Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2004:AO9011

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
07-05-2004
Zaaknummer
83193 / HA ZA 03-137
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 7:23, eerste lid BW (verplichting van koper om mededeling dat het geleverde niet aan de overeenkomst beantwoordt binnen "bekwame tijd" aan verkoper te doen op straffe van verval van rechten). In het onderhavige geval wist eiseres reeds op 8 juli 1999 dat het geleverde non-conform zou kunnen zijn, doch heeft - in afwachting van een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State - eerst na 19 december 2000 mededeling daarvan gedaan aan gedaagde. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet binnen "bekwame tijd".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 396
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector civiel

Enkelvoudige handelskamer

Zaaknr/rolnr: 83193 / HA ZA 03-137

Uitspraak: 14 april 2004

V O N N I S

in de zaak, aanhangig tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres],

eiseres,

procureur mr. R.K.E. Bijsrogge,

advocaat mr. J. van Groningen te Middelharnis

en

[gedaagde],

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

procureur mr. M.B. Beerentsen.

PROCESGANG

Eerder is in deze zaak een tussenvonnis gewezen dat op 21 mei 2003 is uitgesproken. Ter uitvoering daarvan heeft op 9 september 2003 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Vervolgens hebben partijen nog de volgende processtukken gewisseld:

- een conclusie van repliek van de zijde van [eiseres];

- een conclusie van dupliek van de zijde van [gedaagde].

Tenslotte is op het griffiedossier vonnis bepaald.

CONCLUSIES VAN PARTIJEN

De vordering van [eiseres] strekt ertoe dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. Primair:

[gedaagde] zal veroordelen tegen bewijs van kwijting aan [eiseres] te voldoen een bedrag van EURO 22.689,01, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 november 2001, althans vanaf 13 januari 2003, tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten van EURO 1.969,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2003 tot aan de dag der algehele voldoening;

2. Subsidiair:

a. de gevolgen van de tussen partijen bestaande koopovereenkomst op de voet van het bepaalde in artikel 6:230, lid 2 BW zal wijzigen, in dier voege dat de tussen partijen overeengekomen koopprijs wordt verminderd met een bedrag ad

EURO 22.689,01 althans van EURO 25.638,58, zulks ter opheffing van het nadeel in het gekochte als voormeld;

b. [gedaagde] zal veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van EURO 22.689,01, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 november 2001, althans vanaf 13 januari 2003, tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten van EURO 1.969,--, exclusief BTW, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2003 tot aan de dag der algehele voldoening;

3. in alle gevallen [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

Daartegen is door [gedaagde] verweer gevoerd met conclusie dat de rechtbank [eiseres] niet ontvankelijk zal verklaren, dan wel haar vordering af zal wijzen, en [eiseres], uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen in de kosten van dit geding.

MOTIVERING

1 Vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist - mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden - het volgende vast.

1.1 [eiseres] heeft blijkens een daartoe opgemaakte notariële akte op grond van een koopovereenkomst met [gedaagde] op 10 september 1991 geleverd gekregen het varkensbedrijf aan het adres [adres varkensbedrijf], omvattende: twee varkensschuren met garage annex berging, ondergrond, erf en terrein, alsmede de zich in voormelde opstallen bevindende inventaris, de mestproductierechten en de hinderwetvergunning tot het houden van 1.370 mestvarkens en 23 opfokgelten voor de koopprijs van f 1.125.000,-- (EURO 510.502,74).

1.2 Artikel B.7. van die akte vermeldt:

"Verkoper verklaart dat de hem verleende hinderwetvergunning tot het houden van eenduizend driehonderd zeventig mestvarkens en drie en twintig opfokgelten nog steeds geldig is."

1.3 Op 11 februari 1998 heeft [eiseres] het varkensbedrijf, met inbegrip van de hinderwetvergunning voor het houden van 1.370 mestvarkens en 23 opfokgelten, doorverkocht aan [koper]. Artikel 14 van de verkoopbedingen die onderdeel uitmaken van de onderhandse akte die van die overeenkomst is opgemaakt, luidt:

"(..) De koper is ermee bekend, dat bij een aanvraag voor een milieuvergunning het totaal aantal te houden varkens met maximaal 100 zou kunnen worden beperkt doordat van overheidswege zou kunnen worden gesteld dat in enige periode het aantal varkens (..) niet aanwezig is geweest op de locatie (..)".

1.4 Na een ontwerpbesluit van 8 juli 1999, waarbij [koper] de door hem op grond van de Wet Milieubeheer aangevraagde revisievergunning gedeeltelijk was geweigerd, hebben Burgemeester en wethouders van Raalte hem bij besluit van 19 oktober 1999 een revisievergunning verleend voor het houden van 1.280 vleesvarkens.

1.5 [koper] is tegen de gedeeltelijke weigering in beroep gegaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling bestuursrechtspraak). Een namens haar op 5 januari 2000 aan de Afdeling bestuursrechtspraak gezonden brief vermeldt onder meer:

"(..) Cliënt exploiteert aan de [adres varkensbedrijf] een varkenshouderij. Oorspronkelijk werd de inrichting gevormd door de percelen [adres 2 varkensbedrijf]. Thans is vanwege het splitsen van de inrichting sprake van twee afzonderlijke bedrijven. Dit heeft tot gevolg dat uitsluitend in de inrichting [adres varkensbedrijf] varkens worden gehouden.

Voor de inrichting zijn in het verleden meerdere hinderwetvergunningen verleend. Bij besluit van 16 augustus 1977 is een oprichtingsvergunning verleend terwijl nadien voor het uitbreiden van de inrichting bij besluit van 19 juli 1983 een uitbreidingsvergunning is verleend. Op basis van beide vergunningen mogen in de inrichting 23 opfokzeugen en 1.370 vleesvarkens worden gehouden.

Vaststaat dat de inrichting destijds is opgericht en in werking gebracht. Wel is daarna gedurende een periode van meer dan 3 jaar geen gebruik gemaakt van de stallen die zich bevinden op het perceel [adres 3 varkensbedrijf]. Op 1 maart 1993 was dit deel van de oorspronkelijke inrichting al langer dan de in artikel 27 van de Hinderwet genoemde termijn niet in gebruik. (..)".

Bij uitspraak van 19 december 2000 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak het beroep van [koper] ongegrond verklaard.

2 De gronden van de vordering en het verweer

2.1 [eiseres] heeft aan haar vordering primair de stelling ten grondslag gelegd dat

[gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de op hem rustende garantieverplichting die voortvloeit uit artikel B.7 van de akte van levering nu de hinderwetvergunning ten tijde van de levering voor 113 varkens niet meer geldend was en subsidiair dat zij gedwaald heeft bij de totstandkoming van de overeenkomst ten aanzien van het aantal varkens dat op grond van de hinderwetvergunning kan worden gehouden.

2.2 [gedaagde] heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd. Hij betwist dat er een gebrek kleefde aan de door hem overgedragen hinderwetvergunning. Hij stelt zich voorts onder meer op het standpunt dat [eiseres] hem niet binnen bekwame tijd kennis heeft gegeven van de gestelde gebreken in de hinderwetvergunning.

3 Beoordeling van het geschil

3.1 De rechtbank stelt voorop dat niet vast is komen te staan dat de hinderwetvergunning die [gedaagde] aan [eiseres] heeft overgedragen gebrekkig was. Anders dan [eiseres] stelt heeft de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak geen formele rechtskracht ten aanzien van [gedaagde]. Hij was immers geen partij in die procedure. Uit het hierna overwogene zal blijken dat beantwoording van de vraag of de overgedragen hinderwetvergunning gebrekkig was in het kader van de onderhavige procedure niet van belang is, zodat eventuele bewijslevering ter zake achterwege kan blijven.

3.2 [eiseres] heeft aangevoerd dat de in artikel 7:23, lid 1 BW gestelde eis (het binnen bekwame tijd kennis geven) niet geldt omdat [gedaagde] haar opzettelijk heeft misleid. De rechtbank verwerpt dat betoog. Uit de strekking van die bepaling vloeit voort dat de koper die niet tijdig kennis geeft alle rechten verliest. Dat betreft in dit geval ook het recht zich op misleiding te beroepen omdat de gestelde misleiding samenhangt met de stelling dat het geleverde niet aan de overeenkomst beantwoordt.

3.3 [eiseres] stelt voorts dat het er ingevolge de garantie die [gedaagde] haar heeft gegeven niet om gaat wanneer zij de non-conformiteit had kunnen ontdekken maar wanneer zij deze heeft ontdekt en dat nu haar eerst op 19 december 2000 uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak bekend is geworden wat de precieze omvang van de vergunning is, zij [gedaagde] daarvan binnen bekwame tijd kennis heeft gegeven door de problemen met betrekking tot het vervallen zijn van de vergunde varkensplaatsen vervolgens met hem te bespreken.

3.4 [gedaagde] betwist dat hij de geldigheid van de hinderwetvergunning heeft gegarandeerd. Hij stelt dat [eiseres] al in 1993 of in 1994 op de hoogte had kunnen zijn van eventuele gebreken in de hinderwetvergunning, maar daarvan in ieder geval op de hoogte was of had kunnen zijn op 8 juli 1999 naar aanleiding van het ontwerpbesluit van Burgemeester en wethouders van Raalte waarbij de door [koper] aangevraagde revisievergunning gedeeltelijk is geweigerd.

3.5 Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde], gelet op de verklaring die is neergelegd in artikel B.7. van de transportakte, de geldigheid van de hinderwetvergunning wel degelijk gegarandeerd. Dat het beding onderdeel van de koopovereenkomst zou zijn geworden, onder meer, omdat [directeur eiseres], directeur van [eiseres], zou hebben verklaard dat hij bij de gemeente Raalte de geldigheid van de hinderwetvergunning had gecontroleerd, doet daar, wat daar ook van zij, niet aan af. De rechtbank zal daarom onderzoeken of de kennisgeving binnen bekwame tijd na ontdekking is geschied.

3.6 Uit de stellingen van [gedaagde] vloeit reeds voort dat [eiseres] eventuele gebreken in de hinderwetvergunning in 1993 noch 1994 kende, zodat die verder geen bespreking behoeven. [eiseres] heeft niet betwist sedert 8 juli 1999 op de hoogte te zijn van de gedeeltelijke weigering van de door [koper] aangevraagde revisievergunning. Blijkens het hiervoor in rechtsoverweging 1.3 bedoelde artikel 14, heeft [eiseres] er reeds vanaf 11 februari 1998 rekening mee gehouden dat de aan haar geleverde hinderwetvergunning gebrekkig was. Daarmee is de vraag aan de orde of [eiseres] heeft mogen wachten [gedaagde] daarvan in kennis te stellen tot hem uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak bekend werd in welke mate er een gebrek kleefde aan de overgedragen hinderwetvergunning.

3.7 De parlementaire geschiedenis leert dat wanneer het een koper niet aanstonds duidelijk is of er sprake is van non-conformiteit hij (in beginsel) de bevoegdheid heeft daaromtrent eerst het advies van een deskundige in te winnen alvorens hij de in artikel 7:23, lid 1 BW bedoelde mededeling doet, doch dat hij, wanneer het desbetreffende onderzoek tijdrovend is, de verkoper intussen niet in het ongewisse mag laten. Hij dient hem in dat geval naar gelang van de omstandigheden, op straffe van het verlies van zijn aanspraken, mede te delen dat hij zich, in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, alle rechten voorbehoudt (MvA I, InvW 7, p. 157/8).

3.8 Naar het oordeel van de rechtbank verschilt het onderhavige geval, althans bezien vanuit het perspectief van [gedaagde], niet van voormeld in de parlementaire geschiedenis bedoelde. Het gaat er immers om dat bij aanwijzingen dat het geleverde niet aan de overeenkomst beantwoordt en daaromtrent niet spoedig zekerheid wordt verkregen, de verkoper daarvan in kennis wordt gesteld. Omdat het een feit van algemene bekendheid is dat met de behandeling van een beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak geruime tijd is gemoeid, valt niet in te zien waarom een koper dan niet dezelfde bescherming ten deel zou vallen als het in de wetsgeschiedenis bedoelde geval.

3.9 Van [eiseres] had daarom verwacht mogen worden dat zij [gedaagde] in ieder geval binnen bekwame tijd na 8 juli 1999 had medegedeeld dat zij zich ter zake van eventuele non-conformiteit alle rechten voorbehoudt. Althans voor zover bijzondere omstandigheden dat niet anders maken. Dergelijke omstandigheden zijn evenwel gesteld noch gebleken. [eiseres] heeft aldus niet voldaan aan het bepaalde in artikel 7: 23, lid 1 BW, zodat haar vordering zal worden afgewezen.

3.10 De rechtbank merkt nog op dat wanneer [eiseres] tijdig had kennis gegeven [gedaagde] in de gelegenheid zou zijn geweest zijn standpunt omtrent het gebruik van de stallen aan de [adres 3 varkensbedrijf] eerder naar voren te brengen, hetgeen er wellicht toe geleid zou hebben dat [koper] daarmee in zijn brief van 5 januari 2000 aan de Afdeling bestuursrechtspraak rekening had gehouden.

3.11 Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiseres] in de proceskosten worden veroordeeld.

BESLISSING

De rechtbank,

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding. Deze worden voorzover tot op heden aan de zijde van [gedaagde] gevallen, bepaald op EURO 2.035,20;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C.A. Walda en in het openbaar uitgesproken op woensdag 14 april 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.