Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2004:AO7682

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
15-04-2004
Datum publicatie
16-04-2004
Zaaknummer
07.400840-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

doodslag; 287 Sr; causaal verband tussen gedragingen verdachte en de latere dood van het slachtoffer; opzet en alcoholgebruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 07.400840-03

Uitspraak: 15 april 2004

S T R A F V O N N I S

in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[naam verdachte],

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte],

wonende te [woonplaats verdachte],

thans in voorarrest verblijvende [detentieadres verdachte].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2004. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.W. van Faassen, advocaat te Zwolle.

De officier van justitie, mr. G.T. Brouwer, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het primair ten laste gelegde tot 6 jaar gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij], geheel wordt toegewezen met oplegging van de maatregel omschreven in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging).

BEWIJS

De raadsman heeft, kort en zakelijk weergegeven, namens verdachte betoogd dat het causaal verband tussen de gedragingen van verdachte en de dood van het slachtoffer niet kan worden vastgesteld, omdat niet kan worden uitgesloten dat een andere oorzaak dan de verwondingen die verdachte bij het slachtoffer heeft toegebracht heeft geleid tot het overlijden van het slachtoffer.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent het volgende.

Voor de vaststelling van het causaal verband tussen de gedragingen van verdachte enerzijds en de dood van het slachtoffer anderzijds, is naar geldend recht beslissend of die dood redelijkerwijs als gevolg van het toebrengen van het letsel door de verdachte aan de verdachte kan worden toegerekend.

De patholoog G. van Ingen heeft in zijn sectierapport geconcludeerd dat [naam slachtoffer] is overleden als gevolg van inwerking van uitwendig, mechanisch, botsend geweld op het hoofd met daardoor orgaan- en weefselbeschadiging van schedelinhoud en schedel.

De rechtbank is van oordeel dat de letsels die het overlijden van [naam slachtoffer] tot gevolg hebben gehad passen bij het door de vele getuigen beschreven stompen, schoppen en trappen van verdachte tegen het hoofd van [naam slachtoffer]. Voorts is het de rechtbank niet aannemelijk geworden dat er bij het slachtoffer in de periode van 1 tot en met 8 november 2003 (datum overlijden van het slachtoffer) sprake is geweest van enig ander door het slachtoffer opgelopen letsel dan door de verdachte toegebracht.

Alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs aan verdachte kan worden toegerekend.

De raadsman heeft voorts betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde omdat verdachte handelde in een toestand van een zekere bewustzijnsvernauwing als gevolg van een impulscontrolestoornis, waardoor bij verdachte het besef ontbrak waar hij mee bezig was. Het gevolg hiervan is dat, naar de mening van de raadsman, niet bewezen kan worden dat verdachte het opzet heeft gehad om het slachtoffer van het leven te beroven.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Gelet op de aard van de gedragingen van verdachte - te weten de wijze en frequentie van slaan, schoppen en trappen tegen het hoofd van het slachtoffer – is de rechtbank van oordeel dat verdachte het opzet had om [naam slachtoffer] van het leven te beroven. Uit een groot aantal daarover afgelegde verklaringen van getuigen staat naar het oordeel van rechtbank vast dat verdachte – nadat hij het slachtoffer twee harde stompen tegen het hoofd heeft gegeven – het slachtoffer terwijl deze op zijn rug op de grond lag met kracht en op brute wijze herhaaldelijk en gedurende enige tijd met zijn geschoeide voet tegen het hoofd heeft getrapt. Dit geweld is naar het oordeel van de rechtbank dermate exorbitant dat dit naar algemene ervaringsregels het voor een ieder voorzienbaar gevolg heeft dat het slachtoffer overlijdt.

Dat verdachte handelde onder invloed van een impulscontrolestoornis doet hieraan niets af, nu verdachte zelf ter zitting heeft verklaard te weten dat het gebruik van alcohol bij hem heftige emoties kunnen oproepen die hem ook in het verleden ertoe hebben gebracht volledig door het lint te gaan.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

hij in de periode van 01 november 2003 tot en met 8 november 2003 te Lemele, gemeente Ommen en/of te Zwolle, opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte op of omstreeks 1 november 2003, in [naam locatie], te Lemele, gemeente Ommen met dat opzet die [naam slachtoffer] meermalen tegen het hoofd gestompt, getrapt en geschopt, tengevolge waarvan de [naam slachtoffer] op of omstreeks 8 november 2003 te Zwolle is overleden.

Van het primair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

doodslag,

strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de strafbaarheid van verdachte gelet op de een psychiatrische rapportage d.d. 9 januari 2004 uitgebracht door C.J.F. Kemperman, zenuwarts.

Voormelde rapportage houdt als conclusie onder meer in dat bij verdachte ten tijde van het begaan van het ten laste gelegde feit als gevolg van alcoholgebruik en woede sprake was van een impulscontrolestoornis. Kemperman concludeert voorts dat het ten laste gelegde verdachte wel kan worden toegerekend, omdat verdachte uit ervaring wist dat alcohol hem ontvlambaar maakt.

De rechtbank neemt deze conclusie van de deskundige op de daarvoor in het genoemde rapport bijeengebrachte gronden over en maakt die tot de hare.

Verdachte heeft zich willens en wetens begeven in een situatie waarin de impulsdoorbraak voorspelbaar was en een handeling als het bewezen verklaarde tot de mogelijkheden behoorde. Aldus is de rechtbank van oordeel dat het bewezen verklaarde geheel aan verdachte kan worden toegerekend.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank vindt in dit geval een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat verdachte op een uitermate gewelddadige wijze jegens het slachtoffer heeft gehandeld, terwijl daar geen enkele aanleiding toe was. Bovendien rekent de rechtbank het verdachte nog in het bijzonder aan dat hij overmatig alcoholhoudende drank is gaan nuttigen terwijl verdachte drommels goed uit eerdere ervaringen weet dat hij door zichzelf in een beschonken toestand te brengen, kan komen tot excessieve geweldplegingen. Verdachte heeft door zijn volstrekt onverantwoordelijk en zinloze gedrag onherstelbaar leed toegebracht aan de naasten van het slachtoffer.

Daarnaast heeft de rechtbank bij het vaststellen van de strafmaat rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van verdachte.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank eveneens rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel d.d. 12 november 2003 uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst;

- een psychiatrische rapportage d.d. 9 januari 2004 uitgebracht door C.J.F. Kemperman, zenuwarts.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [naam benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte primair bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op het voegingsformulier en de daarbij gevoegde bijlagen, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 3035,93, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts terzake van het primair bewezen verklaarde aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 3035,93 ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde partij].

BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het primair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam en adres benadeelde partij], van een bedrag van € 3035,93 (zegge: drieduizend vijfendertig euro en drie-ennegentig cent).

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 3035,93, ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt daarbij dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan één van die onderscheiden verplichtingen tot schadevergoeding die andere (voor dat gedeelte) komt te vervallen.

Aldus gewezen door mr. L.T. Wemes, voorzitter, mrs. H.F.J.M. Schröder en V.J. de Haan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2004.

Mr. V.J. de Haan voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.