Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2004:AO9827

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
28-04-2004
Datum publicatie
19-05-2004
Zaaknummer
91073 / HA ZA 03-1179
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 7A:1576, vijfde lid BW. Dexia-zaak. Aandelenlease-overeenkomst. Incidentele vordering tot verwijzing. Zaak wordt naar de kantonrechter verwezen, aangezien sprake is van huurkoop. Ook een overeenkomst met betrekking tot vermogensrecht valt onder huurkoopregeling door toepassing van de schakelbepaling van artikel 7A:1576, vijfde lid BW. Er is sprake van aflevering van aandelen door bijschrijving op naam van verkrijger in administratie bank. Er waren termijnbepalingen afgesproken. Partijen hebben hebben eigendomsoverdracht beoogd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector civiel

Enkelvoudige handelskamer

Zaaknr/rolnr: 91073 / HA ZA 03-1179

Uitspraak: 28 april 2004

V O N N I S

in de zaak, aanhangig tussen:

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

gedaagde in het incident,

procureur mr. F.W. van Vloten,

advocaat mr. H. Post te Helmond,

[X],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

procureur mr. J.A. van Wijmen,

advocaat mr. W.A. Tonckens te Amsterdam.

PROCESGANG

De zaak is bij op 21 oktober 2003 uitgebrachte dagvaarding aanhangig gemaakt.

Partijen zijn verschenen, waarna de volgende processtukken zijn gewisseld:

- een incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid van de zijde van [X];

- een conclusie van antwoord in het incident tot verwijzing van de zijde van Dexia.

Tenslotte is op verzoek van partijen op grond van het griffiedossier vonnis bepaald in het incident.

CONCLUSIES VAN PARTIJEN

De vordering van Dexia strekt ertoe [X] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan Dexia tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van

EURO 14.571,92, vermeerderd met de wettelijke rente over EURO 12.886,06, vanaf 30 augustus 2003 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [X] in de kosten van dit geding, waaronder de proceskosten.

[X] heeft, vóór alle weren, de exceptie van onbevoegdheid opgeworpen, met conclusie dat de rechtbank Zwolle zich onbevoegd zal verklaren van het onderhavige geschil kennis te nemen en de zaak zal verwijzen naar de rechtbank Zwolle, sector kanton, kosten rechtens.

MOTIVERING

In de hoofdzaak

1. Dexia heeft in de hoofdzaak aan haar vordering ten grondslag gelegd de stelling dat de overeenkomst met [X] ten behoeve van het product Triple Effect met maandbetaling onder contractnummer 51780256 door het verstrijken van de overeengekomen looptijd is geëindigd en dat zij thans een bedrag van EURO 12.886,06 opeisbaar van [X] te vorderen heeft. [X] is volgens Dexia in verzuim doordat hij nalaat het bij de einddatum verschuldigde bedrag, ondanks aanmaning daartoe, te voldoen. [X] is over de hoofdsom van de overeenkomst wettelijke rente verschuldigd, aldus Dexia.

In het incident

2. [X] heeft aan de door hem bij incidentele conclusie opgeworpen exceptie van onbevoegdheid ten grondslag gelegd de stelling dat de effectenlease-overeenkomst die hij met Dexia heeft gesloten, huurkoop betreft en dat de vordering van Dexia daarom dient te worden behandeld en beslist door de kantonrechter.

Volgens [X] zijn effecten, zijnde vermogensrechten, krachtens het vijfde lid van artikel 7A:1576 Burgerlijk Wetboek (BW) vatbaar voor koop op afbetaling en derhalve ook voor huurkoop. Huurkoop is immers een species van het genus koop op afbetaling.

De effecten-leaseovereenkomst voldoet volgens [X] aan de kenmerken van huurkoop. Hij stelt daartoe in de eerste plaats dat sprake is van betaling in termijnen, te weten 36 termijnen van EURO 114,10, een bedrag van EURO 45,38 te betalen op of omstreeks de 35ste maand alsmede een restantbedrag van EURO 19.530,88 te betalen aan het einde van de lease-overeenkomst. Volgens [X] is niet relevant dat de maandtermijnen uitsluitend zien op rente.

In de tweede plaats stelt [X] dat twee of meer termijnen zijn verschenen nadat de verkochte zaak aan de koper is afgeleverd. De aflevering vond volgens [X] plaats doordat de waarden door Dexia ten name van [X] zijn bijgeschreven in haar administratie, overeenkomstig artikel 17 Wet Giraal Effectenverkeer (WGE). Aangezien betaling van de termijnen plaatsvindt na deze aflevering, zijn in totaal 38 termijnen na aflevering betaald, aldus [X].

In de derde plaats stelt [X] dat partijen eigendomsoverdracht van de aandelen hebben beoogd onder opschortende voorwaarde. Op grond van de overeenkomst wordt [X] pas eigenaar van de waarden zodra hij al datgene aan de bank heeft betaald dat hij krachtens de overeenkomst verschuldigd is of zal worden, aldus [X].

Volgens [X] is daarmee voldaan aan de vereisten voor huurkoop in de zin van de artikelen 7A:1576 en 1576h BW.

3. Dexia betwist dat de sector kanton van de rechtbank Zwolle bevoegd zou zijn om van het onderhavige geschil kennis te nemen. Meer in het bijzonder betwist Dexia dat de effecten-leaseovereenkomst kan worden gekwalificeerd als huurkoop. Volgens Dexia voldoet de overeenkomst in elk geval niet aan de wezenlijke kenmerken van een koop op afbetaling en daarmee ook niet aan die van huurkoop.

Dexia stelt dat de wet koop op afbetaling definieert als een overeenkomst die wordt aangegaan met betrekking tot een 'zaak'. De overeenkomst met [X] heeft volgens Dexia echter geen betrekking op zaken maar op effecten. Met betrekking tot de schakelbepaling van lid 5 van artikel 7A:1576 (BW) stelt Dexia dat het feit dat de bepalingen van de vijfde titel A van Boek 7A BW ook van toepassing zijn op vermogensrechten nog niet maakt dat de overeenkomsten met vermogensrechten als onderwerp kunnen worden gekwalificeerd als overeenkomsten van huurkoop.

Ter aanvulling hierop stelt Dexia dat effectenlease niet voldoet aan de specifieke vereisten die gelden voor een koop op afbetaling.

In de eerste plaats heeft Dexia betwist dat er sprake is geweest van aflevering. Bij de effectenlease-overeenkomst met [X] werd volgens Dexia niet het bezit van de effecten verschaft zoals artikel 7:9 BW vereist. Evenmin strekte de overeenkomst er volgens Dexia toe dat de effecten voorafgaand aan de volledige betaling van de koopsom in de macht van de lessee werden gebracht. [X] kon de aandelen niet vervreemden of bezwaren en evenmin enig ander recht uitoefenen dat aan de effecten is verbonden. Voorafgaand aan de daadwerkelijke eigendomsoverdracht kreeg [X] alleen het economisch risico dat aan de effecten was verbonden. Het enkel overdragen van het economisch risico kwalificeert volgens Dexia echter niet als machtsverschaffing en dus ook niet als aflevering in de zin van lid 1 van artikel 7A:1576 BW.

In de tweede plaats heeft Dexia betwist dat twee of meer termijnen na de aflevering zijn betaald. Aflevering van effecten kon volgens Dexia pas plaatsvinden bij de laatste termijnbetaling. Daar komt volgens Dexia bij dat termijnbetalingen die geen betrekking hebben op de koopprijs, zoals rentebetalingen, niet leiden tot de kwalificatie van een overeenkomst als koop op afbetaling. De termijn van EURO 45,38 tenslotte is zodanig weinig betekenend, dat de overeenkomst daarmee niet het afbetalingskarakter krijgt dat door artikel 7A:1576 BW wordt verondersteld, aldus Dexia. In dat verband stelt Dexia voorts dat de overeenkomst niet expliciet voorziet in een splitsing in termijnen in die zin dat de betalingen volgtijdig vervallen. De overeenkomst laat volgens Dexia ook betaling van de volledige koopsom ineens toe.

In de derde plaats betwist Dexia tenslotte dat partijen een eigendomsoverdracht hebben beoogd. Volgens Dexia is uitgangspunt dat de effecten bij het einde van de looptijd niet in eigendom aan de cliënt worden overgedragen maar dat ze worden verkocht aan een derde en dat slechts het verschil tussen koop- en verkoopprijs met de cliënt wordt afgerekend. De overeenkomst met [X] voorziet niet in enige verplichting voor hem om de aandelen daadwerkelijk af te nemen. Evenmin is er sprake van een urgerende optie. Overeenkomsten van effectenlease zijn gericht op het realiseren van koersverschillen. Zij zijn juridisch noch economisch gericht op het daadwerkelijk verkrijgen van de eigendom van die effecten, aldus Dexia.

4. Uitgangspunt bij de beoordeling van dit geschil is dat verwijzing naar de sector kanton dient plaats te vinden indien de effectenlease-overeenkomst die Dexia met [X] heeft gesloten, kan worden gekwalificeerd als een overeenkomst van huurkoop. Anders dan [X] stelt, is dit geen kwestie van onbevoegdheid van de rechtbank -de rechtbank is absoluut bevoegd van de vordering kennis te nemen- maar van taakverdeling tussen de kantonrechter en een andere kamer van de rechtbank. In beginsel dient de incidentele vordering van [X] tot onbevoegdverklaring dan ook te worden afgewezen.

Nu [X] evenwel kennelijk heeft bedoeld een incidentele vordering in te stellen tot verwijzing naar de sector kanton, zoals neergelegd in artikel 71 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), en dit ook als zodanig is opgevat door Dexia, zal de rechtbank de stellingen van [X] betreffende de verwijzing naar de kantonrechter verstaan als een verzoek van een der partijen in de hoofdzaak tot verdere behandeling en beslissing door de kantonrechter.

Op dat verzoek wordt als volgt beslist.

5. Bij de beoordeling van de vraag of de onderhavige zaak dient te worden verwezen naar de kantonrechter staat voorop dat uit artikel 7A:1576 lid 5 BW volgt dat titel 5A van Boek 7A BW die primair betrekking heeft op de koop op afbetaling en huurkoop van zaken van overeenkomstige toepassing is op vermogensrechten, voor zover dat in overeenstemming is met de aard van het recht. Dat brengt mee dat uitgangspunt dient te zijn dat vermogensrechten zoals effecten onderwerp kunnen zijn van koop op afbetaling en daarmee ook van huurkoop in de zin van titel 5A Boek 7A BW.

De stelling van Dexia dat het feit dat de bepalingen van titel 5A van Boek 7A BW ook van toepassing zijn op vermogensrechten nog niet maakt dat de overeenkomsten met bedoelde vermogensrechten als voorwerp kwalificeren als overeenkomsten van huurkoop, wordt verworpen. Daarvoor is te meer reden nu in de Memorie van Toelichting bij artikel 7A:1576 BW met zoveel woorden wordt opgemerkt dat het eerste lid weliswaar spreekt van 'zaken' en het begrip 'zaak' in het Burgerlijk Wetboek per 1 januari 1992 niet meer de vermogensrechten omvat maar dat daarom het vijfde lid is toegevoegd teneinde duidelijk te maken dat geen materiële wijziging ten opzichte van het oude recht is beoogd. Onder het oude recht omvatte het begrip 'zaak' ook de vermogensrechten en was derhalve ook koop op afbetaling van vermogensrechten mogelijk.

6. Vervolgens ligt de vraag voor of de effectenlease-overeenkomst die Dexia met [X] heeft gesloten ook daadwerkelijk als huurkoopovereenkomst kan worden gekwalificeerd. Daaromtrent geldt het volgende.

Uit artikel 2 van de door Dexia overgelegde Bijzondere Voorwaarden Labouchere Effecten Lease -waarvan de toepasselijkheid door [X] niet is betwist- volgt dat de eigendom van de waarden (of effecten) op lessee -[X]- overgaat als lessee -[X]- aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan. In het onderhavige geval kan er vanuit worden gegaan dat reeds voorafgaand aan deze voorwaardelijke eigendomsoverdracht een aflevering van de effecten heeft plaatsgevonden en wel door bijschrijving ten name van [X] in de administratie van de bank.

Dexia heeft weliswaar betwist dat sprake is geweest van aflevering en gesteld dat voor de uitleg van de term aflevering aansluiting dient te worden gezocht bij artikel 7:9 lid 2 en 3 BW maar aldus gaat zij er aan voorbij dat artikel 7:9 BW over zaken handelt en niet rechtstreeks voor vermogensrechten is geschreven. Blijkens de Memorie van Antwoord bij genoemd artikel heeft bij vermogensrechten het onderscheid tussen aflevering en levering weinig betekenis.

Dexia wijst verder nog op de schakelbepaling van artikel 7:47 BW maar volgens dat artikel zijn de bepalingen uit de vorige afdelingen alleen van toepassing op vermogensrechten voor zover dat in overeenstemming is met de aard van het recht. Voor wat betreft eigendomsoverdracht en aflevering geldt, aldus de Memorie van Antwoord bij artikel 7:47 BW, dat overdracht plaatsvindt op de wijze die afdeling 2 van titel 4 van Boek 3 BW voorschrijft en dat de verkoper alles in het werk dient te stellen om er voor te zorgen dat de koper het recht kan uitoefenen. In dat verband is van belang dat levering van effecten niet in stoffelijke vorm plaatsvindt maar ingevolge artikel 17 WGE door middel van bijschrijving op naam van de verkrijger in de administratie van de betrokken instelling. Dexia heeft erkend dat zij (althans haar rechtsvoorgangster) na verkrijging van de effecten deze effecten ten name van [X] heeft bijgeschreven in haar administratie. Hiermee is de (af)levering voltooid.

In dit verband is verder nog van belang dat [X] bij het sluiten van de overeenkomst het voor koop op afbetaling en huurkoop kenmerkende gebruiksrecht heeft verkregen zodat de stelling van Dexia dat [X] slechts een zuiver voorwaardelijk recht op de eigendom van de aandelen heeft verkregen, dient te worden verworpen. Volgens artikel 3 van de Bijzondere Voorwaarden draagt [X] namelijk het economisch risico met betrekking tot de koersverschillen van de effecten. Dit is ook met zoveel woorden door Dexia erkend. Dit kan redelijkerwijs niet anders worden geïnterpreteerd dan als een gebruiksrecht van de aandelen voor [X].

7. Nu er, gelet op het voorgaande, vanuit kan worden gegaan dat de effecten aan [X] zijn afgeleverd door het plaatsen van een aantekening in de boekhouding van Dexia, dient vervolgens te worden vastgesteld of er sprake is geweest van betaling van twee of meer termijnen na die aflevering.

Uit het betalingsschema behorende bij de als productie 1 door Dexia overgelegde kopie van de overeenkomst blijkt dat inderdaad sprake was van dergelijke termijnbetalingen. Hierbij is de totale leasesom als koopprijs in de zin van artikel 7A:1576 lid 1 BW aan te merken, waarbij niet van belang is dat genoemde som is opgebouwd uit een bedrag waarvoor Dexia de effecten heeft aangekocht en een bedrag aan te betalen rente. Het is immers het totale bedrag dat door [X] aan Dexia diende te worden voldaan ter verkrijging van de effecten.

Het voorgaande brengt mee dat de stelling van Dexia dat de rentebetalingen niet van belang zijn voor de kwalificatie als koop op afbetaling, dient te worden verworpen.

De stelling van Dexia dat in elk geval de betaling van het overeengekomen bedrag van EURO 45,38 ook mag worden gedaan op de datum waarop het restant van de hoofdsom wordt voldaan zodat er om die reden geen sprake is van betaling in twee (of meer) termijnen, behoeft in het licht van het voorgaande ook geen verdere bespreking. Datzelfde geldt voor de stelling dat de termijn van EURO 45,38 van volkomen ondergeschikt belang was. Zoals ook hiervoor is overwogen, gaat het om het totaal van de leasesom. Het doet er niet toe dat er ook een relatief kleine termijn is die eventueel ook tegelijk met het restant van de hoofdsom kan worden voldaan.

Ten overvloede wordt opgemerkt dat (de rechtsvoorgangster van) Dexia bij de totstandkoming van de lease-overeenkomst kennelijk zelf ook een huurkoopconstructie voor ogen stond. Een andere verklaring voor de betaling in de voorlaatste maand van een bedrag van (nog slechts)

EURO 45,38 wordt door Dexia niet gegeven. In haar als productie 3 overgelegde eindafrekening heeft Dexia bovendien in een voetnoot zelf aangegeven dat de splitsing in een restant hoofdsom en een eerste aflossingstermijn van EURO 45,38 is geschied juist 'in verband met artikel 1576 van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek'.

8. Tenslotte is van belang of partijen eigendomsoverdracht van de effecten hebben beoogd. In dat verband speelt artikel 5 van de effectenlease-overeenkomst een belangrijke rol. In dat artikel wordt uitdrukkelijk bepaald dat de eigendom van de effecten automatisch en van rechtswege op lessee ([X]) overgaat op het moment dat hij aan al zijn verplichtingen uit de overeenkomst heeft voldaan. Om deze overgang te bewerkstelligen heeft Dexia, zoals hiervoor in rechtsoverweging 6 is overwogen, al bij aanschaf door haar van de effecten de leveringshandeling overeenkomstig artikel 17 WGE verricht. Een en ander leidt tot de conclusie dat partijen inderdaad eigendomsoverdracht hebben beoogd.

De stelling van Dexia dat de overeenkomst, bij gebreke van een bepaling waarin een afnameverplichting dan wel een zogenaamde urgerende optie is neergelegd, niet strekt tot het daadwerkelijk verkrijgen van de eigendom, wordt verworpen. Dexia miskent in dit verband dat partijen reeds bij het sluiten van de overeenkomst hebben afgesproken en vastgelegd dat de eigendom automatisch en van rechtswege overgaat, zodat die overgang niet van een afnameverplichting of optie afhankelijk is. Hieraan doet niet af dat overeenkomsten van effectenlease zijn gericht op het realiseren van koersverschillen. Daargelaten dat koopovereenkomsten met betrekking tot effecten gewoonlijk zijn gericht op het profiteren van koersfluctuaties, is het doel van een eigendomsverwerving voor de vaststelling dat er sprake is van een eigendomsoverdracht, niet van belang. In die zin staat het een cliënt dan ook vrij om direct nadat hij de effecten in eigendom heeft verkregen, tot verkoop daarvan over te gaan. Dat vervolgens om redenen van praktische aard en kostenbesparingen, zoals Dexia stelt, de cliënt er aan het einde van de looptijd van de overeenkomst voor kiest de afwikkeling van de overeenkomst en de verkoop in één handeling door Dexia te laten verrichten waarbij een verrekening plaatsvindt, in plaats van, na betaling van het restantbedrag, uitlevering van zijn effecten uit het verzameldepot te laten plaatsvinden om vervolgens zelf tot vervreemding daarvan over te gaan, maakt daarbij geen verschil.

9. Het vorengaande leidt tot de conclusie dat effectenlease-overeenkomst tussen Dexia en [X] is aan te merken als een huurkoopovereenkomst in de zin van artikel 7A:1576h BW. Dit heeft tot gevolg dat de onderhavige zaak op grond van artikel 93 onder c Rv door de kantonrechter dient te worden behandeld en beslist. De zaak zal dan ook op voet van artikel 71 lid 2 Rv ter verdere behandeling en beslissing worden verwezen naar de sector kanton van deze rechtbank.

Ingevolge artikel 71 lid 4 Rv wordt vermeld dat de rolzittingen van de kantonrechter te Deventer op donderdag om 10.15 uur plaatsvinden en dat partijen aldaar in persoon kunnen verschijnen dan wel zich kunnen laten bijstaan of zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde.

10. De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden tot de beslissing in de hoofdzaak.

BESLISSING

De rechtbank:

In het incident

1. Verwijst de zaak in de stand van het geding naar de rolzitting van de sector kanton, locatie Deventer, op donderdag 27 mei 2004 om 10.15 uur.

2. Houdt de beslissing inzake de kosten van dit incident aan;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug en in het openbaar uitgesproken op woensdag 28 april 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.