Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2004:AO9014

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
31-03-2004
Datum publicatie
07-05-2004
Zaaknummer
82456 / HA ZA 03-33
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Kantonrechter oordeelt dat vennootschap schadeplichtig is jegens agent (thans eiser) aangezien zij niet de duur van de agentuurovereenkomst heeft geëerbiedigd. Eiser stelt in deze procedure de bestuurder van deze vennootschap aansprakelijk. In het onderhavige geval zijn twee criteria voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid relevant: 1. de omstandigheid dat de bestuurder verplichtingen namens de vennootschap is aangegaan terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en 2. de omstandigheid dat aan de bestuurder kan worden verweten dat hij heeft bewerkstelligd of heeft toegelaten dat de vennootschap een eerder door haar aangegane overeenkomst niet nakomt en daardoor aan de wederpartij schade berokkent. In het onderhavige geval is aan het eerste noch het tweede criterium voldaan zodat de vorderingen worden afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2004/191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector civiel

Enkelvoudige handelskamer

Zaaknr/rolnr: 82456 / HA ZA 03-33

Uitspraak: 31 maart 2004

V O N N I S

in de zaak, aanhangig tussen:

[eiser],

zaakdoende te [plaats],

eiser,

procureur mr. J.A. van Wijmen,

advocaat mr. A.S. van Gaalen te Schiphol-Rijk (gemeente Haarlemmermeer),

en

[gedaagde],

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

procureur H.K. Scholtens,

PROCESGANG

De zaak is bij op 12 december 2002 uitgebrachte dagvaarding aanhangig gemaakt. Partijen zijn verschenen, waarna de volgende processtukken zijn gewisseld:

- een akte herstel dagvaarding van de zijde van [eiser];

- een conclusie van antwoord van de zijde van [gedaagde];

- een conclusie van repliek van de zijde van [eiser];

- een conclusie van dupliek van de zijde van [gedaagde].

Ten slotte is op verzoek van partijen op het griffiedossier vonnis bepaald.

CONCLUSIES VAN PARTIJEN

De vordering van [eiser] strekt ertoe om:

I. te verklaren voor recht dat [gedaagde] in zijn functie van bestuurder van Derek's B.V. onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld;

II. [gedaagde] bij vonnis te veroordelen om [eiser] tegen kwijting te betalen een bedrag van EURO 36.091,24 te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente vanaf 21 november 2002 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding alsmede in de kosten van de beslagen en met verklaring dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal zijn.

Daartegen is door [gedaagde] verweer gevoerd met conclusie [eiser] in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem deze te ontzeggen als zijnde ongegrond en onbewezen, zulks met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, te begroten op de gebruikelijke wijze.

MOTIVERING

1. Vaststaande feiten

1.1 [gedaagde] is sinds 18 december 1996 bestuurder van Derek's B.V. en was voorheen bestuurder van Mc.Coy Holding B.V., die op haar beurt weer bestuurder was van Derek's.

Derek's verhandelt via tussenagenten motorartikelen, waaronder weerbestendige en isolerende kleding, import/groothandel in valhelmen en aanverwante artikelen.

1.2 [eiser] is sinds 1993 werkzaam als agent in dezelfde bedrijfstak als waarin Derek's actief is.

1.3 [eiser] heeft in of omtrent juni 1996 gesprekken gevoerd met Derek's over het afsluiten van een overeenkomst met betrekking tot een agentschap voor [eiser] ten aanzien van helmen in het zuidelijke rayon van Nederland.

Kort na deze besprekingen is [eiser] voor Derek's werkzaamheden gaan verrichten.

1.4 Op 31 december 1996 heeft opnieuw een bespreking plaatsgevonden tussen [eiser] en Derek's waarbij ook de financiële problemen van Derek's aan de orde zijn gesteld.

1.5 Bij schrijven van 17 januari 1997 heeft [gedaagde] aan [eiser] medegedeeld dat werd afgezien van zijn diensten.

1.6 Bij (tussen)vonnis van 25 februari 1998 heeft de kantonrechter te Zwolle geconcludeerd dat de samenwerking tussen [eiser] en Derek's vanaf half juni 1996 als een agentuurovereenkomst voor bepaalde tijd moet worden aangemerkt en dat Derek's niet de duur van de overeenkomst heeft geëerbiedigd zodat zij schadeplichtig is jegens [eiser]. De kantonrechter heeft Derek's bij vonnis van 26 augustus 1998 veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van (f. 44.833,73 ofwel) EURO 20.344,66 exclusief BTW vermeerderd met de wettelijke rente alsmede in de kosten van het geding. In dit eindvonnis heeft de kantonrechter onder meer het volgende overwogen met betrekking tot de gedragingen van Derek's:

"Het is een algemeen bekend feit dat financiële problemen, die tot gevolg hebben dat al het personeel ontslagen moet worden en een groot deel van de voorraad verkocht moet worden, niet van de ene op de andere dag optreden. Nu de financiële problemen zich openbaarden zeer kort nadat de agentuurovereenkomst is tot stand gekomen en gedaagde eiser niet heeft ingelicht, is haar te verwijten dat zij zich niet als een goed principaal gedragen heeft."

Bij vonnis van 29 september 1999 heeft de rechtbank te Zwolle de vonnissen van de kantonrechter van 25 februari 1998 en 26 augustus 1998 bekrachtigd.

1.7 Derek's heeft tot nu toe nagelaten aan de hiervoor vermelde veroordeling tot betaling te voldoen.

2. Standpunten van partijen

2.1 [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd de stelling dat [gedaagde], in zijn positie van bestuurder van Derek's en Mc.Coy Holding, hoofdelijk aansprakelijk is voor betaling van het bedrag waartoe Derek's door de kantonrechter is veroordeeld. Het kan [gedaagde] volgens [eiser] volledig worden toegerekend dat Derek's niet heeft voldaan aan het vonnis van de kantonrechter. [eiser] stelt dat [gedaagde] tijdens de besprekingen met [eiser] in of rondom juni 1996 aan [eiser] heeft voorgehouden dat de door hem te behalen provisie minimaal EURO 31.764,62 zou kunnen bedragen. [gedaagde] heeft vervolgens ook de financiële gegevens verstrekt waaruit Wieberink moest opmaken dat de genoemde prognose reëel was. Volgens [eiser] was [gedaagde] echter op de hoogte of had hij op de hoogte moeten zijn van het feit dat de onderneming zich in een penibele financiële situatie bevond, waardoor het zeer onwaarschijnlijk was dat [eiser] de te verwachten omzet zou kunnen behalen. De kredietopzegging door de bank in het najaar van 1996 was naar de mening van [eiser] voor [gedaagde] voorzienbaar aangezien [gedaagde] niet tijdig financiële gegevens heeft verstrekt aan de bank en de verkoopresultaten in twee achtereenvolgende jaren slecht waren. Het had volgens [eiser] op de weg van [gedaagde] gelegen om in juni 1996 over de slechte financiële positie van Derek's open kaart te spelen jegens [eiser]. [eiser] stelt dat [gedaagde] bewust onjuiste gegevens heeft verstrekt op basis waarvan [eiser] een onjuiste voorstelling van zaken had bij het sluiten van de overeenkomst met Derek's. Bij het aangaan van de overeenkomst wist [gedaagde], althans behoorde [gedaagde] redelijkerwijs te begrijpen, dat Derek's niet in staat zou zijn om de overeenkomst na te komen en geen verhaal zou bieden voor de tengevolge van de wanprestatie te lijden schade. Nu [gedaagde] zich intensief met de bedrijfsvoering bezighoudt en in feite de volledige zeggenschap heeft over de onderneming, kan niet anders worden geoordeeld dan dat [gedaagde] op persoonlijk toerekenbare wijze onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser], aldus [eiser].

2.2 [gedaagde] heeft de stellingen van [eiser] gemotiveerd betwist. [gedaagde] stelt voorop dat Derek's vanaf de aanvang van de samenwerking met [eiser] tot februari 1997 volledig heeft voldaan aan haar verplichtingen aan [eiser] waar het betrof het uitbetalen van provisies. [gedaagde] stelt voorts dat niet juist is de stelling dat hij in juni 1996 bewust misleidende gegevens zou hebben verstrekt aan [eiser]. Hij heeft inzicht gegeven in de ontwikkelingen in rayon zuid in de periode 1995, begin 1996 maar hij heeft geen provisie van minimaal EURO 31.746,12 gegarandeerd. Volgens [gedaagde] is hij zelf pas eind oktober 1996 geconfronteerd met aanschrijvingen van de bank. Hij stelt dat, mede gelet op het feit dat de onderneming in 1995 winst heeft gemaakt, de perspectieven in het voorjaar van 1996 zonder meer goed waren. Op het moment van het aangaan van de overeenkomst met [eiser] in juni 1996 was er geen sprake van een situatie waarin aan het aangaan van de agentuurovereenkomst dusdanige risico's kleefden dat een redelijk handelend bestuurder dit risico niet zou hebben gelopen, aldus [gedaagde]. Hij concludeert dat er dan ook geen sprake is van zodanig verwijtbaar handelen dat dit persoonlijke aansprakelijkheid voor de verplichtingen van Derek's met zich zou brengen zodat de vordering van [eiser] dient te worden afgewezen.

3. Beoordeling van het geschil

3.1 Kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of [gedaagde] als bestuurder van (Mc. Coy en) Derek's persoonlijk aansprakelijk is terzake van de niet-nakoming door Derek's van de uit de (beëindiging van de) agentuurovereenkomst met [eiser] voortvloeiende verplichting tot betaling van schadeloosstelling en schadevergoeding aan [eiser].

3.2 Bij de beoordeling van het geschil staat het volgende voorop. Indien aan een bestuurder van een vennootschap wordt verweten dat hij in naam van die vennootschap verplichtingen is aangegaan terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de als gevolg van die niet-nakoming door de wederpartij te lijden schade, zal in het algemeen -behoudens door de bestuurder aan te voeren, zijn handelwijze rechtvaardigende of verontschuldigende omstandigheden- moeten worden aangenomen dat de bestuurder een zodanig verwijt treft dat hij persoonlijk jegens de wederpartij van de vennootschap aansprakelijk is op grond van onrechtmatig handelen. Volgens vaste jurisprudentie dient deze vorm van bestuurdersaansprakelijkheid te worden onderscheiden van die waarin de bestuurder wordt verweten te hebben bewerkstelligd of toegelaten dat de door hem bestuurde vennootschap een eerder door haar aangegane overeenkomst niet nakomt en daardoor aan de wederpartij van de vennootschap schade berokkent. In het laatste geval zal het van de concrete omstandigheden van het geval afhangen of het aan de bestuurder te maken verwijt voldoende ernstig is om hem persoonlijk aansprakelijk te houden.

3.3 In het onderhavige geval wordt [gedaagde] door [eiser] in de eerste plaats verweten dat hij in naam van de vennootschap verplichtingen is aangegaan in die zin dat hij een agentuurovereenkomst met [eiser] heeft gesloten, terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat Derek's niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. De door [eiser] aan zijn vordering ten grondslag gelegde feiten, rechtvaardigen deze conclusie echter niet.

Zo staat weliswaar als niet weersproken vast dat [gedaagde] zich zeer intensief met de bedrijfsvoering van Derek's bezig heeft gehouden en dat hij in elk geval in juni 1996 ook volledige zeggenschap over de venootschap had maar dat gegeven op zich brengt, anders dan [eiser] veronderstelt, nog niet mee dat hij destijds ook heeft geweten of heeft moeten weten dat Derek's niet aan haar verplichtingen uit de overeenkomst met [eiser] zou kunnen voldoen. Intensieve bemoeienis met de bedrijfsvoering is wel een voorwaarde voor het ontstaan van die wetenschap maar creëert op zichzelf nog geen wetenschap op het bedoelde punt van voorzienbaarheid.

3.4 Die wetenschap of voorzienbaarheid kan ook niet worden afgeleid uit de in r.o. 1.6 geciteerde overweging van de kantonrechter. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de financiële problemen zich zeer kort na het sluiten van de overeenkomst met [eiser] hebben voorgedaan. Dit gevoegd bij de algemene ervaringsregel dat de financiële problemen van een omvang als bij Derek's zich niet van de ene op de andere dag voordoen, kwam de kantonrechter tot de conclusie dat Derek's niet als een goed principaal had gehandeld. Aldus oordelende heeft de kantonrechter niet vastgesteld dat [gedaagde] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst zelf wist dan wel behoorde te weten dat de genoemde financiële problemen dusdanig waren dat zij een belemmering vormden voor nakoming van die overeenkomst en dat de vennootschap ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg van de niet-nakoming te lijden schade. Dit behoorde ook niet tot het aan de de kantonrechter voorgelegde geschilpunt. Dat ging immers alleen om het al dan niet bestaan van een agentuurovereenkomst tussen [eiser] en Derek's en de daaruit voortvloeiende verplichtingen van de principaal, Derek's.

3.5 Er bestaat veeleer aanleiding om met [gedaagde] aan te nemen dat de perspectieven in het voorjaar van 1996 niet zo slecht waren. Met [gedaagde] kan worden geconstateerd dat Derek's over het jaar 1995 winst had gemaakt. [eiser] heeft dit ook als zodanig erkend. Uit het door hem aangehaalde schrijven van accountantskantoor Grippen van 4 december 1996 blijkt dan weliswaar van een heel gering winstpercentage maar het feit dat er winst is gemaakt, is op zich reeds voldoende om te kunnen constateren dat de situatie niet dermate zorgwekkend was -laat staan dat er, zoals [eiser] stelt, sprake was van een bekendheid met een reeds langer bestaande slechte financiële positie- dat [gedaagde] geen overeenkomst met [eiser] had mogen sluiten.

3.6 Anders dan door [eiser] is gesteld, kan ook niet worden geconcludeerd dat de kredietopzegging door de bank eind 1996 voor [gedaagde] voorzienbaar was.

Voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van [gedaagde] in persoon is slechts van belang of die wetenschap er in juni 1996 -derhalve ten tijde van het aangaan van de overeenkomst met Wieberink- bestond. Dat is niet het geval. Uit de in deze procedure overgelegde stukken kan worden afgeleid dat de eerste aanschrijving van de bank aan Derek's waarin melding wordt gemaakt van de bestaande financiële problemen en waarin wordt aangedrongen op maatregelen, is gedateerd op 7 november 1996.

Klaarblijkelijk was er voordien, althans in elk geval in juni 1996, bij de bank (nog) geen reden tot zorg. Dit strookt ook met de (door [eiser] niet voldoende weersproken) stelling van [gedaagde] dat aan Derek's door de bank een zogenaamd seizoenskrediet was verstrekt waarbij het kredietplafond aan het begin van het jaar hoog was en aan het einde van het jaar werd afgebouwd tot een bepaald minimumbedrag. Het feit dat Derek's in de eerste maanden van 1996 veel krediet was verstrekt, vormde voor de bank dan ook geen aanleiding om bijvoorbeeld extra zekerheden te eisen. Eind mei 1996 had Derek's bovendien al weer aanzienlijk minder behoefte aan het aangeboden krediet. Destijds heeft Derek's zelfs ruimschoots voldoende beneden het -ten opzichte van januari van dat jaar- verlaagde kredietplafond kunnen komen. Dat het kredietplafond nadien weer sterk is overschreden, was medio juni 1996, toen de agentuurbesprekingen tussen partijen werden gevoerd, redelijkerwijs niet te voorzien. [eiser] heeft ook geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de reactie van de bank een onvermijdelijk gevolg was van de bewuste handelwijze van [gedaagde] in de periode na de besprekingen.

Voorzienbaarheid van de kredietopzegging kan ook niet worden afgeleid uit het tussen partijen niet in geschil zijnde gegeven dat de bank eind 1996 nog in afwachting was van de jaarcijfers over 1995. Zoals hiervoor ook is overwogen, gaat het er om of de omstandigheid dat die cijfers er in juni 1996 nog niet waren, de verwachting rechtvaardigden dat de bank later in het jaar het krediet op zou zeggen. Het is een feit van algemene bekendheid dat jaarcijfers pas in de loop van het daarop volgende boekjaar plegen te worden gepresenteerd. Op zich vormt het niet beschikbaar zijn van die gegevens een half jaar na afloop van het boekjaar dan ook geen voorbode voor het beëindigen van de kredietovereenkomst door de bank.

3.7 [eiser] heeft verder nog gewezen op de slechte commerciële situatie van Derek's in het zuidelijke rayon die ook een teken zou zijn van de slechte perspectieven van Derek's en waaromtrent [gedaagde] mededelingen had moeten doen aan [eiser]. Nu evenwel een ervaringsregel is dat het aanstellen van een vaste vertegenwoordiger ([eiser]) nu juist voor een verbetering van de commerciële situatie had kunnen zorgen omdat met persoonlijk klantencontact een beter resultaat wordt geboekt dan het geval is met telefonische contacten, was er voor [gedaagde] geen reden om te vermoeden dat in de bestaande commerciële situatie in het zuidelijk rayon een grond zou kunnen liggen voor toekomstige financiële problemen.

Met betrekking tot de stelling dat [gedaagde] onjuiste althans onvoldoende financiële gegevens (met betrekking tot het zuidelijke rayon) aan [eiser] heeft overhandigd, geldt verder nog het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] tijdens de eerste bespreking met [eiser] omzetcijfers en klantgegevens van het zuidelijk rayon aan [eiser] heeft overhandigd over het hele jaar 1995 en over de eerste maanden van 1996. [eiser] stelt nu wel dat de destijds aan hem overhandigde cijfers afwijken van het omzetoverzicht over de eerste helft van 1996 zoals overgelegd in een tussen [eiser] en Derek's in 1997 gevoerde procedure en dat [gedaagde] hem aldus bewust misleidende gegevens heeft verstrekt maar deze stelling dient te worden gepasseerd nu [gedaagde] dit verschil aan de hand van financiële stukken heeft verklaard en wel in die zin dat de cijfers van 17 juni 1996 zijn opgemaakt met betrekking tot de omzet tot en met die datum. De omzet over de eerste helft van 1996 was hoger omdat daarin ook de omzet over de periode 18-30 juni 1996 waren meegenomen.

Met het overleggen van de aktuele verkoopcijfers had [gedaagde] voldoende aan zijn informatieplicht voldaan. Er bestond ten tijde van het aangaan van de overeenkomst geen aanleiding voor [gedaagde] om verdergaande mededelingen te doen aan [eiser]. Mede gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen, kan worden geconcludeerd dat de toenmalige financiële situatie niet dermate zorgwekkend dat daaraan verdere aandacht diende te worden geschonken. Van het achterhouden van essentiële informatie was derhalve geen sprake.

De verwachte verbetering van de commerciële situatie rechtvaardigde tenslotte ook dat [gedaagde] aan [eiser] voorhield dat een bepaalde provisie behaald zou kunnen worden. Het ging hierbij -zoals ook door [eiser] zelf gesteld- om een prognose en niet om een garantie. Nu die prognose was gebaseerd op aktuele cijfers en nu niet is gebleken dat die cijfers onjuist waren, kan [eiser] zich niet in redelijkheid op het standpunt stellen dat [gedaagde] hem had dienen te vertellen dat het zeer onwaarschijnlijk was dat [eiser] die omzet zou kunnen behalen.

3.8 Ook de door [eiser] geschetste plannen van [gedaagde] om het accent van zijn bedrijfsactiviteiten van de helmenhandel naar de handel in vizieren te verplaatsen, vormen geen aanwijzing voor de wetenschap bij [gedaagde] dat Derek's haar verplichtingen uit de agentuurovereenkomst met [eiser] niet zou nakomen. Voor zover die plannen er al waren -[gedaagde] heeft dit betwist- ging het om niet meer dan een voorgenomen verplaatsing van activiteiten. En indien dit vervolgens al zou leiden tot een (voortijdige) beëindiging van de overeenkomst met [eiser], behoefde nog niet te worden verwacht dat de vennootschap vervolgens ook geen verhaal meer zou bieden (hetgeen eveneens een voorwaarde voor persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder is).

3.9 Als laatste omstandigheid heeft [eiser] nog aangevoerd het ontslag van het voltallige personeel en de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten binnen Derek's. Deze omstandigheid speelde evenwel niet ten tijde van het aangaan van de overeenkomst met [eiser] in juni 1996 zodat zij voor de beoordeling van de voorzienbaarheid niet van belang is. Bij de beoordeling van de tweede door [eiser] aangevoerde grond voor bestuurdersaansprakelijkheid -in de hiernavolgende overwegingen- zal hierop nog worden teruggekomen.

3.10 Die tweede grond voor mogelijke bestuurdersaansprakelijkheid betreft, zoals ook in rechtsoverweging 3.2 uiteen is gezet, de situatie waarin de bestuurder heeft toegelaten of bewerkstelligd dat de overeenkomst niet wordt nagekomen terwijl hem daarvan een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt om hem persoonlijk aansprakelijk te houden. Niet voldoende is derhalve een zekere naïviteit bij de bestuurder. Er is (veel) meer nodig zoals betalingsonwil of roekeloosheid aan de zijde van de bestuurder.

In het onderhavige geval heeft [eiser] in elk geval niet gesteld dat het niet uitbetalen van de schadevergoeding en schadeloosstelling uit hoofde van (de onregelmatige opzegging van) de agentuurovereenkomst te wijten is aan onwil van de zijde van [gedaagde]. Hij heeft wel gesteld dat [gedaagde] schuld had aan het 'Derek's debacle' door uiterst nalatig en inadequaat handelen. Schuld op zich is echter nog niet gelijk te stellen met roekeloosheid. Van roekeloosheid zou kunnen worden gesproken indien [gedaagde] willens en wetens de ondergang van zijn bedrijf had nagestreefd. In het onderhavige geval ligt het echter veeleer voor de hand aan te nemen dat aan die ondergang twee (andere) factoren -mede- debet waren.

Zo heeft [eiser] niet betwist dat de marktomstandigheden voor de verkoop van helmen in loop van 1996 verslechterde. Hij stelt weliswaar dat dit te wijten was aan de massaverkoop van helmen tegen dumpprijzen door een medewerker van Derek's maar nu [gedaagde] deze stelling gemotiveerd heeft betwist en [eiser] vervolgens heeft nagelaten om zijn stelling (voldoende) te onderbouwen, kan daaraan voorbij worden gegaan.

Naast de verslechterde marktomstandigheden, kan worden gewezen op de door [gedaagde] gestelde -en door [eiser] niet betwiste- houding van de bank. Door [eiser] is namelijk niet betwist dat de bank in december 1996 ten onrechte alle debiteuren van Derek's heeft aangeschreven in verband met de verpanding van vorderingen hetgeen ook een negatief effect had op de verkoop, waardoor de nakoming van de overeenkomst met [eiser] werd belemmerd.

Nu [gedaagde] op de genoemde omstandigheden geen (bijzondere) invloed heeft kunnen uitoefenen, valt het [gedaagde] ook niet persoonlijk (in voldoende ernstige mate) te verwijten dat Derek's de overeenkomst met [eiser] geen gestand heeft kunnen doen.

3.11 Onder de gegeven omstandigheden leverde tenslotte ook het nalaten in te grijpen in de onderneming toen de financiële situatie snel verslechterde niet een voldoende ernstig verwijt om [gedaagde] zelf voor de schadelijke gevolgen daarvan aansprakelijk te gehouden.

Weliswaar was er sprake van een toename van de debetstand op de rekening-courant in de periode juni-oktober 1996 maar dit vormde op zich geen reden voor het treffen van bijzondere maatregelen door [gedaagde] in persoon. [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat de situatie in de periode juni-oktober 1996 niet wezenlijk verschilde van die in dezelfde periode het jaar ervoor. De overstand per 31 oktober 1996 was zelfs lager dan die per 31 oktober 1995 terwijl het jaar 1995 uiteindelijk toch met een positief resultaat werd afgesloten. Tegen die achtergrond kan niet worden geconcludeerd dat het stilzitten van [gedaagde] in de desbetreffende periode een voldoende ernstig persoonlijk verwijt oplevert.

[gedaagde] heeft voorts gemotiveerd gesteld dat hij in de periode november-december 1996 -de periode waarin de financiële problemen zich in volle omvang manifesteerden- ziek is geworden was waardoor hij niet in staat was deel te nemen aan de beraadslagingen met betrekking tot de mogelijkheden tot voorzetting van het bedrijf. Nu deze stelling niet (gemotiveerd) is betwist door [eiser] kan hij ook niet aan [gedaagde] tegenwerpen dat hij te weinig moeite heeft genomen om een levensreddende operatie uit te voeren en alles op zijn beloop heeft gelaten met als gevolg het ontslag van het voltallige personeel en de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten binnen Derek's. Het -in de woorden van [eiser]- gebrek aan adequate reactie is aldus niet verwijtbaar, laat staan dat daarin een omstandigheid is gelegen die voldoende ernstig is om [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk te houden.

3.12 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering wordt afgewezen. [eiser] wordt veroordeeld in de kosten van dit geding.

BESLISSING

De rechtbank:

1. Wijst de vorderingen af;

2. Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding. Deze kosten worden, voor zover tot op heden aan de zijde van [gedaagde] gevallen, begroot op EURO 1.683,00;

Aldus gewezen door mr. W.N. Everts en in het openbaar uitgesproken op woensdag 31 maart 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.