Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2004:AO9062

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
28-04-2004
Datum publicatie
10-05-2004
Zaaknummer
224664 CV 04-1463
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak; procesrecht; verwijzingsperikelen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 324
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K Z W O L L E

sector kanton – locatie Lelystad

zaaknr.: 224664 CV 04-1463

datum : 28 april 2004

Vonnis in de zaak van:

[X],

wonende te [plaats],

eisende partij in het verzet,

gemachtigde mr. H.B.Chr. Stratman, advocaat te Lelystad,

tegen

de besloten vennootschap

[Y]

gevestigd te [plaats], kantoorhoudende te [plaats],

gedaagde partij in het verzet,

gemachtigden G.N.F. Jepma en A.J. Roskam, gerechtsdeurwaarders te Almere.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- het verstekvonnis van de kantonrechter van 23 oktober 2002

- het exploot van betekening van voormeld verstekvonnis, uitgebracht op 10 december 2002

- de dagvaarding in het verzet, uitgebracht op 2 januari 2003

- het vonnis van de enkelvoudige handelskamer van deze rechtbank van 19 februari 2003

- het exploot van betekening van voormeld vonnis van de handelskamer, met aanzegging van de daarin bepaalde roldatum voor voortprocederen, uitgebracht op 27 februari 2003

- de dagvaarding in het verzet, uitgebracht op 16 januari 2004

- de incidentele conclusie van [Y]

- de conclusie van antwoord in het incident van [X].

Het geschil

In het incident

[X] is (opnieuw) in verzet gekomen tegen een op 23 oktober 2002 op vordering van [Y] door de kantonrechter tegen haar gewezen verstekvonnis.

[Y] heeft geconcludeerd tot de niet-ontvankelijkheid van [X].

De beoordeling

In het incident

1.

Bij de beoordeling van de door [Y] opgeworpen exceptie kan op grond van hetgeen enerzijds is gesteld en anderzijds is erkend dan wel onweersproken is gebleven, alsmede op grond van de onbetwiste inhoud van de overgelegde bescheiden, van het volgende worden uitgegaan.

Op 23 oktober 2002 heeft de kantonrechter op vordering van [Y] tegen [X] een verstekvonnis gewezen. Dit vonnis is op 10 december 2002 –niet in persoon- aan [X] betekend. [X] is daartegen in verzet gekomen bij dagvaarding van 2 januari 2003, met buiten effectstelling van een eerder op 23 december 2002 uitgebrachte verzetdagvaarding. Bij vonnis van 19 februari 2003 heeft (de enkelvoudige handelskamer van) de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van de vordering kennis te nemen en is de zaak verwezen naar de rol van de sector kanton van woensdag 12 maart 2003. Daarbij is bevolen dat deze nieuwe roldatum bij exploot aan [Y] moest worden aangezegd. Aldus is geschied en wel bij exploot van 27 februari 2003. De zaak is evenwel niet op de rol van de sector kanton ingeschreven; bij navraag is gebleken dat (de enkelvoudige handelskamer van) de rechtbank het vonnis niet naar de sector kanton heeft gezonden.

2.

[X] heeft gesteld dat het afschrift van het aan [Y] betekende exploot haar (gemachtigde) nimmer heeft bereikt; zij, althans haar gemachtigde, is daar eerst onlangs achter gekomen. [X] wenst thans alsnog in verzet te komen tegen het meergenoemde verstekvonnis.

3.

[Y] meent dat [X] niet meer in haar verzet kan worden ontvangen. [X] heeft verzuimd het oproepingsexploot aan te brengen en heeft dit verzuim niet hersteld binnen de in artikel 125 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) bepaalde termijn van twee weken, aldus [Y]. Hiermee heeft [X] volgens [Y] haar verzetmogelijkheid verbruikt, althans impliciet te kennen gegeven haar verzet te staken. [Y] meent dat op de verwijzing ingevolge het vierde lid van artikel 71 Rv. het bepaalde in het eerste lid van artikel 74 Rv. van toepassing is en daarmee ook het bepaalde in artikel 125 Rv.

[X] moet, zo heeft [Y] tenslotte aangevoerd, ook overigens in haar verzet niet-ontvankelijk worden verklaard, nu uit de gedingstukken blijkt dat de verzetdagvaarding, vanwege een daad van bekendheid, reeds op 23 december 2002 is gaan lopen en de verzettermijn dus al bijna een jaar is verstreken.

4.

Anders dan [Y] is de kantonrechter van oordeel dat op de onderhavige verwijzingskwestie niet het bepaalde in artikel 74 Rv. van toepassing is. Artikel 71 Rv. bevat de regels voor de interne verwijzing van een zaak en het vierde lid van dit artikel geeft specifiek een regel voor de gang van zaken na interne verwijzing, terwijl artikel 74 Rv. ziet op de niet- interne verwijzing, als bedoeld in artikel 73 Rv. Ingevolge het bepaalde in artikel 71 lid 4 Rv. bepaalt de verwijzende rechter een roldatum, terwijl na de verwijzing die bedoeld is in artikel 73 ieder der partijen het recht heeft de andere partij op te roepen tegen de dag waarop zij de zaak ter rolle wil doen dienen. Volgens de toelichting op artikel 71 lid 4 Rv. zal de verwijzende rechter intern zorgdragen voor inschrijving op de rol van de desbetreffende kamer.

Hieruit volgt dat op [X] niet de verplichting rustte om de zaak op de rol van de sector kanton in te schrijven en artikel 125 Rv. in het onderhavige geval toepassing mist.

5.

Weliswaar heeft de verwijzende rechter –overigens niet in het dictum van het vonnis- bevolen dat [X] de bepaalde roldatum aan [Y] moest aanzeggen, maar dit bevel had ook achterwege kunnen blijven, omdat de wet zulks slechts voorschrijft in geval van verstek; uit het verwijzingsvonnis blijkt echter dat [Y] in de verzetzaak is verschenen.

6.

De kantonrechter acht voorts nog van belang dat het verwijzingsvonnis expliciet bepaalt dat de kantonrechter na verwijzing dient te beslissen omtrent het al dan niet gelasten van een comparitie na antwoord. [Y] heeft dus kunnen begrijpen dat er een bericht van de sector kanton en niet van [X] had moeten uitgaan. Als al geoordeeld zou kunnen worden –daaromtrent is evenwel niets aangevoerd- dat [Y] in haar processuele belangen is geschaad, doordat de voortgang van de procedure is gestagneerd, dan treft daarvan niet alleen [X] een verwijt; ook [Y] had actie kunnen ondernemen toen bericht omtrent het verdere procesverloop uitbleef.

7.

Voorzover [Y] heeft willen betogen dat sprake is van rechtsverwerking is in het voorgaande reeds begrepen dat een beroep op rechtsverwerking niet kan slagen.

8.

Met hetgeen [Y] nog heeft aangevoerd omtrent het verstrijken van de verzettermijn ziet zij eraan voorbij dat [X] met de namens haar uitgebrachte dagvaarding van 2 januari 2003 tijdig in verzet is gekomen. Dat vervolgens de procedure bijna een jaar gestagneerd is geweest kan daaraan niet afdoen.

9.

De slotsom moet zijn dat het beroep van [Y] op de niet-ontvankelijkheid van [X] moet worden verworpen. Hieruit volgt dat de kantonrechter in de hoofdzaak zal moeten beslissen omtrent het verdere verloop van de procedure.

In de hoofdzaak

10.

De kantonrechter zal de zaak verwijzen naar de rolzitting voor conclusie van antwoord in het verzet van de zijde van [Y].

11.

Bij de gedingstukken bevindt zich niet de door [Y] tegen [X] uitgebrachte dagvaarding waarop het verstekvonnis van de kantonrechter is gewezen. [X], die moet worden aangemerkt als de meest gerede partij, zal alsnog (een kopie van) deze dagvaarding dienen over te leggen.

De beslissing

De kantonrechter:

In het incident

- verwerpt het beroep van [Y] op de niet-ontvankelijkheid van [X];

In de hoofdzaak

- verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 26 mei 2004 voor het nemen van een conclusie van antwoord in het verzet door [Y];

- bepaalt dat [X] op de hiervoor vermelde rolzitting dient over te leggen (een kopie van) de door [Y] tegen haar uitgebrachte dagvaarding waarop het verstekvonnis van de kantonrechter is gewezen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. C.M.M. Hoogland-Kelkboom, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 28 april 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.