Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2004:AO7292

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
07-04-2004
Datum publicatie
08-04-2004
Zaaknummer
226518 HA VERZ 04-98
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak, ontbinding arbeidsovereenkomst, reïntegratie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K Z W O L L E

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknr.: 226518 HA VERZ 04-98

datum : 7 april 2004

BESCHIKKING

OP EEN VERZOEK TOT ONTBINDING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMST

in de zaak van:

de stichting STICHTING STAD EN WERK,

gevestigd te Zwolle,

verzoekende partij, verder te noemen: “SSW”,

gemachtigde mw. mr. M.J.G. Peters, advocaat te Zwolle,

tegen

[VERWEERDER],

wonende te [woonplaats]

verwerende partij, verder te noemen: “[verweerder]”,

gemachtigde mr. E.J. Eijsberg, advocaat te Rotterdam.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift van 9 februari 2004,

- de brieven van [verweerder] en diens moeder d.d. 6 en 9 maart 2004 en

- het verweerschrift van 30 maart 2004.

De mondelinge behandeling is gehouden op 31 maart 2004.

Verschenen zijn:

- namens SSW de heren M. Ophuis, sectormanager, en J. Legebeke, trajectbegeleider, vergezeld door mw. mr. Peters voornoemd;

- [verweerder], vergezeld door mr. Eijsberg voornoemd.

De vaststaande feiten

a. SSW is een stichting die langdurig werklozen aan passende arbeid helpt en arbeidsonge-schikte werknemers met een grote afstand tot de arbeidsmarkt helpt te reïntegreren.

b. [verweerder], geboren op [datum], is op [datum] voor de duur van één jaar bij SSW voor 32 uur per week in dienst getreden als assistent medewerker ten behoeve van zogenaamde “Digitale Trapveldjes”. De functie houdt onder meer in mensen uit achterstandswijken in aanraking brengen met computers en internet. [verweerder] heeft in dat kader op kosten van SSW een cursus “Network + Support Skills” gevolgd.

c. Per 1 november 2002 is het dienstverband voor onbepaalde tijd verlengd. Op de arbeidsovereenkomst is toepasselijk de Regeling In- en Doorstroombanen voor Langdurig Werklozen alsmede de CAO Welzijnswerk. Het laatst door [verweerder] verdiende salaris bedraagt € 1.337,32 bruto per maand exclusief vakantietoeslag.

d. Bij verlenging van zijn aanstelling per 1 november 2002 alsmede bij brief van 28 november 2002 is [verweerder] door SSW gewaarschuwd voor herhaalde ongeoorloofde afwezigheid en het zich niet houden aan afspraken. [verweerder] heeft zich daarna verbeterd.

e. [verweerder] is in maart 2003 uitgevallen wegens psychische klachten, verband houdende met zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder een echtscheiding en schulden.

f. In april 2003 heeft [verweerder] zijn werkzaamheden voor SSW hervat. [verweerder] is daarbij begeleid door zijn direct leidinggevende en zijn trajectbegeleider. [verweerder] is vervolgens met regelmaat ongeoorloofd afwezig geweest, variërend van enkele uren tot enkele dagen. Met [verweerder] is daarover gesproken op 23 en 24 juni 2003. Daarbij is door SSW aan [verweerder] meegedeeld dat zij geen mogelijkheden meer ziet om hem in zijn functie te handhaven, dat er binnen SSW geen alternatieven voor hem voorhanden zijn en dat zij hem willen begeleiden naar een functie buiten SSW die hem meer structuur biedt. [verweerder] is in dat kader niet verschenen op een vervolgafspraak met zijn trajectbegeleider d.d. 25 juni 2003.

g. [verweerder] heeft zich op 30 juni 2003 opnieuw ziekgemeld. In de daartoe door de bedrijfsarts op 21 juli 2003 opgemaakte probleemanalyse is opgenomen dat er op dat moment ernstige beperkingen bestonden op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren, dat hij volledig arbeidsongeschikt is en dat hem wordt geadviseerd om de adviezen van zijn behandelaar op te volgen en om structuur in zijn daginvulling aan te brengen.

h. SSW heeft in dat kader met [verweerder] afgesproken dat hij even afstand van SSW neemt en de nodige maatregelen in zijn privé-situatie neemt, waaronder het hernieuwen van het contact met zijn psycholoog.

i. [verweerder] is niet verschenen op de afspraak van 21 augustus 2003, waarna de trajectbegeleider [verweerder] na enige dagen in Breda heeft kunnen traceren. [verweerder] is daarop verschenen op de afspraak van 27 augustus 2003. [verweerder] is tevens verschenen op de vervolgafspraak van 8 september 2003 doch niet op de vervolgafspraak van 22 september 2003, waarna op 25 september 2003 telefonisch een afspraak is gemaakt voor 10 oktober 2003. Tijdens die afspraak heeft [verweerder] een verwarde indruk gemaakt en is vastgesteld dat hij geen uitvoering geeft aan op 8 september 2003 gemaakte afspraken wat betreft oriëntatie op werkplek voor hervatting op arbeidstherapeutische basis. [verweerder] is vervolgens niet verschenen op de vervolgafspraak van 31 oktober 2003. Op 3 november 2003 heeft SSW [verweerder] kunnen bereiken waarbij een afspraak is gemaakt voor 10 november 2003. [verweerder] is op die afspraak verschenen.

j. Bij brief van 10 november 2003 is [verweerder] gewaarschuwd voor het feit dat hij tweemaal niet is verschenen op afspraken met de bedrijfsarts, dat hij meerdere malen niet is verschenen op een afspraak met zijn trajectbegeleider en dat hij tweemaal onvindbaar is geweest voor zowel SSW als de bedrijfsarts. Aan [verweerder] is daarbij aangezegd dat bij een volgend incident de betaling van zijn salaris zal worden stopgezet en een ontslagprocedure in gang zal worden gezet wegens het onvoldoende meewerken aan zijn reïntegratie.

k. [verweerder] is niet verschenen op oproepen voor een bezoek aan de bedrijfsarts d.d. 19 december 2003 en 9 januari 2004, hetgeen de bedrijfsarts aan SSW heeft bericht onder toevoeging dat de bedrijfsarts op basis van de informatie van zowel [verweerder]’s moeder als SSW onverminderd van mening is dat [verweerder] volledig arbeidsongeschikt is.

l. Bij brief van 19 januari 2004 heeft SSW aan [verweerder] meegedeeld met ingang van januari de salarisbetaling stop te zetten en een ontslagprocedure in gang te zetten. Zij voert daartoe aan dat [verweerder] ondanks de waarschuwing van 10 november 2003 zonder opgaaf van redenen niet is verschenen op een afspraak met de bedrijfsarts en dat hij sinds 19 december 2003 voor SSW onvindbaar is. [verweerder] heeft noch na die brief noch wegens het uitblijven van zijn salaris enig contact met SSW opgenomen.

m. [verweerder] heeft in de eerste maanden van 2004 tegen betaling taxiwerkzaamheden van enige omvang verricht. Hij heeft de periode van 1 tot en met 29 maart 2004 in voorlopige hechtenis doorgebracht wegens verdenking van betrokkenheid bij een overval. [verweerder] heeft noch van het één noch van het ander SSW in kennis gesteld.

Het verzoek en het daartegen gevoerde verweer

SSW verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden aangezien zij geen vertrouwen meer heeft in succesvolle reïntegratie van [verweerder], omdat hij ondanks herhaalde waarschuwing niet meewerkt aan zijn reïntegratie door bij herhaling zonder bericht van verhindering niet op afspraken bij de bedrijfsarts of SSW te komen en herhaaldelijk voor hen onvindbaar te zijn. Overigens is sprake van disfunctioneren van [verweerder], waarin evenmin verbetering te verwachten is, aldus SSW.

[verweerder] heeft zich verzet tegen ontbinding van de arbeidsovereenkomst en heeft daartoe aangevoerd dat er geen sprake is van disfunctioneren, dat hij, waar mogelijk, aan de afspraken gevolg heeft gegeven en zijn gedrag dient te worden verklaard door zijn psychische gesteldheid. Een en ander kan hoogstens leiden tot een stopzetting van de salarisbetaling en niet tot een beëindiging van het dienstverband. [verweerder] heeft tenslotte aangevoerd dat hij thans voornemens is zijn privé-problemen aan te pakken en in dat kader opnieuw een psycholoog wil bezoeken.

De beoordeling van het verzoek

1.

De kantonrechter heeft te beantwoorden de vraag of zich voordoet een gewichtige reden die tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst noopt. De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daarbij het volgende.

2.

Vast staat dat [verweerder] in een periode van bijna één jaar, zowel voor als tijdens zijn arbeidson-geschiktheid, enige malen en met nadruk is gewezen op het belang dat SSW hechtte aan het nakomen van afspraken, zowel omtrent het werk als voor gesprekken met SSW en de bedrijfsarts. Gesteld noch gebleken is dat die waarschuwingen ten onrechte zijn gegeven.

3.

Voorts is in voldoende mate komen vast te staan dat [verweerder] geen gevolg heeft gegeven aan de in de brief van 10 november 2003 vervatte waarschuwing, die bezwaarlijk anders kan worden gezien dan een laatste waarschuwing en een laatste kans voor [verweerder]. Vast moet worden gesteld dat [verweerder] deze laatste kans in generlei vorm heeft aangegrepen nu als onweersproken moet worden aangenomen dat hij vervolgens opnieuw geen gehoor heeft gegeven aan oproepen van de bedrijfsarts en hij ieder contact met SSW uit de weg is gegaan. Het stopzetten van de betaling van zijn salaris noch de daarover aan [verweerder] gedane mededeling heeft daarin verandering kunnen brengen.

4.

Het moge zo zijn dat onomstreden is dat [verweerder] wegens psychische klachten arbeidsongeschikt is geraakt en – naar hetgeen de bedrijfsarts in juli 2002 heeft geoordeeld – hij te kampen had met ernstige beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren, doch in dat oordeel noch in de andere vaststaande feiten kan grond worden gevonden voor de conclusie dat [verweerder] bij voortduring heeft verkeerd in staat van psychische overmacht, in die zin dat de aan hem verweten nalatigheid niet kan worden toegerekend.

Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat het gaat om verplichtingen van [verweerder] die vooralsnog niet meer inhielden dat het onderhouden van contact, het verschijnen op afspraken met zowel SSW als de bedrijfsarts en het voor hen bereikbaar zijn. Zonder nader medisch oordeel, dat ontbreekt, valt niet in te zien dat niet van [verweerder] kon worden gevergd zich aan dergelijke verplichtingen te houden.

Aangezien vast staat dat [verweerder] veelvuldig is gewaarschuwd, had [verweerder] het belang van die op hem rustende verplichtingen dan ook dienen te beseffen. Dit besef mag te meer worden verondersteld aangezien [verweerder] heeft erkend dat hij in de periode van januari / februari 2004 tegen betaling taxiwerkzaamheden heeft verricht, hetgeen afbreuk doet aan de door hem opgeworpen suggestie van een volledig persoonlijk en sociaal disfunctioneren in die periode.

5.

Het moge tevens zo zijn dat een onvoldoende meewerken aan de reïntegratie in de eerste plaats grond geeft voor het opschorten van de loonbetalingsverplichting doch [verweerder] ziet er ten onrechte aan voorbij dat indien, na alle eerdere initiatieven van SSW, ook die maatregel geen effect sorteert en ieder contact gedurende meerdere maanden na een dergelijk pressiemiddel uitblijft, te billijken is dat een werkgever, ook één met een sociale achtergrond en doelstelling als SSW, ieder vertrouwen verliest in zijn medewerking aan zijn reïntegratie en zijn toekomstig functioneren.

De omstandigheid dat er nog altijd sprake is van arbeidsongeschiktheid en van psychische klachten, zoals [verweerder] ter zitting heeft aangevoerd, kan daaraan niet afdoen.

6.

De persoonlijke omstandigheden van [verweerder], hoe penibel ook, nemen dan ook niet weg dat er dit geval sprake is van een zodanige verandering van omstandigheden dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is. Het verzoek van SSW is derhalve toewijsbaar.

7.

Een toekenning van een vergoeding naar billijkheid aan [verweerder] acht de kantonrechter niet op zijn plaats omdat voormelde verandering enkel aan [verweerder] is te wijten.

8.

Gelet op de omstandigheden van het geval zullen de proceskosten worden gecompenseerd als nader in het dictum te melden.

De beslissing

De kantonrechter:

- ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en bepaalt dat deze eindigt op heden, 7 april 2004;

- compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terecht-zitting van 7 april 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.