Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2004:AO9068

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
03-05-2004
Datum publicatie
10-05-2004
Zaaknummer
95593 / KG ZA 04-162
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering van 6 leden van bewonersvereniging tot opheffing van de statutenwijziging van 2004 en (her)omzetting conform de statuten van 1995 met als grondslag dat het bestuur van de bewonersvereniging onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld door het lidmaatschap van eisers op oneigenlijke gronden op te zeggen en vervolgens een statutenwijziging door te voeren, waarbij de gewraakte entreegeldregeling is afgeschaft.

Voorlopig oordeel is dat het besluit tot opzegging genomen is in strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist. Het bestuur van de bewonersvereniging heeft haar bevoegdheid tot opzegging gebruikt voor een doel waarvoor die bevoegdheid niet gegeven is. Door eisers op te zeggen met als enig doel een door eisers niet gewenste statutenwijziging door te voeren, terwijl gezien de omstandigheden van het geval een opzegging slechts als ultimum remedium gebruikt zou mogen worden, heeft het bestuur onbehoorlijk gehandeld.

Het voorlopig oordeel dat het besluit tot opzegging vernietigbaar is, leidt er tevens toe dat aannemelijk is dat de statutenwijziging van 2004 niet rechtsgeldig is geweest. Aangezien eisers geacht worden lid te zijn gebleven, is het quorum niet gehaald, zodat geen rechtsgeldig besluit tot statutenwijziging kon worden genomen.

Met betrekking tot de geldigheid van de statutenwijziging van 1995 is het voorlopig oordeel dat in geval van een gebrek in de oproeping van een algemene ledenvergadering het besluit tot statutenwijziging in beginsel vernietigbaar is in plaats van nietig. Nu de vervaltermijn ex artikel 2:15 lid 5 BW om de vernietiging van het besluit te vorderen reeds lang verstreken is, is het besluit tot statutenwijziging 1995 onaantastbaar.

Dit betekent niet zonder meer dat de bewonersvereniging ook aanspraak heeft op entreegelden van nieuwe leden. Onduidelijk is gebleven of de entreegeldregeling in de statuten van 1995 ook betrekking had op nieuwe leden. Hieromtrent is nader feitenonderzoek nodig, waarvoor een kort geding procedure zich niet leent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE Hek/Car

Zaaknr/rolnr: 95593 / KG ZA 04-162

Uitspraak: 3 mei 2004

DE VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING zitting houdende te Lelystad

V O N N I S

in de zaak, aanhangig tussen:

1. [eiser sub 1a] en

[eiseres sub 1b],

wonende [straatnaam] 5,

2. [eiser sub 2a] en [eiseres sub 2b],

wonende [straatnaam] 10,

3. [eiser sub 3a] en [eiseres sub 3b],

wonende [straatnaam] 11,

4. [eiser sub 4a] en [eiseres sub 4b],

wonende [straatnaam] 12,

5. [eiser sub 5]

wonende [straatnaam] 13,

6. [eiser sub 6a] en [eiseres sub 6b],

wonende [straatnaam] 14,

allen wonende te [plaats],

eisers,

procureur mr. J.G. Geerdes,

en

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

VERENIGING BEWONERS [X],

gevestigd te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. D.J.J. Folgering te Amsterdam,

hierna te noemen [eisers] en de bewonersvereniging.

PROCESGANG

[eisers] hebben de bewonersvereniging doen dagvaarden in kort geding.

[eisers] hebben hun vordering ter zitting verminderd.

De vordering - na vermindering van eis - strekt ertoe bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de bewonersvereniging te verbieden een statutenwijziging door te voeren als onder punt 40 van de dagvaarding vermeld;

II. de bewonersvereniging te gebieden de doorgevoerde statutenwijziging van februari 2004 op te heffen en weer in overeenstemming te brengen met de statuten van 1995;

III. de bewonersvereniging te veroordelen tot het innen van de instapgelden van de recentelijk verkochte woningen aan het [straatnaam] nr. 2, 4 en 6, dan wel jegens die verkopers tot uitvoering van de boeteclausule over te gaan volgens de akte van levering;

IV. de bewonersvereniging te gebieden [eisers] toe te laten tot de ledenvergaderingen van de bewonersvereniging en hen te berichten op welke data deze zullen plaatsvinden;

V. de vordering onder IV toe te wijzen onder oplegging van een dwangsom ad EURO 500,-- per dag gedurende welke de vereniging elke veroordeling binnen twee dagen na betekening van dit vonnis niet zal nakomen;

VI. de bewonersvereniging te veroordelen in de kosten van het geding.

Tegen deze vorderingen is door de bewonersvereniging verweer gevoerd met conclusie tot afwijzing van de vorderingen en tot veroordeling in de kosten van het geding.

Partijen hebben ter zitting van 21 april 2004 hun standpunten over en weer toegelicht.

Op verzoek van partijen is op het griffiedossier vonnis bepaald.

MOTIVERING

1. Vaststaande feiten

1.1 In 1992 werd het woningencomplex [straatnaam] bij [X] te [p[plaats] bewoond door zes personen. De woningen stonden op grond van de Domeinen. De Domeinen wilden de grond verkopen aan de bewoners. De panden die op het complex stonden zouden worden gesloopt en er zouden 15 nieuwe woningen worden gebouwd. Daarin zouden de 6 oorspronkelijke bewoners gaan wonen tezamen met 9 nieuwe bewoners.

1.2 Om de aankoop van de grond, de sloop van de oude woningen en de bouw van de nieuwe woningen in goede banen te leiden, hebben de 6 bewoners een bewonersvereniging opgericht. De vereniging is opgericht bij akte van 13 november 1992, verleden door mr. R.A.R. Vos, notaris te Lelystad. Blijkens artikel 3 van de akte van oprichting was het de bedoeling dat de bewonersvereniging de grond zou aankopen en vervolgens de daarop te bouwen huizen zou overdragen aan de leden van de vereniging.

1.3 Nadat de negen nieuwe leden waren toegetreden tot de bewonersvereniging, openbaarde zich in 1995 een gebrek in de akte van oprichting. De doelomschrijving en artikel 14 lid 4 van de akte van oprichting - gelezen in samenhang met artikel 2:44 lid 2 BW - maakten het voor de bewonersvereniging niet mogelijk om registergoederen te vervreemden.

De leden waren het over eens dat een statutenwijziging nodig was om de overdracht van de grond aan de leden mogelijk te maken.

1.4 Op 22 mei 1995 heeft een algemene ledenvergadering plaatsgevonden, waarop wijziging van de statuten aan de orde is geweest. In de oorspronkelijke versie van de notulen van die vergadering is vermeld:

"Als de koopovereenkomst van de grond is getekend, moet er bij de notaris een statutenwijziging plaatsvinden. Dit doet het Dagelijks Bestuur."

In de gewijzigde versie van de notulen van voornoemde vergadering, zoals bekrachtigd op de algemene ledenvergadering van 3 juli 1995, is vermeld:

"In de algemene ledenvergadering besluiten we de statuten te wijzigen, als de koopovereenkomst van de grond is getekend. Het Dagelijks Bestuur neemt kontakt op met de notaris."

Bij akte van 14 juli 1995 zijn de statuten gewijzigd, verleden door notaris mr. R.A.R. Vos. In deze statuten is voor zover hier van belang het volgende bepaald:

"Artikel 3.

De vereniging heeft ten doel:

a. de coördinatie en de organisatie door haar en haar leden van de sloop van de

bestaande opstallen en de realisatie van nieuwbouwwoningen, qua aantal veertien of vijftien passend binnen het vigerend bestemmingsplan van de Blocq van Kuffeler;

b. de zorg voor het beheer en onderhoud van de wegen, het gemeenschappelijk terrein, de houtopstanden, planten en borders en dergelijke en andere gemeenschappelijke voorzieningen, behorende tot vorenbedoeld woningencomplex, alsmede het instandhouden van het natuurlijk gebied en het in erfpacht uitgeven danwel vervreemden van de betreffende woningkavels aan de betreffende leden van de vereniging;

c. het verwerven, exploiteren en beheren of doen exploiteren en beheren van een gemeenschappelijke antenne-inrichting ten behoeve van de leden en het verrichten van alle werkzaamheden, welke hiermede in de ruimste zin verband houden, een en ander ingeval een gemeenschappelijke antenne-inrichting wordt aangelegd;

d. het behartigen van die belangen van voornoemd woningencomplex, hierna ook te noemen: "complex" en van de leden der vereniging, welke daarvoor krachtens besluit van de algemene vergadering in aanmerking komen.

Lidmaatschap

Artikel 4.

1. Tot het lidmaatschap worden uitsluitend toegelaten erfpachters/eigenaren van de

in vorenbedoeld complex gelegen woonpercelen. Het lidmaatschap van de vereniging is kwalitatief en derhalve niet persoonlijk.

(...)

Artikel 5.

1. Het lidmaatschap eindigt:

a. doordat het lid ophoudt erfpachter/eigenaar te zijn als bedoeld in artikel 4;

b. door schriftelijke opzegging door de vereniging waartoe het bestuur met algemene stemmen kan besluiten;

c. door ontbinding van de vereniging.

2. Een lid kan zijn lidmaatschap niet opzeggen zolang hij erfpachter/eigenaar is als bedoeld in artikel 4.

3. Mocht een erfpachter/eigenaar-lid komen te overlijden dan wordt zijn lidmaatschap voortgezet door zijn erfgenamen en rechtverkrijgenden.

4. De leden zijn verplicht om bij een overdracht van het erfpachtrecht of eigendomsoverdracht van hun perceel in het koopcontract en in de leveringsakte het lidmaatschap van de vereniging met alle rechten en verplichtingen daaraan verbonden, over te dragen aan de opvolgende erfpachter/eigenaar en door laatstgenoemden te doen aannemen. Verkoper is verplicht het bestuur van de vereniging van de overgang van het erfpachtrecht of eigendomsoverdracht op de hoogte te stellen.

5. Beëindiging van het lidmaatschap, door welke oorzaak ook, ontslaat een lid niet van zijn lopende verplichtingen met betrekking tot de aansprakelijkheid der gelden voor verbintenissen der vereniging.

(...)

Entreegelden, erfpachtcanon, contributie en omslagen

Artikel 8.

1. De na eenendertig december negentienhonderdvierennegentig toetredende leden zullen als kapitaaldeelname in de vereniging een entreebedrag van VIJFTIENDUIZEND GULDEN

(f 15.000,--) aan de vereniging betalen, welke bedragen voor de vereniging vermogen gaan vormen en derhalve door de betreffende leden nimmer kunnen worden opgeëist uit welke hoofde dan ook.

2. De jaarlijkse contributie en eventuele omslagen worden vastgesteld door de algemene vergadering aan de hand van een door het bestuur opgestelde exploitatiebegroting.

(...)

Statutenwijziging en ontbinding.

Artikel 17.

1. Besluiten tot wijziging van de statuten of tot ontbinding van de vereniging kunnen

slechts worden genomen in een vergadering waarin tenminste vier/vijfde van het

aantal leden aanwezig of vertegenwoordigd is met een meerderheid van tenminste

vier/vijfde van het aantal uitgebrachte stemmen.

(...)"

1.5 Op of omstreeks 13 oktober 1995 heeft de bewonersvereniging de vorenbedoelde percelen grond aan de bewoners geleverd. In de akte van levering, verleden door mr. R.A.R. Vos, notaris te Lelystad, is onder meer het volgende boetebeding opgenomen:

"Artikel 8. Lidmaatschap vereniging

De koper verklaarde bij deze nog nadrukkelijk lid te zijn en te blijven van de te [p[plaats] gevestigde vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, genaamd:

VERENIGING BEWONERS [X] (...).

De koper verklaarde tevens zich te verbinden:

a. zijn opvolgers in eigendom de verplichting op te leggen om bij de

eigendomsverkrijging als lid tot de vereniging toe te treden;

b. bedoelde opvolgers voor de vereniging als lid aan te nemen.

Het hiervoor in dit artikel bepaalde moet bij elke overgang, overdracht, toedeling aan de nieuwe gerechtigde worden opgelegd, ten behoeve van de vereniging worden bedongen en aangenomen en in elke verdere akte van overgang, overdracht of toedeling worden overgenomen, zulks op verbeurte door de nieuwe gerechtigde en iedere opvolgende gerechtigde, die verzuimt op te leggen, te bedingen, aan te nemen of te doen opnemen, van een onmiddellijk opeisbare boete van VIJFTIGDUIZEND GULDEN (f 50.000,--) ten behoeve van de vereniging of haar rechtsverkrijgende(n), waartoe de koper zich bij deze jegens de vereniging verbindt.

(...)"

1.6 Bij brief van 1 september 2002 heeft één van de leden, de heer [lid 1], het bestuur van malversaties beticht en gesteld dat de statutenwijziging van 1995 niet rechtsgeldig is en dat er een hiaat is ontstaan.

1.7 Bij brief van 17 oktober 2002 hebben de bestuursleden [bestuurslid 1] en [eiser sub 1a] de stellingen van [lid 1] weerlegd en hem bericht dat het vermeende hiaat niet bestaat.

1.8 Bij brief van 22 november 2002 heeft mr. B.J. Binnerts van notariskantoor Hak & Rein Vos aan [lid 1] en het bestuur bericht dat de gewijzigde statuten uit 1995 rechtsgeldig zijn.

1.9 Op 23 juni 2003 heeft een ledenvergadering plaatsgevonden, waarbij notarissen mr.

R. Vos en mr. B.J. Binnerts aanwezig waren. Afgesproken werd dat het bestuur een voorstel zou voorbereiden.

1.10 Op verzoek van drie leden is op 29 juli 2003 een ledenvergadering gehouden met als enig agendapunt "achterstallige reserveringen". Tijdens de vergadering is een motie van wantrouwen tegen [bestuurslid 1] en [eiser sub 1a] aangenomen.

1.11 Bij brief van 30 juli 2003 hebben [bestuurslid 1] en [eiser sub 1a] hun bestuurslidmaatschap van de bewonersvereniging neergelegd. Het bestuur bestond toen nog uit [bestuurslid 2] en [bestuurslid 3].

1.12 Bij brief van 20 november 2003 heeft het bestuur van de bewonersvereniging het lidmaatschap opgezegd aan [eisers] per 31 december 2003. Als reden voor de opzegging wordt gegeven dat van de bewonersvereniging redelijkerwijs niet kan worden gevergd het lidmaatschap te laten voortduren. Daar werden in de brief 10 argumenten voor genoemd.

1.13 Bij brief van 30 november 2003 hebben eisers sub 1 bij het bestuur protest aangetekend tegen hun opzegging. Zij voerden aan dat het besluit tot opzegging in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist.

1.14 In de Algemene Ledenvergadering van 4 februari 2004 en de aanvullende Algemene Ledenvergadering van 12 februari 2004 hebben de resterende 9 leden van de bewonersvereniging besloten de statuten geheel te herzien en opnieuw vast te stellen.

Op 16 februari 2004 is een hernieuwde vaststelling van de statuten verleden door notaris mr. M.P. Bongard te Amsterdam. Hierin komt de regeling met betrekking tot het entreegeld niet meer voor.

1.15 Recentelijk is de woning [straatnaam] nr. 4 verkocht en aan de koper geleverd.

De woningen [straatnaam] nrs. 1, 2, 3 en 6 staan thans te koop.

2 Het geschil

2.1 [eisers] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat de bewonersvereniging onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door het lidmaatschap van [eisers] op oneigenlijke gronden op te zeggen en vervolgens een statutenwijziging door te voeren, waarbij de entreegeldregeling is afgeschaft. Volgens [eisers] is deze statutenwijziging 2004 in strijd met de belangen van de vereniging, omdat de entreegelden dienden als vermogen voor de vereniging, nu de vereniging nimmer een reservering voor groot onderhoud heeft gepleegd. [eisers] stellen dat het altijd de bedoeling is geweest dat ook latere verkrijgers van de woningen het entreegeld van

f 15.000,-- moesten betalen. Volgens [eisers] hebben de overgebleven leden met de afschaffing van de entreegeldregeling slechts uit eigen belang gehandeld om een zo hoog mogelijke opbrengst uit de verkoop van hun onroerend goed te kunnen verkrijgen.

[eisers] stellen er recht op en spoedeisend belang bij te hebben dat de statutenwijziging 2004 wordt opgeheven en (her)omgezet conform de statuten van 1995, die volgens [eisers] de thans geldende statuten zijn.

2.2 De bewonersvereniging heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij betwist dat zij onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld. De bewonersvereniging stelt dat zij het lidmaatschap van [eisers] terecht heeft opgezegd, omdat [eisers] zonder gegronde reden de noodzakelijk geachte statutenwijziging hebben tegengehouden.

Het was in het belang van de vereniging - en dus ook van [eisers] - dat de statutenwijziging werd doorgevoerd. Hierdoor konden immers de inmiddels gerealiseerde koopovereenkomsten - waarvan achteraf is gebleken dat die niet geldig zijn geweest - bekrachtigd worden door de vereniging. Deze bekrachtigingen hebben inmiddels plaatsgevonden. Ook heeft de vereniging ervoor gezorgd dat ten behoeve van alle bewoners een erfdienstbaarheid is gevestigd.

De bewonersvereniging betwist voorts dat het ooit de bedoeling is geweest dat ook latere verkrijgers van de woningen f 15.000,-- entreegeld zouden moeten betalen. Volgens de bewonersvereniging is de entreegeldclausule ten onrechte in de statuten van 1995 terechtgekomen. De bewonersvereniging stelt zich voorts op het standpunt dat de statutenwijziging 1995 ongeldig is. Als al een besluit tot statutenwijziging genomen is, is dat nietig, aangezien de statutenwijziging in de oproeping niet zou zijn aangekondigd en de termijn van oproeping niet in acht zou zijn genomen.

Indien de statutenwijziging 2004 niet rechtsgeldig mocht zijn, dient teruggevallen te worden op de oprichtingsstatuten van 1992.

3 De beoordeling van het geschil

3.1 Van het spoedeisend belang van [eisers] bij het gevorderde is in voldoende mate gebleken.

3.2 Tussen partijen is in geschil:

- de geldigheid van de statutenwijziging 1995;

- de geldigheid van de opzegging van het lidmaatschap van [eisers] d.d. 20 november 2003;

- de geldigheid van de statutenwijziging 2004.

3.3 De voorzieningenrechter zal eerst deze geschilpunten bespreken en dan, aan de hand daarvan, nagaan of en in hoeverre de diverse vorderingen van [eisers] toewijsbaar zijn. Hij stelt daarbij voorop dat de bewonersvereniging een vereniging met rechtspersoonlijkheid is in de zin van titel 2 van Boek 2 Burgerlijk Wetboek en geen vereniging van eigenaren in de zin van artikel 5:124 e.v. BW en dat door de entreegeld-regeling, zoals opgenomen onder artikel 8 bij de statutenwijziging van 1995, het kettingbeding en het boetebeding, zoals opgenomen in de aktes van levering, het lidmaatschap ook contractuele en vermogensrechtelijke rechten en verplichtingen voor de leden inhoudt.

Het besluit tot statutenwijziging in 1995

3.4 De bewonersvereniging heeft betoogd dat er geen besluit tot statutenwijziging genomen is. Als er al een dergelijk besluit genomen is, is het nietig omdat de wettelijke bepalingen betreffende de wijziging van statuten zouden zijn geschonden.

Uit de notulen (zowel de oorspronkelijke versie als de gewijzigde versie) van de ledenvergadering blijkt dat de statutenwijziging op de vergadering van 22 mei 1995 aan de orde is geweest. Uit de gewijzigde versie van de notulen volgt ook dat de vergadering een besluit genomen heeft om de statuten te wijzigen. Blijkens de notulen van de ledenvergadering van 3 juli 1995 zijn de gewijzigde notulen van de vergadering van 22 mei 1995 goedgekeurd. In de notulen van de vergadering van 3 juli 1995 wordt tevens melding gemaakt van het verzenden van de herziene statuten naar met name genoemde derden. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen partijen over en weer naar voren hebben gebracht over de ledenvergaderingen in 1995 geen aanleiding om in het bestek van een kort gedingprocedure, waarin geen ruimte is voor bewijslevering, ervan uit te gaan dat de, destijds goedgekeurde notulen, een onjuiste weergave zouden bevatten van hetgeen op de ledenvergaderingen verhandeld en besloten is. Uit de notulen volgt, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, dat de algemene vergadering op 22 mei 1995 wel heeft besloten tot wijziging van de statuten.

3.5 De bewonersvereniging heeft betoogd dat als een besluit tot statutenwijziging genomen is dat besluit nietig is, omdat geen oproeping is gedaan met de mededeling dat een wijziging van de statuten is voorgesteld en omdat geen afschrift van het voorstel tot statutenwijziging waarin de wijziging woordelijk staat opgenomen vijf dagen vóór de vergadering ter inzage is gelegd. Aldus zouden respectievelijk de voorschriften van artikel 2: 42 lid 1 en van artikel 2: 42 lid 2 BW geschonden zijn.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter betekent het feit dat de genoemde voorschriften geschonden zijn -daargelaten dat [eisers] dat hebben betwist- anders dan de bewonersvereniging stelt niet dat het besluit nietig is, maar dat het vernietigbaar was. De voorschriften van artikel 2: 42 lid 1 en 2 BW zijn voorschriften in de zin van artikel 2: 15 lid 1 sub a BW. Het betreft wettelijke voorschriften die de totstandkoming van besluiten regelen in de zin van die bepaling. Het feit dat het de totstandkoming van een bijzonder besluit -dat van de wijziging van statuten- betreft, leidt niet tot een ander oordeel. Dat artikel 2: 42 lid 3 BW een speciale regeling kent voor herstel van schending van de voorschriften van artikel 2: 42 lid 1 en 2 BW leidt evenmin tot een ander oordeel. Op grond van artikel 2: 42 lid 3 BW wordt weliswaar door een besluit met algemene stemmen van alle leden een eventueel gebrek in de oproeping geheeld, maar dat betekent niet dat wanneer een dergelijk besluit niet is genomen het besluit vanwege dat oproepingsgebrek, in afwijking van het bepaalde in artikel 2: 15 lid 1 sub a BW, nietig in plaats van vernietigbaar zou zijn. De stelling van de bewonersvereniging dat een dergelijk besluit wel nietig zou zijn, vindt overigens, anders dan door de raadslieden van de bewonersvereniging bij gelegenheid van het pleidooi is betoogd, nauwelijks steun in de literatuur. De voorzieningenrechter verwijst naar Asser-Maeijer nr. 351, Van den Ingh in: Nieuw vennootschaps- en rechtspersonenrecht blz. 86, Losbladige Rechtspersonen (Stille), aantekening 1 op artikel 2: 42 en naar de dissertatie van Dumoulin, nr. 337.

Indien de feitelijke stellingen van de bewonersvereniging over de totstandkoming van het besluit juist zijn, was het besluit vernietigbaar. Ingevolge artikel 2: 15 lid 5 BW geldt een vervaltermijn van één jaar om de vernietiging van een vernietigbaar besluit te vorderen. Die termijn is reeds lang verstreken. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het besluit tot wijziging van de statuten uit 1995 dan ook onaantastbaar.

3.6 Hetgeen hiervoor is overwogen betekent niet zonder meer dat de bewonersvereniging ook aanspraak heeft op entreegelden van nieuwe leden. Ter gelegenheid van de behandeling van het kort geding is gebleken dat onduidelijkheid bestond over de vraag of de bepaling betreffende de entreegelden ook betrekking had op nieuwe leden. De bewonersvereniging heeft gemotiveerd gesteld dat dat niet het geval was. Het antwoord op de vraag naar de reikwijdte van deze bepaling kan pas gegeven worden na uitvoeriger onderzoek van de feiten, mogelijk na getuigenverhoren. In het kader van deze procedure kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat de stellingen van de bewonersvereniging op dit punt onjuist zouden zijn.

Het besluit tot opzegging van het lidmaatschap

3.7 In de brief aan [eisers] waarin het lidmaatschap wordt opgezegd worden 10 redenen genoemd. Bij de behandeling van het kort geding is gebleken dat die 10 redenen kunnen worden teruggevoerd tot één reden, te weten de wens van het bestuur van de bewonersvereniging en de meerderheid van de leden om de statutenwijziging uit 1995 ongedaan te maken en om te komen tot nieuwe statuten, waarin geen bepaling over het entreegeld zou zijn opgenomen. Door het lidmaatschap van [eisers] op te zeggen, zouden [eisers] de gewenste statutenwijziging kunnen doorvoeren. Op grond van de statuten van 1995 zouden 12 leden (4/5 deel) met de statutenwijziging moeten instemmen. Wanneer de statuten van 1995 ongeldig zouden zijn en die van 1992 nog van toepassing waren, zouden 10 leden met de wijziging moeten instemmen. Van de 15 leden van de vereniging waren er echter slechts 9 voor een wijziging.

[eisers] hebben aangekondigd dat zij in bodemprocedure het besluit tot opzegging zullen aanvechten. Thans ligt de vraag voor of de bodemrechter dit besluit zal vernietigen, omdat het bestuur gezien de omstandigheden van het geval en alle belangen afwegende naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid het besluit niet had mogen nemen. De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande als volgt.

3.8 Vooropgesteld moet worden dat het bestuur van een vereniging het opzeggen van een lid als ultimum remedium dient te beschouwen. Dat geldt temeer wanneer aan het lidmaatschap vermogenrechten en contractuele belangen verbonden zijn, zoals hier het geval is, nu sprake is van rechten en verplichtingen tussen de vereniging als eigenaar van de "gemeenschappelijke terreinen" en de (voormalige) leden van de vereniging

Het opzeggen van het lidmaatschap treft de betrokken leden dan ook in een vermogensrechtelijk belang.

De vereniging heeft, zoals hiervoor is overwogen, [eisers] opgezegd om aldus te bewerkstelligen dat zij de statuten in de door de meerderheid van de leden gewenste zin zou kunnen aanpassen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bestuur van de vereniging door [eisers] met dit doel op te zeggen haar bevoegdheid tot opzegging gebruikt voor een doel waarvoor die bevoegdheid niet gegeven is. Een bestuur dat statuten wil wijzigen en daarin niet (onmiddellijk) slaagt, omdat de (statutair en wettelijk) vereiste gekwalificeerde meerderheid niet kan worden behaald, kan proberen om de "dwarsliggende" leden te overreden alsnog met een wijziging in te stemmen of om door middel van een gewijzigd voorstel de vereiste meerderheid te behalen. Eventueel kan ze adviseurs inschakelen of zelfs in een gerechtelijke procedure (op grond van artikel 2: 8 BW) proberen te bewerkstelligen dat de leden hun verzet staken en hun medewerking verlenen aan de beoogde wijziging. Het gaat echter in beginsel niet aan dat een bestuur van een vereniging leden die gebruik maken van de hun toekomende bevoegdheid om niet in te stemmen met wijziging van de statuten om die reden door middel van opzegging van het lidmaatschap uit de vereniging verwijdert en aldus monddood maakt. Zou dat anders zijn, dan zouden de wettelijke en statutaire bepalingen over de wijziging van statuten, die waarborgen dat statuten alleen gewijzigd kunnen worden wanneer een ruime meerderheid van de leden daarmee kan instemmen, op betrekkelijk eenvoudige wijze door een bestuur, dat wordt gesteund door een gewone meerderheid van de leden, omzeild kunnen worden.

Hetgeen hiervoor is overwogen zou wellicht anders zijn wanneer de dissidente leden op geen enkele wijze bereid zouden zijn tot overleg of onredelijke eisen zouden stellen aan een eventuele bereidheid mee te werken aan een statutenwijziging. In dit kort geding is niet aannemelijk geworden dat die situatie zich heeft voorgedaan. [eisers] hebben immers diverse malen, met name bij monde van [bestuurslid 1] en [eiser sub 1a], geprobeerd om uit de impasse rondom het entreegeld te komen door voorstellen te doen, waarbij een oplossing zowel voor het verleden als voor de toekomst werd beoogd. Zulks blijkt eens te meer uit de brief van [bestuurslid 1] en [eiser sub 1a] van 2 april 2003, waarop niet is gereageerd door het dagelijks bestuur. Ook in de vergadering van 23 juni 2003, waarbij mr. Binnerts van notariskantoor Hak & Rein Vos in het kader van een bemiddelingspoging aanwezig was, hebben [eisers] een voorstel ingebracht en is afgesproken om op dat constructieve voorstel in te gaan en het voorstel nader uit te werken. Het dagelijks bestuur heeft op verzoek van drie leden een extra ledenvergadering uitgeschreven op 29 juli 2003 - tijdens vakantie van [bestuurslid 1] en [eiser sub 1a] -, waarbij een motie van wantrouwen tegen [bestuurslid 1] en [eiser sub 1a] is aangenomen.

Dit was aanleiding voor Bakker en Moorman om als bestuurslid af te treden.

3.9 Door [eisers] op te zeggen met als enige doel een door [eisers] niet gewenste statutenwijziging door te voeren, terwijl gezien de gegeven omstandigheden een opzegging slechts als ultimum remedium gebruikt zou mogen worden, heeft het bestuur onbehoorlijk gehandeld. Zulks klemt temeer nu in ieder geval één van de bestuursleden zelf persoonlijk belang had bij een wijziging van de statuten doordat haar woning te koop stond. Onder deze omstandigheden is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het besluit tot opzegging genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2: 8 BW worden geëist. De voorzieningenrechter acht de kans dan ook groot dat de bodemrechter -later oordelende- het besluit tot opzegging van het lidmaatschap van [eisers] zal vernietigen.

Het besluit tot de statutenwijziging van 2004

3.10 Het voorlopig oordeel dat de opzegging vernietigbaar is, leidt er tevens toe dat aannemelijk is dat de statutenwijziging van 2004 niet rechtsgeldig is geweest. Indien de opzegging wordt vernietigd, worden [eisers] geacht lid te zijn gebleven. Op de ledenvergadering van 4 februari 2004, waarin tot statutenwijziging is besloten, waren [eisers] niet aanwezig. Het krachtens artikel 17 van de statuten uit 1995 geldende quorum van 4/5 is toen niet gehaald, zodat geen rechtsgeldig besluit tot statutenwijziging kon worden genomen.

Bespreking van de vorderingen

3.11 De voorzieningenrechter zal nu, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, de diverse vorderingen bespreken.

De vordering onder I is niet toewijsbaar. De vordering was ingesteld voor het geval de bewonersvereniging nog geen besluit tot statutenwijziging zou hebben genomen. Dat besluit is echter al wel genomen, zodat [eisers] geen belang meer hebben bij deze vordering.

Ook de vordering onder II is niet toewijsbaar, omdat niet valt in te zien welk belang [eisers] bij deze vordering zouden hebben. Indien het besluit tot statutenwijziging nietig is, kan het niet ongedaan gemaakt worden - het wordt rechtens geacht niet te bestaan. Voor het geval [eisers] met deze vordering beogen dat voor recht wordt verklaard dat het besluit nietig is, miskennen zij het karakter van de kort gedingprocedure. Voor het geval [eisers] met deze vordering hebben willen bereiken dat de bewonersvereniging niet overeenkomstig de statuten van 2004 handelt en de inschrijving van de statuten in het verenigingsregister doorhaalt -zij hebben dat bij gelegenheid van het kort geding niet met zoveel woorden gesteld- hadden zij hun vordering anders moeten inkleden.

3.12 De vordering onder III strekt tot het innen van entreegelden van de recentelijk verkochte woningen of tot het tenuitvoerleggen van de boeteclausules uit de akte van levering.

De vordering is niet toewijsbaar. Niet alleen bestaat onduidelijkheid over de reikwijdte van de bepaling betreffende de entreegelden, zoals in rechtsoverweging 3.7 is overwogen, ook kan er niet op voorhand worden uitgesloten dat het bestuur de bevoegdheid zou hebben om in voorkomende gevallen geen aanspraak te maken op een entreevergoeding van een nieuw lid. Dat laatste geldt zeker in een situatie waarin het nieuwe lid er geen rekening mee hoefde te houden dat een entreevergoeding gold. Dat die situatie zich voordoet is niet denkbeeldig nu de entreevergoeding in de statuten van 1995 wel, maar in die van 2004 niet genoemd wordt en van een nieuw lid niet verwacht mag worden dat hij van de nietigheid van laatstgenoemde statuten op de hoogte is. In dit kader is van belang dat de raadsman van [eisers] ter zitting heeft erkend dat het innen van een entreevergoeding van nieuwe leden die niet op de hoogte zijn van het bestaan van de entreevergoeding op de nodige (juridische) problemen zou stuiten. Onder die omstandigheden is een veroordeling, op straffe van een dwangsom, van de vereniging tot het innen van entreevergoedingen niet opportuun.

Met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de boeteclausule jegens de verkopers geldt het volgende. Deze clausule is opgenomen in de leveringsakten, waarbij de grond door de vereniging aan de leden werd verkocht. De boeteclausule geldt voor het geval de leden bij verkoop van de grond hun opvolgers niet verplichten lid te worden van de vereniging. Gesteld noch gebleken is dat de leden die hun woning verkocht hebben of voornemens zijn hun woning te verkopen, deze verplichting niet zullen nakomen of niet zijn nagekomen, zodat [eisers] alleen om die reden al geen belang hebben bij deze vordering.

3.13 De vordering onder IV is toewijsbaar. Zoals hiervoor is overwogen is het besluit tot opzegging van het lidmaatschap van [eisers] naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter vernietigbaar. In dit kort geding kan er dan ook van worden uitgegaan dat een bodemrechter het besluit zal vernietigen en dat [eisers] lid zijn gebleven van de vereniging. Om die reden kunnen zij aanspraak maken op alle rechten voortvloeiend uit hun lidmaatschap. De vordering van [eisers] betreft enkele van die rechten en is toewijsbaar.

1.14 Ook de onder V gevorderde dwangsom is toewijsbaar, met dien verstande dat deze zal worden toegewezen per overtreding in plaats van per dag. De dwangsommen zullen worden gemaximeerd op EURO 10.000,--.

Proceskosten

1.15 De bewonersvereniging zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen worden.

BESLISSING

De voorzieningenrechter,

I. gebiedt de bewonersvereniging [eisers] toe te laten tot de ledenvergaderingen en hen te berichten op welke data deze zullen plaatsvinden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van EURO 500,-- per overtreding vanaf twee dagen na betekening van dit vonnis met een maximum van EURO 10.000,--;

II. veroordeelt de bewonersvereniging in de kosten van dit geding. Deze kosten worden, voorzover tot op heden aan de zijde van [eisers] gevallen, bepaald op EURO 703,-- voor salaris van de procureur en op EURO 324,78 voor verschotten;

III. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

IV. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Hek, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.