Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWO:2004:AO7290

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
06-04-2004
Datum publicatie
08-04-2004
Zaaknummer
07.230140-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

uitspraak in doodslag d.d. 6 april 2004

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 07.230140-03

Uitspraak: 6 april 2004

S T R A F V O N N I S

in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[naam verdachte],

geboren op [datum] te [plaats],

wonende te [adres],

thans verblijvende in [detentieadres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2004. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K.D. Regter, advocaat te Lelystad.

De officier van justitie, mr. J.A.M.M. Francissen, heeft ter terechtzitting gevorderd dat:

- de verdachte terzake het onder 1 primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken;

- de verdachte terzake het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 2 jaar, met aftrek van het voorarrest;

- dat de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij] voor het gehele bedrag à € 3084,38 wordt toegewezen, zonder oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging).

Ten gevolge van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging in de vierde regel van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde na de woorden "heeft/hebben" niet de woorden “is/zijn”. De rechtbank herstelt deze vergissing door het laatste te lezen na het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting wordt de verdachte daardoor in de verdediging niet geschaad.

BEWIJS

De verdachte dient van het onder 1 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte 1 subsidiair, 2 primair en 3 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1 subsidiair

hij in de periode van 10 juni 2003 tot en met 11 juni 2003 in de gemeente Lelystad, opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/is verdachte met dat opzet

- een plastic zak over het hoofd van die [naam slachoffer] gedaan en

- met een voet de keel/het strottenhoofd en/of de buikstreek van die [naam slachtoffer] ingedrukt en ingedrukt gehouden en met een arm gevallen op en gedrukt in de nek/hals van die [naam slachtoffer],

tengevolge waarvan één nekwervel en het strottenhoofd en de halswervelkolom zijn gebroken en

- meerdere vingers in de mond van die [naam slachtoffer] gestoken en vervolgens met die vingers geroerd in die mond,

- de handen en benen van die [naam slachtoffer] vastgebonden,

tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

2 primair.

hij in de periode van 01 juni 2003 tot en met 11 juni 2003 in de gemeente Lelystad met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning ([adres]) heeft weggenomen een fotocamera en pinpas toebehorende aan [naam slachtoffer];

3.

hij in de periode van 10 juni 2003 tot en met 11 juni 2003 in de gemeente Lelystad, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een geld/pinautomaat heeft weggenomen een hoeveelheid geld (1000 euro), toebehorende aan [naam slachtoffer], waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

Van het 1 subsidiair, 2 primair en 3 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

1 subsidiair.

doodslag

strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht

2 primair.

diefstal

strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht

3.

diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels,

strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman van verdachte heeft, kort en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd:

bij verdachte bevond zich ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten in een dusdanige situatie dat hij redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden aan de drang tot het plegen van de onderhavige feiten. Derhalve dient verdachte op grond van psychische overmacht te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank verwerpt het door de verdediging gedane beroep op psychische overmacht en overweegt daaromtrent het volgende.

Het is de rechtbank niet aannemelijk geworden dat verdachte in een zodanige geestesgesteldheid is komen te verkeren dat hij niet anders kon handelen dan hij heeft gedaan.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting tevens een beroep gedaan op noodweer of, voor het geval dit verweer niet mocht slagen, op noodweerexces en heeft op grond daarvan geconcludeerd tot ontslag van alle rechtsvervolging. Hij heeft ter ondersteuning van dit verweer, kort en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat verdachte het feit zou hebben begaan, geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waarbij verdachte wellicht de grenzen van noodzakelijke verdediging heeft overschreden, als gevolg van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.

De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer en op noodweerexces en overweegt hieromtrent het volgende. Het is de rechtbank niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een dusdanige situatie door het handelen van [naam slachtoffer] dat verdedigend handelen, in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht, door verdachte was geboden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verklaring van verdachte dat hij werd aangevallen door [naam slachtoffer] en een derde, onbekende man niet gestaafd wordt door andere uit het onderzoek blijkende feiten of omstandigheden.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de strafbaarheid van verdachte gelet op de psychologische rapportage uitgebracht d.d. 17 november 2003 door dr. Th.A.M. Deenen, kinder- en jeugdpsycholoog, en op de psychiatrische rapportage uitgebracht op 15 september 2003 door W. Postema, psychiater.

Voormelde rapportages houden als conclusie onder meer in dat verdachte ten tijde van het begaan van de ten laste gelegde feiten als sterk verminderd toerekeningsvatbaar was te beschouwen.

De rechtbank neemt deze conclusie van de deskundigen op de daarvoor in genoemde rapporten bijeengebrachte gronden over en maakt die tot de hare.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Door de verdediging is aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden en dat de strafzaak niet zonder vertraging is behandeld zoals artikel 40 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (Kinderverdrag) voorschrijft. De verdediging stelt dat deze schending gecompenseerd dient te worden door strafvermindering.

De rechtbank stelt vast dat de periode tussen het moment dat de verdachte in redelijkheid rekening moesten houden met een strafrechtelijke vervolging tot de zitting van 23 maart 2004 ongeveer negen maanden heeft geduurd.

De rechtbank is van oordeel dat bij het bepalen van de redelijkheid van duur van de gehele procesgang in deze zaak rekening moet worden gehouden met de complexiteit van de zaak.

Uitgangspunt bij jeugdigen is dat de zaak in eerste aanleg binnen 16 maanden dient te zijn afgerond. Gelet op het feit dat de onderhavige strafzaak in negen maanden is afgerond en gelet op de ernst en de complexiteit van de zaak, is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM niet is overschreden en dat er geen sprake is van schending van artikel 40 van het Kinderverdrag.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Het is de rechtbank aannemelijk geworden dat verdachte door zijn persoonlijke omstandigheden – hij is een alleenstaande asielzoeker die ten tijde van de gepleegde strafbare feiten nog minderjarig was – in een afhankelijke positie ten opzichte van het slachtoffer is geraakt. Deze omstandigheid beschouwt de rechtbank als een strafverminderende omstandigheid.

De rechtbank vindt in dit geval een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank neemt de in de na te noemen onderzoeksrapportages vervatte conclusies betreffende de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte op de daarvoor in die rapportages bijeengebrachte gronden over. Deze sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid heeft de rechtbank bij de strafoplegging meegewogen als strafverminderende omstandigheid.

De psychiater en de psycholoog adviseren beiden in de rapportages de oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel). Echter indien de rechtbank hiertoe zou besluiten, is het zeer aannemelijk dat verdachte, gelet op zijn vreemdelingenstatus, aanstonds na de PIJ-maatregel te hebben ondergaan Nederland zal worden uitgezet. Deze omstandigheid zal behandeling van de verdachte zeer bemoeilijken, aangezien de behandeling gericht is op terugkeer in de Nederlandse samenleving en er, gelet op zijn vreemdelingenstatus, geen verlofmogelijkheden zullen zijn. Alle omstandigheden in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een PIJ-maatregel in de onderhavige zaak niet zinvol is.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel d.d. 8 januari 2004 uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst;

- een psychologisch rapport d.d. 17 november 2003 uitgebracht door dr. Th.A.M. Deenen, kinder- en jeugdpsycholoog;

- een psychiatrisch rapport d.d. 15 september 2003 uitgebracht door W. Postema, psychiater;

- een rapport raadsonderzoek strafzaken d.d. 3 december 2003 uitgebracht door

A. Kramer- v/d Berg, raadsonderzoek Raad voor de Kinderbescherming Vestiging Lelystad;

- de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 27, 77a, 77g, 77h, 77i en 77gg van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [naam benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van de ten laste van verdachte onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 bewezen verklaarde feiten.

De hoogte van die schade is, gelet op het voegingsformulier met bijlagen, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1116,64 - zijnde de uitvaartkosten -, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij] is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

BESLISSING

Het onder 1 primair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 18 maanden (bij voorkeur te ondergaan in [een detentieplaats]).

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie in mindering worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam en adres van de benadeelde partij], van een bedrag van € 1116,64 (zegge: éénduizend honderdzestien euro en vierenzestig cent).

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [naam benadeelde partij] voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter en plaatsvervangend kinderrechter,

mrs. S.E. Bins- van Waegeningh en H. Heins, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. M. Nijhuis als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 april 2004.