Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2004:AR3625

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
26-05-2004
Datum publicatie
12-10-2004
Zaaknummer
233171 HA 04-320
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak; ontbinding arbeidsovereenkomst; hoge vergoeding omdat werkgever zich schuldig maakt aan slecht werkgeverschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2005, 25

Uitspraak

R E C H T B A N K Z W O L L E

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknr.: 233171 HA VERZ 04-320

datum : 26 mei 2004

BESCHIKKING

OP EEN VERZOEK TOT ONTBINDING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMST

in de zaak van:

[VERZOEKER],

wonende te [woonplaats],

verzoekende partij, verder te noemen: “[verzoeker]”,

gemachtigde mw. mr. J.A.M. van der Goot-Andela, jurist bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Leeuwarden,

tegen

de besloten vennootschap A.J. VAN DEN HUL B.V.,

kantoorhoudende te Vaassen,

verwerende partij, verder te noemen: “[verweerder]”,

gemachtigde mr. O.C.E. Millaard, advocaat te Zwolle.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift van 7 april 2004,

- het verweerschrift van 12 mei 2004 en

- de door [verweerder] bij faxbericht d.d. 17 mei 2004 nader toegezonden producties.

De mondelinge behandeling is gehouden op 17 mei 2004.

Verschenen zijn:

- [verzoeker], vergezeld van mw. mr. Van der Goot-Andela voornoemd,

- namens [verweerder] haar directeur, de heer A.J. van den Hul, vergezeld van mr. Millaard voornoemd.

Vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) gemotiveerd betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:

a. Op [datum] is [verzoeker], geboren op [datum], na in de periode van [datum] tot [datum] op uitzendbasis voor Van de Hul werkzaam te zijn geweest, voor onbepaalde duur bij [verweerder] in dienst getreden als administrateur. Het laatst door [verzoeker] verdiende salaris bedraagt € 3.994,00 bruto per maand exclusief vakantietoeslag.

b. [verzoeker] heeft van [verweerder] tantièmes ontvangen over 1999 (€ 4.537,80), 2000

(€ 5.672,25) en 2001 (€ 7.000,00). Voor het jaar 2002 heeft [verzoeker] van [verweerder] een loonsverhoging ontvangen van 7%.

c. Op [ is [verzoeker] met vakantieverlof gegaan. Tijdens deze vakantie heeft [verweerder] bij brief van 30 juli 2002 aan [verzoeker] verzocht een afspraak te maken en in dat kader bericht: “Mijn voornemen is met u een weg te zoeken om tot beëindiging van uw arbeidsovereenkomst te komen.”.

d. [verzoeker] heeft zich na afloop van zijn vakantie per 5 augustus 2002 wegens psychische klachten bij [verweerder] ziekgemeld. [verzoeker] is nadien door de arboarts onveranderd ongeschikt voor zijn werk bij [verweerder] beoordeeld. Daarbij is [verzoeker] door de arboarts geadviseerd om vooralsnog geen rechtstreeks contact met [verweerder] te hebben.

e. [verweerder] heeft op 3 september 2002 aan het CWI om toestemming gevraagd om het dienstverband met [verzoeker] op te zeggen en dit verzoek gebaseerd op disfunctioneren. Na daartoe gevoerd verweer van [verzoeker] heeft [verweerder] dit verzoek op 8 oktober 2002 ingetrokken.

f. [verweerder] heeft de bekostiging van de door [verzoeker] gevoerde gesprekken met de bedrijfsmaatschappelijk werker van de arbodienst aanvankelijk per 1 december 2002 willen beëindigen doch na protest daartegen door [verzoeker] per april 2003 gestaakt. [verzoeker] heeft daarop via zijn huisarts en via bekostiging via de AWBZ dergelijke gesprekken bij een andere maatschappelijk werker kunnen voortzetten.

g. Bij brief van 18 maart 2003 heeft [verweerder] aan [verzoeker] bericht er aan te twijfelen of hij zich wel de juiste inspanningen getroost om te werken aan een herstel, geopperd dat er wellicht omstandigheden zijn in de privésfeer die niet bevorderlijk zijn voor zijn herstel en dat zij een afspraak met [verzoeker] wenst om met hem te spreken over zijn gezondheidstoestand. Bij brief van 1 april 2003 heeft de gemachtigde van [verzoeker] de juistheid van het handelen van [verweerder] bestreden, haar verzocht een aanvang te nemen met meer doeltreffende reïntegratiemaat-regelen en dat zij zich kan wenden tot de bedrijfsarts.

h. Bij brief van 14 april 2003 heeft [verweerder] aan [verzoeker] bericht de verdere loonbetaling te staken en [verzoeker] te schorsen op grond van een haar gebleken ernstige schending van de op [verzoeker] rustende geheimhoudingsverplichting, zoals is vastgelegd in een rapport d.d. 13 mei 2002 en dat zij op diezelfde grond de in de arbeidsovereenkomst bepaalde boete van € 4.500 zal verrekenen, onder mededeling: “Ingaande 1 juni 2003 zult u van uw gewezen werkgever geen loonbetaling meer ontvangen.” Na protest daartegen door [verzoeker] heeft [verweerder] de betaling van loon voortgezet.

i. [verweerder] heeft, ingevolge het bepaalde in de arbeidsovereenkomst van partijen, na ommekomst van één jaar arbeidsongeschiktheid de betaling van salaris per 5 augustus 2003 gestaakt.

j. Over de maand augustus 2003 heeft [verweerder] een salarisstrook opgemaakt waarin is opgenomen dat aan [verzoeker] een nettobedrag van € 3.426,56 toekomt, welk bedrag tevens is meegenomen in de jaaropgaaf over 2003. Ondanks herhaald verzoek heeft [verweerder] niet meegedeeld wanneer en op welke bankrekening voormeld bedrag is overgemaakt. Ter zitting is door [verweerder] meegedeeld dat dit bedrag is verrekend met de boete als bedoeld in sub h.

k. [verweerder] heeft, anders dan in voorgaande jaren, in november 2003 geen medewerking willen verlenen aan de vrijboeking van een aan [verzoeker] toekomend bedrag aan spaarloon.

l. De bedrijfsarts heeft als reïntegratiemiddel “outplacement” voorgesteld. In eerste instantie is wegens de klachten van [verzoeker] dit traject niet aangevangen. Na december 2003 is dit traject niet aangevangen omdat [verweerder] niet reageerde op een daartoe opgestelde offerte van de arbodienst.

m. [verzoeker] ontvangt thans een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% en een WW-uitkering.

n. Op 2 februari 2004 heeft [verweerder] opnieuw aan het CWI om toestemming verzocht om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op te zeggen en daartoe een niet meewerken van [verzoeker] aan een reïntegratie ten grondslag gelegd. [verzoeker] heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verzoek heeft CWI tot op heden niet beslist.

Verzoek

[verzoeker] vraagt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verandering van de omstandigheden, onder toekenning van een vergoeding ter grootte van € 122.935,32 bruto, zulks gebaseerd op de kantonrechterformule, waarbij A = 9,5, B = € 4.313,52 en C = 3. [verzoeker] heeft aan dit verzoek een verstoring van de arbeidsrelatie ten grondslag gelegd, waarvan de oorzaak is gelegen in de feiten dat hij door het optreden van [verweerder] arbeidsongeschikt is geworden en gebleven, dat [verweerder] niets heeft gedaan om tot een reïntegratie te komen en dit juist heeft verhinderd door [verzoeker] op allerlei manieren onder druk te zetten en tenslotte in het feit dat [verweerder] is overgegaan tot inhouding van looncomponenten die in de arbeidsovereenkomst waren voorzien.

Verweer

[verweerder] kan zich vinden in de gevraagde ontbinding doch zonder enige vergoeding te harer laste. Zij bestrijdt dat [verzoeker]’ ziekmelding in verband staat met de werkzaamheden en dat er geen enkele aanleiding was om [verzoeker] per 30 juli 2002 uit te nodigen voor een gesprek. Het is voorts [verzoeker] en niet [verweerder] geweest die een reïntegratie heeft geblokkeerd. Anders dan [verzoeker] aanvoert, heeft [verweerder] zich als een goed werkgever gedragen. Nu het juist [verzoeker] is geweest die op een confrontatie heeft aangestuurd, is er te minder aanleiding voor een vergoeding, aldus [verweerder].

De beoordeling

1.

[verzoeker] heeft aan zijn verzoek mede ten grondslag gelegd dat hij ieder vertrouwen in (een terugkeer binnen de organisatie van) [verweerder] heeft verloren. De kantonrechter begrijpt hieruit dat [verzoeker] niet langer bereid is om in de toekomst arbeid voor [verweerder] te verrichten. Die houding leidt op zichzelf reeds tot een verstoring van de verhoudingen die een ontbinding rechtvaardigt. Dit leidt er toe dat de kantonrechter het voornemen heeft de arbeidsovereenkomst te ontbinden en wel per 15 juni 2004.

2.

Wat betreft de vraag of er gronden zijn om aan [verzoeker] ten laste van [verweerder] een vergoeding toe te kennen, wordt het navolgende overwogen.

3.

De kantonrechter stelt voorop dat er bij een verzoek van een werknemer tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in beginsel geen aanspraak bestaat op een vergoeding naar billijkheid indien komt vast te staan dat de ontbindingsgrond in de risicosfeer van de werknemer ligt en de werkgever geen enkel verwijt treft dan wel de werkgever op geen enkele wijze op een beëindiging heeft aangekoerst.

Indien aldus de ontbindingsgrond wel (enigszins) in de risicosfeer van de werkgever valt, zoals bijvoorbeeld bij langdurige arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door de arbeidsomstandigheden, dan wel de werkgever wel in enigerlei vorm een verwijt kan worden gemaakt (bijvoorbeeld van het onvoldoende meewerken aan de reïntegratie van een (situationeel) arbeidsongeschikte werknemer) kan er aldus grond zijn om wel een vergoeding toe te kennen.

4.

[verzoeker] heeft allereerst aangevoerd dat zijn arbeidsongeschiktheid is ontstaan door het optreden van [verweerder]. Dit moet op grond van het navolgende voldoende aannemelijk worden geacht.

Allereerst geldt dat [verweerder] [verzoeker] tijdens diens vakantie schriftelijk heeft meegedeeld tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst te willen komen, hetgeen al niet van een goed werkgever behoeft te worden verwacht. Een goede reden om [verzoeker] op dat moment met zo’n mededeling te confronteren is niet gebleken. Daarbij komt dat niet aannemelijk is geworden dat [verweerder] eerder aan [verzoeker] zijn onvrede over diens functioneren heeft kenbaar gemaakt. Voorts geldt dat, in de eerste plaats al bij gebrek aan vastlegging van eerdere functionerings-gesprekken of anderszins, het (onderliggende) verwijt van disfunctioneren niet overtuigend is. Het gegeven dat [verzoeker] over de jaren 1999 tot en met 2001 royale tantièmes is toegekend en dat zijn salaris ingaande 2002 nog met 7% is verhoogd, maakt een dergelijk verwijt te minder aannemelijk.

Dat [verweerder] vanwege de kleinschaligheid en het karakter van haar organisatie haar onvrede niet eerder uitdrukkelijk (en schriftelijk) heeft willen verwoorden, zoals zij thans betoogt, maakt het voorgaande niet anders, nu die keuze voor haar rekening en risico dient te komen.

Tenslotte dient een en ander te worden bezien tegen de achtergrond dat [verweerder] in de periode voorafgaande aan juli 2002 meerdere andere werknemers, al dan niet na een conflict, “buiten de deur heeft gezet”, zoals [verzoeker] onbestreden heeft aangevoerd.

Het mag dan ook geen verwondering wekken dat [verzoeker] zich door de opstelling van Van de Hul overvallen, getroffen en diep bedreigd in zijn positie heeft gevoeld en dat zulks zodanige psychische spanningen heeft opgeleverd dat [verzoeker] als gevolg daarvan arbeidsongeschikt is geworden.

5.

[verzoeker] heeft voorts aangevoerd dat [verweerder] op geen enkele wijze bereid is gebleken om aan zijn herstel en aan zijn reïntegratie mee te werken. De kantonrechter onderschrijft dat [verweerder] ter zake een aanmerkelijk verwijt treft.

Het optreden van Van de Hul na [verzoeker]’ ziekmelding kan immers slechts als destructief en in flagrante strijd worden betiteld met haar verplichting om zich zoveel mogelijk herstel- en reïntegratiebevorderend op te stellen. De ziekmelding van [verzoeker] is immers beantwoord door [verweerder] door het indienen bij het CWI van een verzoek om een ontslagvergunning. Gewezen kan voorts worden op de aankondiging van [verweerder] om vanaf december 2002 niet langer [verzoeker]’ begeleiding vanuit de arbodienst te bekostigen. Daaraan kan worden toegevoegd dat [verweerder] niets heeft ondernomen op de conclusie van de arbo-arts dat een reïntegratie bij haar niet reëel was en in dat kader niet heeft gereageerd op een door de arbodienst aan haar uitgebrachte offerte voor een “outplacement-traject” ofwel een reïntegratie bij een andere onderneming. Uit die handelwijze blijkt overduidelijk dat [verweerder] geenszins bereid was om nog een brug naar [verzoeker] te slaan en hem nog te laten terugkeren.

Dat [verweerder] nog werkelijk in het lot van [verzoeker] was geïnteresseerd, zoals zij ter zitting heeft aangevoerd, doch dat [verzoeker] ieder contact met haar afhield, acht de kantonrechter geveinsd. Niet gesteld noch gebleken is wat zij, behoudens een bij het CWI ingediend verzoek om toestemming om het dienstverband wegens gesteld disfunctioneren en een weigering om voormelde begeleiding nog te willen bekostigen, in de richting van [verzoeker] heeft ondernomen.

De brief van 18 maart 2003 getuigt evenmin van medeleven en is veeleer een treffende illustratie van het afkeurenswaardige optreden van [verweerder]. Indien zij over het bestaan van [verzoeker]’ arbeidsongeschiktheid reële twijfel zou hebben, diende zij daarvoor haar bedrijfsarts te benaderen, zonodig gevolgd door de route van een second opinion als bedoeld in artikel 32, tweede lid jo 30, eerste lid, sub e. van Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI). Te meer onbehoorlijk is daarbij de suggestie dat een en ander slechts ligt aan privé-omstandigheden.

Hetzelfde geldt in versterkte mate voor het bij brief van 14 april 2003 elf maanden na dato en niet onderbouwd(!) beschuldigen van [verzoeker] van een schending van de geheimhoudings-verplichting en het hem op basis daarvan schorsen en het aankondigen van het staken van betalingen. Ronduit dubieus is in dat kader de impliciete mededeling dat [verzoeker] vanaf 1 juni 2003 niet meer bij [verweerder] in dienst zou zijn.

Voorts is [verweerder] nalatig gebleven om [verzoeker] duidelijkheid te verschaffen over het bedrag van € 3.426,56 als hiervoor bedoeld in sub j. Dit is al laakbaar, laat staan dat de gestelde verrekening voldoet aan de vereisten daarvoor zoals neergelegd in artikel 7:632 BW en nog daargelaten of [verweerder] ter zake een vordering heeft.

6.

Uit het bovenstaande vloeit mede voort dat aannemelijk is dat [verweerder] feitelijk al in juli 2002 tot de conclusie is gekomen dat voor haar een beëindiging van de arbeidsrelatie met [verzoeker] de enige optie was. Dit siert [verweerder] niet, gelet op de duur van ontslagbescherming die de wetgever aan zieke werknemers heeft willen toekennen.

7.

Dat een en ander er toe heeft geleid dat de psychische spanningen niet bij [verzoeker] zijn afgenomen, is naar het oordeel van de kantonrechter evident. Van [verweerder] mocht als werkgever juist worden verlangd dat hij, gezien [verzoeker]’ objectief vastgestelde arbeidsongeschiktheid, de nodige terughoudendheid zou betrachten om [verzoeker] van verdere spanningen te vrijwaren en om hun relatie niet verder te belasten.

8.

De kantonrechter is dan ook van oordeel dat aan [verzoeker] een vergoeding toekomt, die aan de hand van de kantonrechtersformule zal worden bepaald.

Voor factor A zal worden uitgegaan van een arbeidsduur van juli 1998 tot en met juni 2004. Rekeninghoudend met de weging van [verzoeker]’ leeftijd levert dit “9” op. Voor factor B zal met € 4.313,52 worden gerekend. Wat betreft factor C zal dit op “2” worden gesteld. Daarvoor is enerzijds van belang dat van een relatie tussen ontstaan en het voortduren van de arbeidsongeschiktheid en de houding en het handelen [verweerder] in voldoende mate is gebleken. Voorts geldt dat [verzoeker] met 50 jaar en een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid een relatief moeilijke positie op de arbeidsmarkt zal innemen. Tenslotte heeft een verhogende invloed hetgeen onder r.o. 5. is overwogen, te weten dat [verweerder] een verwijt kan worden gemaakt van een niet tot stand gekomen reïntegratie. Anderzijds geldt dat [verzoeker] door de ontbinding niet in een slechtere financiële positie komt dan bij voortzetting van de arbeidsovereenkomst, aangezien de betalingsverplichtingen van [verweerder] reeds een einde hebben genomen. Al met al bepaalt de kantonrechter de aan [verzoeker] toe te kennen vergoeding op (afgerond) € 77.650,00 bruto.

9.

Nu [verzoeker] ter zake van de verzochte ontbinding een hogere vergoeding heeft gevraagd, zal hij in de gelegenheid worden gesteld binnen de hierna vermelde termijn zijn verzoek in te trekken.

10.

Voor het geval het verzoek tot ontbinding niet wordt ingetrokken, wordt in de omstandigheden van het geval aanleiding gevonden voor compensatie van de proceskosten op na te melden wijze.

De beslissing

De kantonrechter:

- stelt partijen in kennis van zijn voornemen de tussen [verweerder] en [verzoeker] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden per 15 juni 2004, onder toekenning aan [verzoeker] ten laste van [verweerder] van een vergoeding van € 77.650,00 bruto;

- stelt [verzoeker] in de gelegenheid het verzoek in te trekken uiterlijk op 11 juni 2004 door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de sector kanton, onder onverwijlde mededeling daarvan aan de wederpartij;

voor het geval [verzoeker] het verzoek niet intrekt:

- ontbindt de tussen [verweerder] en [verzoeker] bestaande arbeidsovereenkomst en bepaalt dat deze eindigt op 15 juni 2004, onder toekenning aan [verzoeker] ten laste van [verweerder] van een vergoeding van € 77.650,00 bruto en veroordeelt [verweerder] tot betaling van dat bedrag aan [verzoeker] tegen bewijs van kwijting;

- compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

voor het geval [verzoeker] het verzoek intrekt:

- veroordeelt [verzoeker] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 360,00 voor salaris gemachtigde.

Aldus gegeven door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 26 mei 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.