluit bezwaar kan worden gemaakt, bestaat voor zover hier van belang uitsluitend bij de bekendmaking van het besluit.

Daarmee wordt gedoeld op de bekendmaking in de zin van artikel 3:41; dat was in dit geval de eerste verzending. Aan deze verplichting is voldaan door een vermelding onder het primaire besluit, inhoud+nde dat bij burgemeester en wethouders een bezwaarschrift kon worden ingediend "binnen 6 weken na de verzenddatum van de beschikking". Appellant had kunnen en moeten begrijpen dat hiermee werd gedoeld op de oorspronkelijke - op het besluit gestempelde - verzenddatum, te weten 25 juli 1994. Dat bij de tweede verzending op de kopie van het besluit de nadere vermelding is toegevoegd dat dit stuk, in verband met het niet afhalen, op 1 september 1994 per post is verzonden - onder bijvoeging van een kopie van de enveloppe van de aangetekende verzending - rechtvaardigde niet de veronderstelling dat de tweede verzenddatum voor de berekening van de bezwaartermijn in de plaats van de eerste was getreden.

Evenmin kan worden gezegd dat appellant daardoor redelijkerwijs in verwarring kan zijn gebracht. In tegendeel, de gemeente heeft met de nadere vermelding de feitelijke gang van zaken duidelijk weergegeven.

Dat de gemeente daarnaast uit een oogpunt van zorgvuldigheid gehouden was om het naderende einde van de bezwaartermijn met zoveel woorden onder de aandacht van appellant te brengen, kan niet worden staande gehouden. Bij het bestreden besluit hebben burgemeester en wethouders dan ook terecht geconcludeerd dat het bezwaar van appellant wegens de termijnoverschrijding niet-ontvankelijk was.

Evenzeer terecht heeft de rechtbank het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard. Gezien het hiervoor overwogene komt de Afdeling aan de door appellant naar voren gebrachte grieven van inhoudelijke aard niet toe.

Ook het hoger beroep is dus ongegrond.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen aanwezig.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld te Den Haag op 11 januari 1996.