Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2004:AQ0415

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
18-05-2004
Datum publicatie
12-07-2004
Zaaknummer
07/440254-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweer terzake onrechtmatig verkregen bewijs; verdachte in casu niet geschonden in een belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE- LELYSTAD

Meervoudige strafkamer te Zwolle

Parketnummer: 07.440254-03

Uitspraak: 18 mei 2004

S T R A F V O N N I S

in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

[woonplaats].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2004. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.A. van der Lem, advocaat te Deventer.

De officier van justitie, mr. S.T.C. van der Werf, heeft ter terechtzitting gevorderd:

- de veroordeling van verdachte terzake het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde tot 3 jaar gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen van de Reclassering Nederland;

- de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], met oplegging van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht;

- de toewijzing, bij wijze van voorschot, van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 5.000,--, met oplegging van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht;

- de niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [benadeelde partij] in haar vordering voor het meer gevorderde.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging).

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsvrouw van verdachte heeft, kort en zakelijk weergegeven, betoogd dat het deel van de tenlastelegging voorzover het onder 4 is ten laste gelegd niet voldoet aan de eisen die de wet daaraan in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering stelt, omdat niet voldoende duidelijk is wat de officier van justitie beoogt ten laste te leggen: heling van de vrachtauto waarvan de diefstal onder 3 primair ten laste is gelegd of heling van een andere vrachtauto. De raadsvrouw heeft derhalve verzocht de dagvaarding met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde nietig te verklaren.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent het volgende.

Onder de tenlastelegging van elk feit staat tussen haakjes vermeld op welke zaak uit het dossier het ten laste gelegde feit betrekking heeft. De verdachte heeft er tijdens het onderzoek ter terechtzitting blijk van gegeven dat hij begrijpt op welke zaak het onder 4 ten laste gelegde ziet.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de tenlastelegging voldoende duidelijk is en ook overigens voldoet aan de eisen gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

BEWIJS

De verdediging heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd:

De aanvraag en de machtigingen/bevelen tot het verrichten van telefoontaps ontbreken in het dossier. Derhalve dienen de tapverslagen alsmede de verklaringen van getuigen / medeverdachten die uit de confrontatie met de tapverslagen zijn verkregen als onrechtmatig verkregen bewijs van het bewijs te worden uitgesloten.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent het volgende:

In het dossier bevinden zich tapverslagen die voortkomen uit het tappen van telefoons van de medeverdachten [medeverdachte]. De rechtbank heeft geconstateerd dat er geen machtigingen/bevelen tot het verrichten van telefoontaps in het dossier aanwezig zijn.

De vraag is echter of verdachte wordt getroffen in een belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. De vereiste machtiging van de rechter-commissaris voor een telefoontap is gesteld in verband met het diepe ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer van degene die wordt getapt. In de onderhavige zaak is het niet de verdachte, maar zijn het enkele van zijn medeverdachten die worden getapt.

Aldus is de rechtbank van oordeel dat het ontbreken van de machtigingen/bevelen tot het verrichten van telefoontaps bij medeverdachten geen onrechtmatigheid is die de verdachte treft in een belang die de overtreden norm beoogt te beschermen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 maart 2003 tot 1 juli 2003, in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, die gevormd werd door verdachte en [me[medeverdachte] [geboortedatum] en [medeverdachte] [geboortedatum]) en [medeverdachte]a

en [medeverdachte],

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk diefstal

door middel van braak en verbreking en (gewoonte)heling van vrachtauto's, althans (onderdelen van) voertuigen, als bedoeld in de artikel 311 lid ahf/sub 4 en 311 lid 1 ahf/sub 5 juncto 310 en/of 417 of 416 van het Wetboek van Strafrecht,

2.

hij in de periode van 7 maart 2003 tot 10 maart 2003 te gemeente Apeldoorn tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf een bedrijfsterrein aan [naam locatie] heeft weggenomen een vrachtauto, toebehorende aan de [naam bedrijf], waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en die weg te nemen vrachtauto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak;

3 primair.

hij in de periode van 19 juni 2003 tot 21 juni 2003 te gemeente Apeldoorn tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een op of aan [lokatie] geparkeerde vrachtauto, toebehorende aan [benadeelde partij], waarbij verdachte en/of zijn mededaders die weg te nemen vrachtauto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak;

4.

hij in de periode van 19 juni 2003 tot 26 juni 2003 te gemeente Dinxperlo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een vrachtauto, voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van het voorhanden krijgen van die vrachtauto, wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

5.

hij in de periode van 31 maart 2003 tot 13 augustus 2003 te Lettele, gemeente Deventer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een vrachtauto, merk Mercedes Benz, type 1726 LS voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van het

het voorhanden krijgen van die vrachtauto wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Van het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het onder 1 bewezene levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven,

strafbaar gesteld bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 2 bewezene levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak,

strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 3 primair bewezene levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak,

strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 4 en 5 bewezene levert telkens op:

medeplegen van opzetheling,

strafbaar gesteld bij artikel 416 juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank vindt in dit geval een gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel d.d. 19 maart 2004 uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst;

- een voorlichtingsrapport d.d. 19 januari 2004 uitgebracht door E. ten Hoopen, Reclassering Nederland, Unit Assen.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partijen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 2 bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op het voeginsformulier, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 2300,-- (zijnde de reparatie van de erfafscheiding en het eigen risico), vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade, voorzover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank zal voorts terzake van het ten laste van verdachte onder 2 bewezen verklaarde feit aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 2300,- ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij

[benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 3 bewezen verklaarde feit.

Aangezien de rechtbank onvoldoende gegevens heeft ontvangen betreffende de waardebepaling van de gestolen vrachtauto zal de rechtbank een deel van de vordering bij wijze van voorschot toewijzen.

De rechtbank heeft het voorschotbedrag, mede gelet op het voegingsformulier en de daarbij gevoegde bijlagen, vastgesteld op € 5.000,--., vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege - bij wijze van voorschot- toewijsbaar.

De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor het meer gevorderde niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht

De rechtbank zal voorts terzake van het ten laste van verdachte onder 3 bewezen verklaarde feit aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 5.000,- ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

BESLISSING

Het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

18 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 6 maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Reclassering Nederland, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], Postbus 19, 6710 BA Ede, van een bedrag van € 2.300,-- (zegge: tweeduizend driehonderd euro), hoofdelijk met dien verstande dat indien en voorzover zijn mededader/mededaders betaalt/betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 2.300,--, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 46 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt daarbij dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan één van die onderscheiden verplichtingen tot schadevergoeding die andere (voor dat gedeelte) komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling - bij wijze van voorschot - aan de benadeelde partij [benadeelde partij], gevestigd aan de Tweelingenlaan 70, 7324 BN Apeldoorn, van een bedrag van € 5.000,-- (zegge: vijfduizend euro), hoofdelijk met dien verstande dat indien en voorzover zijn mededader/mededaders betaalt/betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 5.000,--, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 100 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt daarbij dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan één van die onderscheiden verplichtingen tot schadevergoeding die andere (voor dat gedeelte) komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. C.A.M. Heeregrave, voorzitter, mrs. F. Spiering - van der Maden en C.W. van Kooten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 mei 2004.