Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2004:AO9005

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
31-03-2004
Datum publicatie
07-05-2004
Zaaknummer
93356 / HA RK 04-5
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 474g Rv (bepaling of en wanneer in beslag genomen aandelen op naam kunnen worden verkocht).

1. Executant heeft zicht ter zitting laten vertegenwoordigen door persoon die werkzaam is op advocatenkantoor doch zelf geen advocaat is; er zijn geen termen aanwezig om executant niet-ontvankelijk te verklaren.

2. Behandeling van verzoek als het onderhavige leent zich tevens voor bespreking van verweer van geëxecuteerde, ook indien dat meebrengt dat het geschil een executiegeschil wordt. Nu wetgever expliciet voor verzoekschriftprocedure heeft gekozen valt niet in te zien waarom voor het voeren van een materieel verweer alleen de weg van artikel 438 Rv (de dagvaardingsprocedure) openstaat. Behandeling van het verweer verdient ook uit proceseconomisch oogpunt de voorkeur. Belangenafweging. Verzoek wordt aangehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector civiel

Enkelvoudige handelskamer

Zaaknr/reknr: 93356 / HA RK 04-5

Uitspraak : 31 maart 2004

B E S C H I K K I N G

op het verzoek, ingediend door:

de naamloze vennootschap N.V. INTERPOLIS ONROEREND GOED,

gevestigd te Tilburg

verzoekster,

advocaat mr. D.A.W. van Dijk te Amsterdam,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge,

en

de besloten vennootschap BREDA INDUSTRIES B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Breda,

verweerster,

advocaat mr. C. de Jong te Utrecht.

PROCESGANG

Op 13 januari 2004 is door Interpolis ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend, onder overlegging van een aantal producties, genummerd 1 t/m 7. Bij brief van 19 januari 2004 heeft Interpolis het verzoek gewijzigd, onder overlegging van de stukken van het (tweede) beslag op de door Breda Industries gehouden aandelen in Can Systems Worldwide Holding B.V., gevolgd door een brief van 23 januari 2004, waarbij het exploot van overbetekening van 19 januari 2004 is overgelegd. Bij opvolgende brief van 11 februari 2004 is door Interpolis een aantal producties, genummerd 8 t/m 13, in het geding gebracht.

Het verzoekschrift is behandeld op 3 maart 2004. Verschenen zijn:

- W.H. Rijpkema namens de advocaat van Interpolis;

- [directeur van Breda Industries], directeur van Breda Industries, bijgestaan door mr. C. de Jong, advocaat te

Utrecht;

- [algemeen directeur van Can Systems Worldwide Holding B.V.], algemeen directeur van Can Systems Worldwide Holding B.V.

De pleitaantekeningen van Breda Industries zijn als gedingstuk overgelegd.

De deurwaarder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Bij brief van 16 februari 2004 heeft deurwaarder Kersten meegedeeld niet aanwezig te zullen zijn bij de behandeling van het verzoek.

SAMENVATTING VAN HET VERZOEK EN HET VERWEER

Het verzoek, zoals bij brief van 19 januari 2004 gewijzigd, strekt ertoe bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat en binnen een termijn van twee maanden nadat het vonnis in appèl is gewezen, althans een nader door de rechtbank te bepalen termijn tot verkoop en overdracht van de op 18 december 2003, althans, voor zover de grondslag wegens nietigheid van het beslag aan het verzoek komt te ontvallen, van de op 16 januari 2004 in beslag genomen aandelen kan worden overgegaan en op welke wijze en onder welke voorwaarden deze verkoop zal dienen plaats te vinden.

Daartegen is door Breda Industries verweer gevoerd, met conclusie primair het verzoek van Interpolis af te wijzen, met veroordeling van Interpolis in de kosten van deze procedure, subsidiair de behandeling van deze procedure aan te houden totdat de vordering van Interpolis definitief in rechte is vastgesteld.

MOTIVERING

1. Vaststaande feiten

1.1 Interpolis heeft krachtens een in executoriale vorm uitgegeven grosse van een vonnis van de rechtbank te Breda op 12 maart 2003 in conventie tussen Interpolis en Breda Industries gewezen, bij exploot van 18 december 2003 van deurwaarder R.R.J. Kersten executoriaal beslag gelegd op alle op naam van Breda Industries staande aandelen in de besloten vennootschap Can Systems Worldwide Holding B.V. (hierna CSWH te noemen) te Deventer.

1.2 Bij opvolgend exploot van 22 december 2003 heeft deurwaarde Kersten in het register van aandelen van CSWH de wettelijk verplichte aantekening gemaakt, inhoudende een beslag op de volgende aandelen:

Aantal aandelen nominaal bedrag per aandeel totaal bedrag per soort

5000 gewone NLG 1000,00 NLG 5.000.000,00

2000 gewone NLG 1000,00 NLG 2.000.000,00

1.3 Volgens het aandelenregister van CSWH is Aegis Newco B.V. enig aandeelhouder.

Uit het handelsregister blijkt dat de statutaire naam Aegis Newco B.V. met ingang van 1 februari 1998 is gewijzigd in Breda Industries B.V.

1.4 Bij exploot van deurwaarder E.M. van Golden is het exploot van beslag op 23 december 2003 overbetekend aan de schuldenares, Breda Industries. Blijkens een door de deurwaarder gemaakte aantekening is dit exploot per post aan Breda Industries verzonden, omdat de brievenbus achter een afgesloten hek zat.

1.5 Bij exploot van deurwaarder Kersten van 16 januari 2004 is op grond van de hiervoor onder 1.1 vermelde executoriale titel executoriaal beslag gelegd op alle aandelen in de op naam van Breda Industries staande aandelen in CSWH, gevolgd door een exploot van 19 januari 2004, waaruit blijkt dat de deurwaarder de wettelijke verplichte aantekening in het register van aandelen heeft gemaakt. Bij exploot van 19 januari 2004 is het exploot van beslag aan Breda Industries, als schuldenares, betekend.

1.6 Tegen het op 12 maart 2003 door de rechtbank gewezen vonnis is door Breda Industries hoger beroep ingesteld, waarop nog niet is beslist. In deze appelzaak is het hof Den Bosch verzocht een dag te bepalen waarop het pleidooi kan worden gehouden.

2. Standpunt van Interpolis

2.1 Interpolis stelt er belang bij te hebben dat thans tot verkoop van de in beslag genomen aandelen zal worden overgegaan. Volgens Interpolis bedraagt de vordering waarvoor zij een executoriale titel heeft, inclusief rente tot en met 31 januari 2004, EURO 100.966,47, terwijl de vordering iedere maand oploopt met rente en de schadevergoeding als bedoeld in het dictum onder punt 3 van het vonnis van 3 april 2002. Ondanks vele uitnodigingen daartoe wordt door Breda Industries geen vrijwillige uitvoering aan het vonnis gegeven.

2.2 De aandelen kunnen met inachtneming van artikel 474g lid 4 Rv (openbaar of onderhands) worden verkocht. Voor zover de grondslag aan het verzoek wegens nietigheid van het op 18 december 2003 gelegde beslag komt te ontvallen, wordt verzocht het verlof te verlenen op grond van het op 16 januari 2004 gelegde beslag. De in de statuten van CSWH opgenomen blokkeringsregeling die erin voorziet dat de aandelen eerst aan een medeaandeelhouder worden aangeboden, kan buiten beschouwing blijven, nu Breda Industries als enig aandeelhouder alle aandelen bezit.

2.3 Daar er nog een appelprocedure loopt tegen het vonnis van 12 maart 2003, kan de verkoop plaatsvinden binnen een termijn van twee maanden nadat het vonnis in appèl is gewezen.

3. Standpunt van Breda Industries

3.1 Breda Industries stelt dat de door Interpolis genoemde belangen onder de gegeven omstandigheden niet rechtvaardigen dat de aandelen worden verkocht voordat (de omvang van) de vordering van Interpolis in rechte is vastgesteld. Aangevoerd wordt dat tegen het op 12 maart 2003 door de rechtbank Breda gewezen vonnis hoger beroep is ingesteld, met als te beantwoorden rechtsvragen de geldigheid van de borgtocht en, in het bevestigende geval, de inhoud en reikwijdte daarvan. In hoger beroep heeft Breda Industries de door de rechtbank Breda gevolgde redenering, alsmede de conclusie dat er sprake zou zijn van een borgtocht, gemotiveerd betwist. De hoogte van de eventuele vordering van Interpolis uit hoofde van de pretense borgstelling staat evenmin vast. Na betaling van een bedrag van ruim EURO 171.904,62 heeft Interpolis niets meer te vorderen.

3.2 De door Interpolis beoogde verkoop van de aandelen is een ingrijpende executiemaatregel met voor Breda Industries onomkeerbare gevolgen, indien in rechte wordt vastgesteld dat Interpolis geen dan wel een beperkte vordering heeft. Voor zover na verkoop en levering van de aandelen aan een derde Breda Industries de mogelijkheid heeft de aandelen van deze derde terug te kopen, zal dat tegen een koopprijs zijn die hoger is dan de executieopbrengt. Daar komt bij dat een overname door een derde een negatieve invloed heeft op het rendement van de onderneming met 35 werknemers, met de kans dat de nieuwe eigenaar de onderneming staakt. In ieder geval wordt schade geleden wegens gederfde winsten over de periode dat de aandelen in handen van een derde zijn. Voor zover nodig verklaart Breda Industries dat de aandelen gedurende het executoriaal beslag niet door haar zullen worden vervreemd.

3.3 Het belang van CSW is in beginsel evenmin gediend bij executoriale verkoop van de aandelen. In de toelichting op de artikelen betreffende executoriale verkoop van aandelen is expliciet bepaald dat het de bedoeling van deze regeling is dat de belangen van de vennootschap zo min mogelijk worden geschaad (Kamerstukken II 1970/1971 11 288 nr. 3, punt 5).

4. Beoordeling van het verzoek

4.1 Aan het in artikel 279, derde lid, van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering gestelde vereiste dat de opgeroepene in persoon of bij procureur ter terechtzitting verschijnt, waarbij de opgeroepene die in persoon verschijnt zich mag laten bijstaan door een raadsman (een advocaat of procureur) is door Interpolis niet voldaan. Ter gelegenheid van de behandeling is gebleken dat de aan het kantoor van de advocaat van Interpolis verbonden medewerker, die verklaarde namens de behandelend advocaat op te treden, niet de hoedanigheid heeft van advocaat. Hoewel deze omissie wellicht aan de ontvankelijkheid van het verzoek in de weg staat acht de rechtbank, gelet ook op het navolgende, geen termen aanwezig om verzoekster niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek.

4.2 Vastgesteld kan worden dat bij het op 18 december 2003 gelegde executoriaal beslag op de op naam van Breda Industries staande aandelen in CSWH de bij artikel 474c van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering voorgeschreven formaliteiten, zoveel mogelijk, in acht zijn genomen. Anders dan uit het daarvan opgemaakte deurwaardersexploot blijkt is het vonnis van 3 april 2002 van de rechtbank te Breda, sector kanton, gewezen tussen Interpolis als eiseres en Breda Packaging B.V. als gedaagde, terwijl het vonnis van de rechtbank Breda van 12 maart 2003 is gewezen tussen Interpolis als eiseres in conventie en Breda Industries als gedaagde in conventie .

4.3 Breda Industries heeft zich tegen toewijzing van het verzoek verzet, daartoe stellende dat het belang van Interpolis onder de gegeven omstandigheden niet rechtvaardigt dat de in beslag genomen aandelen worden verkocht. Volgens Breda Industries heeft de door Interpolis beoogde verkoop van de aandelen voor haar onomkeerbare gevolgen, indien in rechte wordt vastgesteld dat Interpolis geen of slechts een zeer beperkte vordering heeft. Interpolis handelt in strijd met de regels van redelijkheid en billijkheid door in het zicht van een uitspraak op het door haar ingestelde appèl een zo vergaande executiemaatregel te effectueren, met alle nadelige financiële gevolgen zowel voor haar als voor CSWH van dien. Met name moet gevreesd worden, gelet op het beperkt aantal concurrenten op de markt waarop CSWH opereert, dat een gegadigde voor de aandelen slechts geïnteresseerd is in bepaalde delen van het bedrijf en andere delen zal afstoten dan wel bepaalde werkzaamheden zal staken.

4.4 Voorop wordt gesteld dat behandeling van een verzoek als het onderhavige zich tevens leent voor de bespreking van een verweer als dat van Breda Industries, ook indien zulk een verweer meebrengt dat het geschil een executiegeschil wordt. Niet valt in te zien, nu de wetgever expliciet heeft gekozen voor een verzoekschriftprocedure, waarop de derde titel van Boek 1 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering van toepassing is verklaard, dat voor het voeren van een materieel verweer alleen de weg van artikel 438 Rv, waarin een dagvaardingsprocedure is voorgeschreven, voor de schuldenaar openstaat. Ook uit proceseconomisch oogpunt verdient het de voorkeur een materieel verweer van een strekking als de onderhavige bij de behandeling van het inleidend verzoekschrift te betrekken. Het verweer raakt immers direct het belang van Breda Industries.

4.5 De rechtbank is van oordeel dat Interpolis, gelet op hetgeen door Breda Industries naar voren is gebracht over de kansen van het door haar ingestelde beroep tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 12 maart 2003 en op de (financiële) belangen aan de zijde van Breda Industries, die als gevolg van de verkoop van de aandelen zullen worden geschaad, op dit moment geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van de haar gegeven bevoegdheid om in afwachting van het eindarrest van het hof Den Bosch het door haar gelegde executoriaal beslag te vervolgen op de wijze als bedoeld in art. 474g Rv. Hoewel het Interpolis op zich vrij staat alle tot haar beschikking staande executiemaatregelen te treffen, kan in dit geval worden vastgesteld dat de effectuering van de executiemaatregel naar in redelijkheid moet worden aangenomen een sterk waardedrukkend effect zal hebben op de in beslag genomen aandelen. Doorzetting van de executie thans, al aangenomen dat voor de aandelen een koper zal worden gevonden, zal tot gevolg hebben dat de aandelen minder opbrengen dan bij een eventuele vrijwillige verkoop. Bovendien wordt Breda Industries, indien tot executoriale verkoop van de aandelen wordt overgegaan, als enig aandeelhouder, onredelijk in haar vermogen benadeeld, indien later mocht blijken dat Interpolis geen vorderingsrecht jegens Breda Industries heeft. Anders dan Breda Industries met haar primaire verweer heeft beoogd, kan dit niet tot afwijzing van het verzoek leiden, doch hooguit tot aanhouding van de beslissing.

4.6 Het subsidiaire verweer van Breda Industries, waartegen Interpolis zich niet formeel heeft verzet, namelijk bij monde van een procureur of in persoon, om het verzoek aan te houden totdat het gerechtshof Den Bosch op het door Breda Industries ingestelde beroep heeft beslist, kan worden gehonoreerd, temeer nu uit het ingestelde verzoek kan worden afgeleid dat Interpolis met de verkoop van de aandelen, waaronder naar het oordeel van de rechtbank ook zijn begrepen de benodigde voorbereidingshandelingen, zelf al wilde wachten totdat het hof op het ingestelde beroep heeft beslist (vgl. petitum verzoekschrift waar sprake is van "binnen een termijn van twee maanden nadat het vonnis in appèl is gewezen"). Dat Interpolis hierover aan het slot van de mondelinge behandeling anders heeft willen verklaren en het verzoek in die zin heeft bijgesteld moet reeds voorbij worden gegaan, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen.

5. Slotsom

De behandeling van het verzoek wordt voor onbepaalde tijd aangehouden. Aan Interpolis zal worden verzocht een afschrift van de einduitspraak van het hof Den Bosch over te leggen, zodra deze te harer beschikking is gekomen. In overleg met partijen zal een nadere behandeling worden bevolen, waarvoor ook de deurwaarder door de griffier zal worden opgeroepen. Interpolis dient in persoon, waaronder is te verstaan een statutair directeur, dan wel bij een advocaat of procureur te verschijnen.

BESLISSING

De rechtbank:

alvorens verder te beslissen

- houdt de behandeling van het verzoek voor onbepaalde tijd aan;

Verzoekt Interpolis een afschrift van de einduitspraak van het hof Den Bosch in de door Breda Industries tegen haar ingestelde appèlzaak over te leggen.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Gegeven door mr. Th.A. Ariëns en in het openbaar uitgesproken op woensdag 31 maart 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.